Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2003:AF3308

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-05-2003
Datum publicatie
20-05-2003
Zaaknummer
02270/02 U
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2003:AF3308
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2003, 251
NBSTRAF 2003/251
JOL 2003, 287
NJ 2004, 41

Uitspraak

20 mei 2003

Strafkamer

nr. 02270/02 U

SG/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Rechtbank te Amsterdam van 1 oktober 2002, nummer RK 02/317, op een verzoek van Spanje tot uitlevering van:

[de opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] (Spanje) op [geboortedatum] 1966, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

De Rechtbank heeft de gevraagde uitlevering van de opgeëiste persoon deels toelaatbaar, deels ontoelaatbaar verklaard, één en ander zoals in de bestreden uitspraak staat omschreven.

2. Geding in cassatie

2.1. Het beroep is ingesteld door de opgeëiste persoon. Namens deze heeft mr. A.A. Franken, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen. De conclusie is aan dit arrest gehecht.

2.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de Advocaat-Generaal.

3. Beoordeling van het eerste middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beoordeling van het tweede middel

4.1. Het middel komt op tegen het verzuim van de Rechtbank te beslissen op het verweer ertoe strekkende dat de opgeëiste persoon onverwijld zijn onschuld heeft aangetoond dan wel dat verweer ten onrechte heeft verworpen.

4.2 Ter zitting van de Rechtbank van 17 september 2002 heeft de opgeëiste persoon, blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal, onder meer het volgende verklaard:

"Er klopt niets van de feiten waarvan ik word verdacht. Mijn advocaat zal mijn onschuld aantonen."

en heeft de raadsman bepleit:

"3.9 (...) dan moet in ieder geval worden vastgesteld dat [de opgeëiste persoon] onschuldig is aan de feiten waarvoor zijn uitlevering wordt gevraagd. Hij heeft dat aan de hand van het hierboven gestelde onverwijld aangetoond zonder dat diepgaand onderzoek door uw rechtbank noodzakelijk is geweest. Daarmee is de uitlevering ontoelaatbaar, nu er geen sprake kan zijn van een redelijk vermoeden van schuld, een en ander zoals bedoeld in art. 26 lid 3 jo. 28 lid 2 Uw."

4.3. Namens de opgeëiste persoon is blijkens de aan het proces-verbaal van de zitting van 17 september 2002 gehechte pleitnotitie aangevoerd dat, kort en zakelijk samengevat, geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld aan de feiten waarvoor zijn uitlevering wordt gevraagd, een en ander zoals bedoeld in art. 26, derde lid, in verband met art. 28, tweede lid, UW. Daartoe is onder meer gewezen op een aantal in genoemde pleitnotitie uiteengezette feiten en omstandigheden.

4.4. De Rechtbank heeft op hetgeen aldus is aangevoerd als volgt beslist:

"De opgeëiste persoon heeft de feiten waarvoor zijn uitlevering wordt verzocht ontkend. Hij heeft echter medegedeeld niet onverwijld te kunnen aantonen dat hij onschuldig is aan de feiten waarvoor zijn uitlevering wordt verzocht, terwijl niet is gebleken dat er te zijnen aanzien geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld aan die feiten."

4.5. De klacht dat de Rechtbank niet heeft beslist op het ter zitting gevoerde verweer ertoe strekkende dat de opgeëiste persoon onverwijld zijn onschuld heeft aangetoond, mist derhalve feitelijke grondslag.

4.6. Bij de beoordeling van de klacht dat de Rechtbank het verweer ten onrechte heeft verworpen ertoe strekkende dat de opgeëiste persoon onverwijld zijn onschuld heeft aangetoond, moet worden vooropgesteld dat een onschuldbewering alleen dan doel treft indien de Rechtbank onverwijld, dat wil zeggen zonder diepgaand onderzoek vergelijkbaar met dat in het strafgeding zelf, tot de overtuiging komt dat geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld (vgl. HR 15 december 1998, NJ 1999, 206 rov. 3.4.). Het oordeel dienaangaande van de Rechtbank is feitelijk. In het licht van het feit waarvoor de uitlevering toelaatbaar is verklaard en op de gronden vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal, een en ander onder 27, 28 en 29, is dat oordeel niet onbegrijpelijk. Voor de verdere toetsing is in cassatie geen plaats.

4.7. In aanmerking genomen hetgeen hiervoor onder 4.5 en 4.6 is overwogen, mist het middel belang voorzover het erover klaagt dat de Rechtbank heeft overwogen dat de opgeëiste persoon heeft medegedeeld niet onverwijld zijn onschuld te kunnen aantonen.

4.8. Het middel faalt in alle onderdelen.

5. Beoordeling van het derde middel

5.1. Het middel klaagt onder meer dat de Rechtbank heeft verzuimd te beslissen op een verweer betreffende het ontbreken van de dubbele strafbaarheid, althans dat verweer ten onrechte heeft verworpen.

5.2. De Rechtbank heeft geoordeeld dat het feit, waarvoor de uitlevering is gevraagd, naar Nederlands recht strafbaar is als "medeplichtigheid aan voorbereiding van het medeplegen van moord".

5.3. Het in het middel bedoelde verweer luidt blijkens de ter zitting door de raadslieden van de opgeëiste persoon overgelegde pleitnota als volgt:

"2.54 Indien en wanneer aan een criminele organisatie verstrekte inlichtingen kennelijk niet strekken of kunnen strekken tot verwezenlijking van het oogmerk van die criminele organisatie kan onmogelijk worden volgehouden dat a) een dergelijk handelen überhaupt strafbaar is en b) dat er ten aanzien van die handelingen enig redelijk vermoeden van schuld terzake het verwezenlijken van dat doel van die criminele organisatie bestaat of zelfs kan bestaan.

2.55 Met andere woorden, wanneer we er van uit gaan dat de door [de opgeëiste persoon] beweerdelijk verstrekte inlichtingen simpelweg niet passen in de doelstellingen van de ETA of om andere redenen door de ETA worden verworpen is er dus primair sprake van een relatief ondeugdelijke poging tot uitlokking, hetgeen in Nederland niet strafbaar is. Ik verwijs naar Tekst en Commentaar Strafrecht (derde druk) aantekening 2c bij art. 46a Sr. waarin als voorbeeld van een dergelijke poging wordt genoemd het aan de huurmoordenaar bieden van een bedrag dat beneden diens tarief ligt. Dit betekent dat uitlevering moet afstuiten op grond van het ontbreken van dubbele strafbaarheid, wanneer en indien het verstrekken van informatie over extreem-rechtse personen het feit is waarvoor de uitlevering wordt gevraagd.

(...)

2.59 Samenvattend kan gesteld worden dat zonder diepgaand onderzoek duidelijk is geworden dat [de opgeëiste persoon] niet alleen onschuldig is aan het verstrekken van informatie aan het Gorbea-commando over extreem-rechtse doelwitten, maar dat, als hij dat al gedaan zou hebben, dit handelen naar Nederlands recht geen strafbaar feit oplevert. Hiermee is tevens zijn onschuld gegeven voor de samenzwering tot moord, althans ontbreekt ieder redelijk vermoeden van schuld ten aanzien van welke voorbereiding van moord dan ook."

5.4.1. Ten aanzien van de dubbele strafbaarheid heeft de Rechtbank onder meer het volgende overwogen:

"De rechtbank leest de hiervoor onder a) en b) gegeven omschrijving van feiten en omstandigheden als één feit. Ten aanzien van deze omschrijving is voldaan aan het vereiste van de dubbele strafbaarheid.

Deze uiteenzetting kan naar Nederlands recht worden gekwalificeerd als medeplichtigheid aan voorbereiding van het medeplegen van moord, strafbaar gesteld in de artikelen 46, 47, 48 en 289 van het Wetboek van Strafrecht. In zoverre is de uitlevering derhalve toelaatbaar. Daarbij neemt de rechtbank tot uitgangspunt dat uiteindelijk geen aanslag op de voorzitter van Cedade heeft plaatsgevonden, zoals de officier van justitie ter zitting van 17 september 2002 heeft medegedeeld."

5.4.2. De klacht dat de Rechtbank niet gemotiveerd heeft beslist op het ter zitting gevoerde verweer dat niet aan de vereiste dubbele strafbaarheid is voldaan, mist derhalve feitelijke grondslag.

5.5.1. Aan de klacht dat de Rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het feit waarvoor de uitlevering toelaatbaar is verklaard naar Nederlands recht oplevert "medeplichtigheid aan voorbereiding van het medeplegen van moord", ligt de opvatting ten grondslag dat van strafbare medeplichtigheid geen sprake kan zijn omdat, aldus de toelichting op het middel, "ultrarechtse groeperingen geen doelwitten van de ETA zijn" en de door de opgeëiste persoon omtrent de voorzitter van de extreem-rechtse organisatie CEDADE verstrekte informatie terzijde is gelegd "vanwege het geringe belang en de inconsistentie daarvan".

5.5.2. Op de gronden weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 35 gaat deze klacht niet op.

5.6. De overige klachten die het middel bevat kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5.7. Het middel faalt in al zijn onderdelen.

6. Beoordeling van het vierde middel

6.1. Het middel bevat onder meer de klacht dat de Rechtbank ten onrechte het verweer heeft verworpen dat ertoe strekte dat de uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard wegens een reeds voltooide, alsmede een nog dreigende flagrante schending van art. 6, eerste lid, EVRM. Meer in het bijzonder wordt daartoe aangevoerd dat het bewijsmateriaal tegen de opgeëiste persoon is verkregen door foltering van getuigen en dat de opgeëiste persoon zelf het reële risico loopt na de uitlevering aan foltering te worden onderworpen.

6.2. Ter zitting is blijkens de pleitnotitie, welke is gehecht aan het van de zitting opgemaakte proces-verbaal, onder meer het volgende aangevoerd (ad 4.60 e.v.):

"De door [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] afgelegde verklaringen zijn onder marteling verkregen. Als [de opgeëiste persoon] aan Spanje zou worden uitgeleverd, zou Nederland meewerken aan een procedure die mede gebaseerd is op deze verklaringen. Daarmee zou Nederland op flagrante wijze art. 6 EVRM schenden, omdat het gebruik van onder foltering verkregen verklaringen in strijd is met het beginsel van 'fair trial', dat in dat artikel verankerd is.

(...)

Uit de uitspraak in de zaak Khan is (...) af te leiden dat schending van een grondrecht in een procedure tot verdragsrechtelijke problemen in een andere procedure kan leiden, met name als door die schending 'besmet' bewijsmateriaal in die andere procedure wordt ingebracht. Dit is vooral aan de orde als door de 'primaire' schending de betrouwbaarheid van dat bewijsmateriaal wordt aangetast, zoals in de zaak van [de opgeëiste persoon] zonder meer gesteld moet worden, en er verder geen ondersteunend bewijs voorhanden is.

Dat de betrouwbaarheid van het vergaarde bewijs in de ogen van het Hof zeer belangrijk is en de onbetrouwbaarheid van bewijs onder omstandigheden ook tot schending van art. 6 EVRM kan leiden, blijkt ook uit de uitspraak in de zaak van Teixeira de Castro, waarin de verdachte tot het plegen van strafbare feiten was uitgelokt (EHRM, 9 juni 1998, Teixeira de Castro vs. Portugal, NJ 2001, 472 m.nt. Kn).

De opstellers van het Verdrag tegen Foltering hadden deze problematiek allang voorzien. Art. 15 Verdrag tegen Foltering draagt staten dan ook op er voor te zorgen dat verklaringen die ten gevolge van marteling zijn afgelegd niet in een rechtszaak als bewijs worden aangevoerd.

Uitlevering van [de opgeëiste persoon] aan Spanje zou dus niet alleen een flagrante schending opleveren van art. 6 EVRM, maar ook van het Verdrag tegen Foltering."

6.3. De Rechtbank heeft het verweer verworpen en daartoe als volgt overwogen:

"Spanje is aangesloten bij het EVRM en heeft de daarin vervatte mogelijkheid van een individueel klachtrecht erkend. De rechtbank moet het er, gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, op houden dat het de opgeëiste persoon vrij staat elk beroep op het EVRM voor te leggen aan de Spaanse rechter die daarop zal oordelen. Indien de opgeëiste persoon vervolgens geen genoegen neemt met het oordeel van de nationale rechter staat hem nog de weg naar het Europese Hof van Justitie (de Hoge Raad leest: Europees Hof voor de Rechten van de Mens) open. Nu niet gesteld of gebleken is dat de Spaanse rechtspraak zich stelselmatig niet houdt aan de bepalingen van het EVRM of aan uitspraken van het Europese Hof van Justitie (de Hoge Raad leest: Europees Hof voor de Rechten van de Mens), is er voor de uitleveringsrechter geen ruimte zich op voorhand over een beroep op het EVRM in het kader van een komende strafzaak tegen de opgeëiste persoon te buigen."

6.4.1. Bij de beoordeling van de klacht moet het volgende worden vooropgesteld. In de gevallen waarin zowel de verzoekende Staat als de aangezochte Staat is toegetreden tot het EVRM, brengt het vertrouwen dat de verzoekende Staat de bepalingen van dat verdrag zal eerbiedigen mee dat ervan moet worden uitgegaan dat de opgeëiste persoon in geval van schending van enig hem bij dat verdrag toegekend recht na zijn uitlevering ter (verdere) strafvervolging het recht heeft op een daadwerkelijk rechtsmiddel als bedoeld in art. 13 EVRM voor een instantie van de verzoekende Staat. Dit betekent dat de verdragsrechtelijke verplichting tot uitlevering slechts dan moet wijken voor de ingevolge art. 1 EVRM op Nederland rustende verplichting om de rechten van dat verdrag te verzekeren indien (a) blijkt dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge art. 6, eerste lid, EVRM toekomend recht, en (b) voorts naar aanleiding van een voldoende onderbouwd verweer is komen vast te staan dat hem na zijn uitlevering niet een rechtsmiddel als bedoeld in art. 13 EVRM ten dienste staat ter zake van die inbreuk (HR 11 maart 2003, LJN AF3312).

6.4.2. Door of namens de opgeëiste persoon is niet aangevoerd dat volgens het recht van de verzoekende staat de opgeëiste persoon zich na uitlevering niet met vrucht zal kunnen beroepen op een jegens hem gemaakte inbreuk op art. 6, eerste lid, EVRM, daarin bestaande dat belastend bewijsmateriaal door foltering van getuigen is verkregen, dan wel aan een geslaagd beroep niet alsnog zodanige rechtsgevolgen kunnen worden verbonden dat een inbreuk voldoende wordt gecompenseerd.

6.5. Voorzover het middel de klacht bevat dat de opgeëiste persoon zelf na zijn uitlevering foltering heeft te vrezen, is het oordeel of de uitlevering op die grond moet worden geweigerd voorbehouden aan de Minister van Justitie (vgl. HR 15 oktober 1996, NJ 1997, 533). Slechts indien komt vast te staan dat de opgeëiste persoon door politiefunctionarissen van de verzoekende staat in verband met deze zaak is gefolterd, kan een inbreuk op het door art. 6 EVRM gegarandeerde recht op een eerlijk proces niet meer worden afgewend en komt het oordeel of de gevraagde uitlevering moet worden geweigerd toe aan de uitleveringsrechter, die daarbij het onder 6.4.1 overwogene in zijn oordeel zal hebben te betrekken. Dat de opgeëiste persoon in verband met deze zaak reeds is gefolterd is niet gesteld en ook niet komen vast te staan.

6.6. Het middel faalt in al zijn onderdelen.

7. Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet als volgt worden beslist.

8. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en E.J. Numann, in bijzijn van de waarnemend-griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 20 mei 2003.