Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2003:AF2699

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
21-02-2003
Datum publicatie
21-02-2003
Zaaknummer
37011
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2003:AF2699
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2003, 416 met annotatie van Van Waaijen
FutD 2003-0362
BNB 2003/177
FED 2003/205
FED 2003/143
WFR 2003/392
V-N 2003/13.8

Uitspraak

Nr. 37.011

21 februari 2003

WM

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 27 maart 2001, nr. BK-99/00323, betreffende na te melden aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het jaar 1996 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 66.326, zonder vermindering ter voorkoming van dubbele belasting, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft die uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 11 december 2002 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

De Staatssecretaris heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd. Nu deze reactie bij de Hoge Raad na afloop van de daartoe gestelde termijn is ingediend, slaat de Hoge Raad op dit stuk geen acht.

3. Beoordeling van de klachten

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende woonde in 1996 in Nederland en was in dat jaar in dienstbetrekking werkzaam voor A Ltd, gevestigd op Cyprus. Belanghebbende heeft in 1996 als machinist/store-keeper gewerkt aan boord van een varende installatie, genaamd schip B. In de periode van 26 juni tot en met 30 juni 1996 en van 12 augustus tot en met 22 september 1996 - in totaal 47 dagen - bevond belanghebbende zich aan boord van schip B op het continentale plat van Brazilië. Van 1 juli tot en met 11 augustus 1996 en van 23 september tot en met 31 december 1996 verbleef belanghebbende met verlof in Nederland.

3.2. Voor het Hof was in geschil of belanghebbende op grond van artikel 15 van het Belastingverdrag Nederland-Brazilië van 8 maart 1990 (hierna: het Verdrag) recht heeft op een vermindering ter voorkoming van dubbele belasting. Het Hof heeft vastgesteld dat het geschil zich toespitst op de vraag of belanghebbende in 1996 minder dan 183 dagen in Brazilië verbleef in de zin van artikel 15, lid 2, letter a, van het Verdrag. Het Hof heeft die vraag in ontkennende zin beantwoord.

3.3. Ingevolge het bepaalde in artikel 15, lid 2, aanhef en letter a, van het Verdrag is de beloning verkregen door een inwoner van een der staten ter zake van een in de andere staat uitgeoefende dienstbetrekking slechts belastbaar in de woonstaat indien - voorzover hier van belang - de genieter in de andere staat verblijft gedurende tijdvakken die in het desbetreffende belastingjaar een totaal van 183 dagen niet te boven gaan. De term 'verblijven' is in het Verdrag niet gedefinieerd. Ook in de Nederlandse belastingwetgeving is geen bepaling opgenomen waarin de term 'verblijven' in een vergelijkbare context wordt gebruikt. De inhoud van deze term moet derhalve worden bepaald met behulp van de uitlegregels van het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht van 23 mei 1969.

3.4. Artikel 31, lid 1, van vorenbedoeld Verdrag van Wenen bepaalt dat een verdrag te goeder trouw moet worden uitgelegd overeenkomstig de gewone betekenis van de termen van het verdrag in hun context en in het licht van voorwerp en doel van het verdrag. De - gelijkelijk authentieke en, bij verschillende uitleg beslissende - Engelse tekst van artikel 15, lid 2, letter a, van het Verdrag luidt - voorzover hier van belang - als volgt:

"a. the recipient is present in the other State for a period or periods not exceeding in the aggregate 183 days in the fiscal year concerned (...)".

De uitdrukking 'is present' duidt in de onderhavige context onmiskenbaar op 'physical presence'. Elders uit het Verdrag of uit toelichtende nota's blijkt niet dat de verdragsluitende staten een andere, van de tekst van de desbetreffende verdragsbepaling afwijkende, betekenis voor ogen heeft gestaan.

3.5. Daarenboven strookt deze uitleg met paragraaf 5 van het Officiële Commentaar op artikel 15 van het OESO-Modelverdrag, zoals dit is aangevuld in 1992, dat immers de Engelse uitdrukking 'presence' opvat als 'physical presence'.

3.6. Gelet op het vorenoverwogene heeft het Hof, door artikel 15, lid 2, letter a, van het Verdrag aldus uit te leggen dat in die bepaling wordt gedoeld op lijfelijke aanwezigheid, een juiste uitleg gegeven aan deze verdragsbepaling. Voorzover de klachten een andere uitleg voorstaan, falen zij derhalve.

3.7. De klachten kunnen voor het overige evenmin tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren L. Monné, P.J. van Amersfoort, J.W. van den Berge en A.R. Leemreis, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 21 februari 2003.