Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2003:AF3290

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12-12-2003
Datum publicatie
12-12-2003
Zaaknummer
37490
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2003:AF3290
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Nr. 37.490 12 december 2003 EC gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (Spanje) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 10 juli 2001, nr. BK 00/02796, betreffende na te melden beschikking als bedoeld in artikel 18, lid 1, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. 1. Beschikking, bezwaar en geding voor het Hof...

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2003-2289 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 37.490

12 december 2003

EC

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (Spanje) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 10 juli 2001, nr. BK 00/02796, betreffende na te melden beschikking als bedoeld in artikel 18, lid 1, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964.

1. Beschikking, bezwaar en geding voor het Hof

Belanghebbende heeft bij brief van 18 december 1996 een verzoek aan de Inspecteur gedaan om ter zake van de inbreng van de door hem als eenmanszaak gedreven onderneming in een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid het bepaalde in artikel 18, lid 1, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) toe te passen. Dit verzoek is door de Inspecteur bij beschikking van 28 april 1999 afgewezen. Het tegen deze beschikking gemaakte bezwaar is bij uitspraak van de Inspecteur afgewezen.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal L.F. van Kalmthout heeft op 28 november 2002 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

Belanghebbende exploiteerde tot in 1996 als eenmanszaak twee kapsalons. Op 27 september 1996 heeft belanghebbende een intentieverklaring ondertekend waarin hij heeft verklaard dat hij zijn eenmanszaak met toepassing van artikel 18, lid 1, van de Wet zal inbrengen in een nog op te richten besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid. Deze vennootschap (hierna: de BV) is opgericht op 16 januari 1997. Ter volstorting van de door hem genomen aandelen in de BV heeft belanghebbende op 16 januari 1997 de gehele eenmanszaak, inclusief de twee panden waarin de kapsalons werden gedreven, in de BV ingebracht. De ingebrachte onderneming werd vanaf 1 oktober 1996 voor rekening en risico van de BV gedreven.

Op 31 december 1996 is de BV in oprichting met ingang van 1 januari 1997 een commanditaire vennootschap aangegaan met B en C (hierna: B en C). De laatsten werden beherend vennoot; de BV werd commanditair vennoot. Blijkens de vennootschapsovereen-komst verkreeg de commanditaire vennootschap het recht van huur van de panden waarin de kapsalons werden gedreven. In de vennootschapsovereenkomst werd voorts overeengekomen dat door de commanditaire vennoot zouden worden ingebracht alle overige activa en passiva van de kapsalons, met uitzondering van de op 1 januari 1997 bestaande vorderingen en schulden. Deze inbreng zou plaatsvinden tegen de boekwaarde van de activa en passiva per 1 januari 1997. Voorts zou door de commanditaire vennoot worden ingebracht het genot van de door hem voorbehouden stille reserves en goodwill tot maximaal een bedrag van ƒ 270.035. Verder werd overeengekomen dat de beherende vennoten uit de jaarlijkse winst een arbeidsbeloning zouden ontvangen van ƒ 30.000 per vennoot en dat de commanditaire vennoot uit de jaarlijkse winst een bedrag zou ontvangen van ƒ 67.500 voor haar inbreng van het genot van het voorbehouden bedrag aan goodwill en stille reserves. Van het restant van de jaarlijkse winst zou de commanditaire vennoot 10 percent ontvangen en de beherende vennoten samen 90 percent. Bij het eindigen van de vennootschap zou ieder der vennoten in het vermogen der vennootschap zijn gerechtigd voor het bedrag waarvoor hij in de boeken was gecrediteerd, vermeerderd of verminderd met zijn aandeel in de winst of het verlies in het laatste boekjaar. Ter bepaling van die winst of dat verlies zou een slotbalans worden opgemaakt waarop de activa zouden worden opgenomen tegen de verkoopwaarden. Op die slotbalans zou ook de goodwill worden geactiveerd. Deze goodwill zou aan het kapitaal van elk der vennoten worden toegerekend op de voet van de voormelde verhouding 10:90. Daarbij zou rekening worden gehouden met het door de commanditaire vennoot voorbehouden bedrag aan stille reserves en goodwill, van welk voorbehouden bedrag de beherende vennoten jaarlijks gezamenlijk 1/5 zouden inverdienen. De commanditaire vennootschap werd aangegaan voor een periode van vijf jaar.

3.2. Het Hof heeft, verwijzend naar het arrest van de Hoge Raad van 29 augustus 1997, nr. 32444, BNB 1997/375, overwogen dat toepassing van artikel 18 van de Wet slechts achterwege dient te blijven in gevallen waarin de inbreng deel uitmaakt van een geheel van rechtshandelingen gericht op de overdracht of de liquidatie van de onderneming. Het Hof heeft vervolgens geoordeeld dat de inbreng van de eenmanszaak in de BV deel uitmaakte van een geheel van rechtshandelingen gericht op de overdracht van die onderneming, dat zich derhalve te dezen een geval voordoet als bedoeld in het arrest van 29 augustus 1997 en dat de onderneming, gelet op de vennootschapsovereenkomst, als overgedragen moet worden beschouwd. Tegen deze oordelen richt zich het middel.

3.3. Het eerste onderdeel van het middel betoogt dat het Hof uit de feiten had moeten concluderen dat de inbreng geen onderdeel uitmaakt van een geheel van rechtshandelingen gericht op de overdracht van de onderneming omdat slechts een verandering van bedrijfsvoering heeft plaatsgevonden.

3.4. Artikel 18 van de Wet geeft een regeling voor het geval een onderneming die wordt gedreven voor rekening van een natuurlijke persoon, wordt omgezet in een in de vorm van een naamloze of besloten vennootschap gedreven onderneming. Die regeling dient, zoals in het arrest HR 29 augustus 1997, nr. 31597, BNB 1997/374, is overwogen, buiten toepassing te blijven in gevallen waarin de inbreng van de voorheen voor rekening van een natuurlijke persoon gedreven onderneming in een naamloze of besloten vennootschap onderdeel uitmaakt van een geheel van rechtshandelingen gericht op de overdracht of liquidatie van die onderneming. Dan is immers geen sprake van een 'omzetting van een onderneming' als bedoeld in die bepaling. De tekst van de bepaling en de daarop gegeven toelichting geven onvoldoende aanleiding om te veronderstellen dat de wetgever de geruisloze inbreng zou hebben willen uitsluiten in gevallen waarin, tegelijkertijd met de wijziging van de vorm waarin de onderneming wordt gedreven, ook wijzigingen in de aard of de omvang van de onderneming(sactiviteiten) worden aangebracht. Wel dient na die wijzigingen ook ten aanzien van de naamloze of besloten vennootschap waarin de activiteiten worden ingebracht nog sprake te zijn van een voor rekening van die vennootschap gedreven onderneming als bedoeld in artikel 6 van de Wet.

3.5. Indien het Hof bij zijn in 3.2 vermelde oordelen van een andere rechtsopvatting is uitgegaan, zijn de oordelen derhalve onjuist. Indien het Hof daarbij wèl van de juiste rechtsopvatting is uitgegaan, zijn deze oordelen onvoldoende gemotiveerd aangezien uit de door het Hof vastgestelde feiten op zichzelf niet volgt dat de door de BV in oprichting met B en C gesloten vennootschapsovereenkomst er in wezen toe zou leiden dat de BV (in oprichting) zou ophouden winst te genieten uit een (mede) voor haar rekening gedreven onderneming als bedoeld in artikel 6 van de Wet.

Het eerste onderdeel van het middel slaagt derhalve. Het tweede onderdeel van het middel behoeft geen behandeling.

3.6. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.

4. Proceskosten

De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof een vergoeding dient te worden toegekend.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof,

verwijst het geding naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,

gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van ƒ 630 (€ 285,88), en

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 644 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer G.J. Zuurmond als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet, P. Lourens, C.B. Bavinck en J.W. van den Berge, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 12 december 2003.