Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2003:AF3063

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
18-04-2003
Datum publicatie
18-04-2003
Zaaknummer
C01/254HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2003:AF3063
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Invorderingswet 1990 33
Invorderingswet 1990 36
Invorderingswet 1990 37
Invorderingswet 1990 50
Invorderingswet 1990 5
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2003, 243
JWB 2003/179
JOR 2003/135
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 april

Eerste Kamer

Nr. C01/254HR

JMH

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. [eiseres 1], wonende te [woonplaats],

2. [eiser 2], wonende te [woonplaats],

EISERS tot cassatie,

advocaat: mr. J. Groen,

t e g e n

ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST ONDERNEMINGEN MAASTRICHT, gevestigd te [vestigingsplaats],

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. M.J. Schenck.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerder in cassatie - verder te noemen: de Ontvanger - heeft bij exploit van 31 juli 1996 eisers tot cassatie - verder afzonderlijk te noemen: [eiseres 1] en [eiser 2] dan wel gezamenlijk [eiser] c.s. - gedagvaard voor de Rechtbank te Maastricht en gevorderd bij vonnis, voorzover rechtens mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

PRIMAIR:

1. [eiser] c.s. hoofdelijk te veroordelen aan de Ontvanger te betalen ƒ 251.682,--, vermeerderd met de invorderingsrente sedert 26 juni 1996 tot aan de dag der algehele voldoening;

SUBSIDIAIR:

2. te verklaren voor recht:

a. dat [eiser] c.s. als bestuurder van de vennootschap op grond van artikel 36 Invorderingswet 1990, hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de in het lichaam van de dagvaarding onder punt 1 genoemde belastingschuld, en

b. dat [eiser] c.s. jegens de Ontvanger aansprakelijk zijn voor het in het lichaam van de dagvaarding onder punt 6 genoemde bedrag van ƒ 251.682,-- of, voor het geval in de procedure volgend op het bezwaarschrift ex artikel 50 Invorderingswet 1990 een ander bedrag wordt vastgesteld, voor dat andere bedrag en

c. dat [eiser] c.s. de invorderingsrente verschuldigd zijn over ƒ 251.682,-- sedert 26 juni 1996 of, voor het geval in de procedure volgend op het bezwaarschrift ex artikel 50 Invorderingswet 1990 een ander bedrag wordt vastgesteld, de invorderingsrente over dat andere bedrag;

PRIMAIR EN SUBSIDIAIR:

3. [eiser] c.s. te veroordelen in de kosten van dit geding, die van voornoemde beslag daaronder begrepen.

Nadat [eiser] c.s. niet ter terechtzitting waren verschenen, heeft de Rechtbank bij verstekvonnis van 6 februari 1997 de primaire vordering van de Ontvanger toegewezen.

Bij exploit van 6 maart 1997 zijn [eiser] c.s. tegen dit verstekvonnis in verzet gekomen.

De Ontvanger heeft in oppositie de vordering bestreden.

De Rechtbank heeft bij vonnis van 3 december 1998:

- [eiseres 1] verklaard deels te zijn goed opposant en haar ontheven van de bij het vonnis door deze Rechtbank op 6 februari 1997 tegen haar uitgesproken veroordeling, met uitzondering van de daarin opgenomen proceskostenveroordeling;

- voor recht verklaard:

a. dat [eiseres 1] als bestuurder van de vennootschap op grond van artikel 36 Iw hoofdelijk aansprakelijk is voor de in de dagvaarding van 31 juli 1996 onder punt 1 genoemde belastingschuld, en

b. dat [eiseres 1] jegens de Ontvanger aansprakelijk is voor het in die dagvaarding genoemde bedrag van ƒ 251.682,-- of, voor het geval in de procedure volgend op het bezwaarschrift ex artikel 50 Iw een ander bedrag wordt vastgesteld, voor dat andere bedrag, en

c. dat [eiseres 1] de invorderingsrente verschuldigd is over ƒ 251.682,-- sedert 26 juni 1996 of, voor het geval in de procedure volgend op het bezwaarschrift ex artikel 50 Iw een ander bedrag wordt vastgesteld,deinvorderingsrente over dat andere bedrag;

- [eiser 2] verklaard te zijn kwaad opposant, en

- dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Tegen de vonnissen van 6 februari 1997 en 3 december 1998 hebben [eiser] c.s. hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch. De Ontvanger heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.

Bij arrest van 5 juni 2001 heeft het Hof in het principaal en incidenteel appel:

- vernietigd het vonnis voor zoveel betreft de verklaring tot goed opposante van [eiseres 1] en haar ontheffing van de tegen haar bij vonnis van 6 februari 1997 uitgesproken veroordeling en voor zoveel betreft haar veroordeling tot betaling op grond van art. 36 Iw,

- en opnieuw rechtdoende:

- [eiseres 1] alsnog tot kwaad opposante verklaard;

- het vonnis waarvan beroep voor het overige bekrachtigd, en

- het arrest uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof hebben [eiser] c.s. beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Ontvanger heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L.A.D. Keus strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 R0, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Ontvanger begroot op € 286,88 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren A.E.M. van der Putt-Lauwers, D.H. Beukenhorst, O. de Savornin Lohman en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 18 april 2003.