Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2003:AF2685

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11-04-2003
Datum publicatie
11-04-2003
Zaaknummer
R01/105HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2003:AF2685
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet verevening pensioenrechten bij scheiding 12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2003, 213
NJ 2003/492 met annotatie van W.M. Kleijn
RvdW 2003, 74
EB 2003, 24
FJR 2003, 37
JWB 2003/171
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11 april 2003

Eerste Kamer

Rek.nr. R01/105HR

JMH

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[de man], wonende te [woonplaats],

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: aanvankelijk mr. A.R. Sturhoofd,

thans mr. J. van Duijvendijk-Brand,

t e g e n

[de vrouw], wonende te [woonplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. P.A.M. Perquin.

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 5 januari 1998 ter griffie van de Rechtbank te 's-Gravenhage ingediend verzoekschrift heeft verweerster in cassatie - verder te noemen: de vrouw - zich gewend tot die Rechtbank en verzocht scheiding van tafel en bed tussen haar en verzoeker tot cassatie - verder: de man - uit te spreken. Voorzover in cassatie nog van belang heeft zij verzocht een uitkering tot haar levensonderhoud ten laste van de man vast te stellen op ƒ 2.500,-- per maand.

De man heeft het verzoek tot vaststelling van de alimentatie voor de vrouw bestreden, ook van zijn kant verzocht echtscheiding tussen hem en de vrouw uit te spreken en, voorzover in cassatie van belang, verzocht de alimentatie voor de vrouw vast te stellen op nihil.

De Rechtbank heeft bij beschikking van 20 maart 2000 de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en de alimentatie voor de vrouw vastgesteld op ƒ 900,-- per maand.

Tegen deze beschikking heeft de vrouw hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage en wederom verzocht de alimentatie vast te stellen op ƒ 2.500,-- per maand, althans op een zodanig bedrag als het Hof in goede justitie zal vermenen te behoren. Voorts heeft zij verzocht voor recht te verklaren dat zij recht heeft op pensioenverevening ingevolge de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding, per de datum van het eerste huwelijk.

De man heeft het alimentatieverzoek van de vrouw bestreden en tevens verzocht de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek om een verklaring voor recht dat zij recht heeft op pensioenverevening.

Bij beschikking van 27 juni 2001 heeft het Hof de bestreden beschikking, voorzover aan zijn oordeel onderworpen, vernietigd en, in zoverre opnieuw rechtdoende:

- aan de vrouw ten laste van de man met ingang van de datum waarop de echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand en tot de datum waarop de vrouw uit de voormalige echtelijke woning is getrokken, een alimentatie toegekend van ƒ 1.650,-- per maand, en vanaf laatstbedoelde datum een alimentatie van ƒ 2.500,-- per maand;

- voor recht verklaard dat de vrouw recht heeft op pensioenverevening ingevolge de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding, over de gehele periode vanaf de datum van het eerste huwelijk van de partijen tot aan de datum van inschrijving van de tweede echtscheiding.

De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het Hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De vrouw heeft verzocht het beroep te verwerpen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal C.L. de Vries Lentsch-Kostense strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking voorzover in cassatie bestreden en tot afdoening van de zaak in voege als onder 14 van deze conclusie vermeld.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

De man en de vrouw zijn op huwelijkse voorwaardenmet elkaar gehuwd in 1976. Dit huwelijk is in 1994 ontbonden door inschrijving van een daartoe strekkende rechterlijke beschikking in de registers van de burgerlijke stand. De man en de vrouw zijn op 17 februari 1997 andermaal op huwelijkse voorwaarden met elkaar gehuwd.

3.2 In de onderhavige zaak heeft de vrouw gevorderd dat de Rechtbank ten tweeden male de echtscheiding tussen partijen zou uitspreken, met nevenvorderingen. De man heeft verweer gevoerd. Tijdens de mondelinge behandeling van de zaak heeft de vrouw tevens aanspraak gemaakt op de helft van de door de man tijdens het eerste huwelijk van partijen opgebouwde pensioenrechten.

Bij beschikking van 20 maart 2000 heeft de Rechtbank echtscheiding tussen partijen uitgesproken en voorts onder meer een bedrag bepaald dat de man maandelijks diende bij te dragen in het levensonderhoud van de vrouw. De Rechtbank wees het verzoek van de vrouw af, voorzover dat strekte tot verevening van de door de man opgebouwde pensioenrechten. Deze beschikking is op 7 november 2000 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.3 De vrouw is tegen deze beschikking in hoger beroep gegaan wat betreft de hoogte van de door de Rechtbank vastgestelde maandelijkse uitkering voor levensonderhoud en de beslissing over de verevening van de door de man opgebouwde pensioenrechten. De man voerde op beide punten verweer.

Bij beschikking van 27 juni 2001 heeft het Hof de bestreden beschikking vernietigd voorzover aan zijn oordeel onderworpen en, opnieuw beschikkende, aan de vrouw ten laste van de man een hogere bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud toegekend dan de Rechtbank had gedaan en bovendien, wat de door de man opgebouwde pensioenrechten betreft, voor recht verklaard dat de vrouw recht heeft op pensioenverevening over de gehele periode vanaf de datum van het eerste huwelijk van partijen tot aan de datum van inschrijving van de tweede echtscheiding, alles zoals onder 1 breder omschreven. Het Hof heeft deze laatste beslissing in rov. 4 van zijn beschikking als volgt gemotiveerd:

"Voor de vraag, of en op welke wijze het pensioen van de man dient te worden verevend, zijn slechts de datum van het sluiten van het eerste huwelijk en de datum van de tweede scheiding van belang. De wet bepaalt immers in art. 1:166 BW, dat bij hertrouwen alle gevolgen van het huwelijk van rechtswege herleven, alsof er geen echtscheiding had plaatsgehad. Aangezien de tweede scheidingdatum ligt na de datum van inwerkingtreding van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding en de partijen de werking van deze Wet niet bij huwelijkse voorwaarden hebben uitgesloten, dient het door de man opgebouwde pensioen te worden verevend, over de gehele periode vanaf de datum van de sluiting van het eerste huwelijk tot de ontbinding van het tweede huwelijk."

3.4 In het onderhavige cassatieberoep is de man met één middel, houdende een aantal rechtsklachten, opgekomen tegen de beslissing van het Hof over de verevening van de pensioenrechten. Hij voerde daartoe in de eerste plaats aan dat deze beslissing in strijd is met de overgangsrechtelijke regel van art. 12 lid 1 van de Wet houdende vaststelling van regels met betrekking tot de verevening van pensioenrechten bij echtscheiding of scheiding van tafel en bed (Wet van 28 april 1994, Stb. 342, hierna: WVP). Weliswaar wordt in art. 12 lid 2 WVP een uitzondering op deze regel gemaakt, maar die is in het onderhavige geval niet van toepassing. In de tweede plaats is 's Hofs beslissing in strijd met het doel van de WVP, voorzover daarin aan de vrouw ook een recht op verevening van de door de man opgebouwde pensioenrechten is toegekend over de periode van 1994 tot 1997, waarin partijen niet met elkaar waren getrouwd. In de derde plaats heeft het Hof miskend dat art. 1:166 BW in het vorenstaande geen wijziging kan brengen, aangezien dit artikel een veel beperktere strekking heeft dan het Hof daaraan heeft toegekend, aldus nog steeds het - samengevat weergegeven - middel.

3.5 Art. 12 lid 1 WVP bepaalt: "Deze wet is niet van toepassing op een scheiding die heeft plaatsgevonden voor de datum van inwerkingtreding van deze wet". Deze bepaling strookt met het overgangsrechtelijke grondbeginsel dat een nieuwe wet geen terugwerkende kracht heeft. In uitzondering op deze hoofdregel wordt in art. 12 lid 2 WVP bepaald dat die wet niettemin van toepassing is op echtscheidingen of scheidingen van tafel en bed die vóór 27 november 1981 hebben plaatsgevonden, zodat de WVP in zoverre wél terugwerkt. Dit is echter slechts het geval onder een viertal nauwkeurig in die regeling gespecificeerde voorwaarden. Nu is gesteld noch gebleken dat deze voorwaarden in het onderhavige geval alle zijn vervuld, dient tot uitgangspunt dat de WVP niet van toepassing is op de eerste echtscheiding die tussen partijen is uitgesproken.

3.6 Het antwoord op de vraag of na de eerste echtscheiding pensioenverrekening diende plaats te vinden, wordt dus in beginsel - vooralsnog afgezien van de invloed daarop van art. 1:166 BW - beheerst door het Boon/ Van Loon-arrest (HR 27 november 1981, nr. 11708, NJ 1982, 503). Dit arrest schept een recht op pensioenverrekening echter, onder voorwaarden zoals daarin uitgewerkt, slechts ten aanzien van echtelieden die in algehele gemeenschap waren gehuwd. Aangezien de man en de vrouw tijdens hun eerste huwelijk onder huwelijkse voorwaarden waren getrouwd, volgt ook uit dat arrest geen recht op pensioenverrekening over de periode van het eerste huwelijk van partijen.

3.7 Uit het vorenoverwogene volgt dat de vrouw slechts als gevolg van het bepaalde in art. 1:166 BW mogelijk een recht op pensioenverevening ook over de periode van het eerste huwelijk toekomt. Het Hof, dat zijn beslissing heeft gegrond op art. 1:166 BW, heeft dit niet miskend en heeft met name, anders dan het middel veronderstelt, niet enige uitbreiding gegeven aan de uitzonderingen op de overgangsrechtelijke hoofdregel van art. 12 lid 1 WVP. Daarbij verdient opmerking dat de beslissing van het Hof niet ertoe leidt dat de afwikkeling van (de vermogensrechtelijke gevolgen van) het eerste huwelijk opnieuw aan de orde wordt gesteld. Het Hof heeft immers - terecht - slechts onderzocht of op het tijdstip van de tweede echtscheiding op grond van de toen geldende WVP een aanspraak op pensioenverevening ontstond, en of bij de vaststelling van het te verevenen pensioen op de voet van art. 3 WVP als gevolg van de werking van art. 1:166 BW niet slechts met de periode van het eerste huwelijk, maar ook met die van het tweede huwelijk en de daartussen liggende periode rekening moet worden gehouden.

3.8 Bij de beantwoording van de vraag of art. 1:166 BW een recht op pensioenverevening schept over de periode van het eerste huwelijk tussen partijen - en dus bij de uitleg van deze bepaling voor een geval als het onderhavige - staat voorop dat dit artikel geheel in het algemeen voorschrijft dat indien, voorzover thans van belang, de gescheiden echtgenoten met elkander hertrouwen, alle gevolgen van het huwelijk van rechtswege herleven, alsof er geen echtscheiding had plaatsgehad. Uit hetgeen is vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 11 blijkt dat de achtergrond van deze bepaling van huwelijksgoederenrechtelijke aard is en dat deze bepaling ten doel had te voorkomen dat echtgenoten door echtscheiding en het aangaan van een nieuw huwelijk de regeling van (thans) art. 1:119 lid 1 BW ontduiken. Dit betekent echter niet dat het toepassingsgebied van de bepaling daartoe beperkt is. Dat blijkt onder meer hieruit dat, nadat bij de Wet van 14 juni 1956, Stb. 343 (Lex Van Oven), het onveranderlijkheidsbeginsel ten aanzien van de vermogensrechtelijke verhouding tussen echtgenoten was opgeheven, de bepaling (toen art. 287a lid 1) niettemin is gehandhaafd, waarbij als motivering onder meer werd gegeven "dat het inderdaad nog altijd zin heeft te bepalen, dat bij hertrouwen en bij verzoening na scheiding van tafel en bed alle gevolgen van het huwelijk herleven. Anders zou allerlei rechtsonzekerheid kunnen ontstaan." (Kamerstukken II 1954/55, 1430, nr. 8, blz. 10). Dat het toepassingsgebied van de bepaling niet tot het huwelijksgoederenrecht beperkt is, blijkt hieruit dat in de leden 2 en 3 van art. 1:166 BW van 1 oktober 1971 tot 1 november 1995 een regeling betreffende het herleven van het ouderlijk gezag was opgenomen, die overeenstemt met hetgeen thans is bepaald in art. 1:253 BW. Ten slotte is, wat de WVP betreft, van belang dat in de memorie van toelichting op art. 2 lid 4 WVP is opgemerkt dat indien partijen na een echtscheiding opnieuw met elkaar huwen of na scheiding van tafel en bed zich met elkaar verzoenen, er geen grond meer is voor verevening van pensioenaanspraken tussen hen, in welk verband wordt verwezen naar de artikelen 1:166 en 1:176 BW (Kamerstukken II 1990/91, 21 893, nr. 3, blz. 25). De wetgever was dan ook kennelijk van oordeel dat art. 1:166 BW bij de toepassing van de WVP aan de orde kan komen.

3.9 Uit een en ander volgt dat art. 1:166 BW, overeenkomstig zijn bewoordingen, ook voor de toepassing van de WVP aldus moet worden uitgelegd dat indien de gescheiden echtgenoten met elkander hertrouwen, alle gevolgen van het eerdere huwelijk van rechtswege herleven, hetgeen dan meebrengt dat bij de vaststelling van het voor pensioenverevening in aanmerking komende pensioen rekening behoort te worden gehouden met de periode van het eerste huwelijk. Zulks is, anders dan het middel betoogt, ook in overeenstemming met de strekking van de WVP, die immers erop is gericht recht te doen aan de gedachte dat opbouw van pensioenrechten tijdens de huwelijksperiode de vrucht is van een inspanning van beide huwelijkspartners welke erop gericht is te bereiken dat zij beiden kunnen genieten van een redelijke oudedagsvoorziening. Hieraan staat niet in de weg dat tijdens de duur van het eerste huwelijk in verband met de door partijen gekozen huwelijkse voorwaarden voor de vrouw niet het vooruitzicht bestond dat zij aanspraak zou kunnen maken op een deel van de door de man opgebouwde oudedagsvoorziening. De wetgever heeft immers met de WVP gekozen voor een op de verzorgingsplicht van de echtgenoten jegens elkaar berustende regeling die de verdeling van pensioenrechten losmaakt van het tussen partijen geldende huwelijksvermogensregime, waarmee tevens tegemoet is gekomen aan de bezwaren die aan de "koude uitsluiting" zijn verbonden met het oog op de behoefte aan een oudedagsvoorziening van de gescheiden echtgenoot. Er is geen reden gevallen als het onderhavige, waarin partijen zijn hertrouwd na een eerder huwelijk waarin de echtgenoten zich de hiervoor bedoelde gezamenlijke inspanning hebben getroost, in dit opzicht anders te behandelen dan gevallen waarin het huwelijk ononderbroken heeft voortgeduurd en waarin tot de inwerkingtreding van de WVP voor buiten gemeenschap van goederen gehuwde echtgenoten evenmin de verwachting bestond dat de oudedagsvoorziening voor verrekening of verevening in aanmerking zou komen.

3.10 De klachten die uitgaan van een andere opvatting dan hiervóór is uiteengezet, falen. Dat geldt echter, gelet op de hiervóór uiteengezette strekking van de WVP, niet voorzover de klachten betrekking hebben op de periode van de eerste echtscheiding in 1994 tot 17 februari 1997, de datum van het tweede huwelijk. In die periode waren partijen immers niet met elkaar gehuwd en was van een gezamenlijke inspanning als hiervóór bedoeld geen sprake. Evenmin kan worden gezegd dat het herleven van de gevolgen van het eerste huwelijk mede betrekking heeft op de na het einde van dat eerste huwelijk liggende periode. Bij dit laatste moet worden bedacht dat - anders overigens dan in het onderhavige geval - zich het geval kan voordoen dat in de tussenliggende periode een huwelijk heeft bestaan met een derde, die in verband daarmee evenzeer een recht op pensioenverevening aan de WVP kan ontlenen.

3.11Op grond van het vooroverwogene treft het middel ten dele doel. De bestreden beschikking kan in zoverre niet in stand blijven. De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen door de gevraagde verklaring voor recht - als in zoverre op de WVP gebaseerd - uit te spreken voorzover zij betrekking heeft op de periode van het eerste en die van het tweede huwelijk van partijen, maar deze voor het overige, voor de daartussen liggende periode, te weigeren.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de beschikking van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 27 juni 2001 voorzover aan zijn oordeel onderworpen, en in zoverre opnieuw rechtdoende:

verklaart voor recht dat de vrouw recht heeft op pensioenverevening ingevolge de WVP over de perioden gedurende welke het eerste huwelijk en het tweede huwelijk tussen partijen hebben bestaan;

weigert de gevraagde verklaring voor recht voor het overige.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president R. Herrmann als voorzitter en de raadsheren H.A.M. Aaftink, D.H. Beukenhorst, P.C. Kop en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 11 april 2003.