Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2003:AF2679

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
28-03-2003
Datum publicatie
28-03-2003
Zaaknummer
C01/273HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2003:AF2679
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2003, 186
NJ 2003, 718 met annotatie van C.J.H. Brunner
RvdW 2003, 63
VR 2003, 91
JWB 2003/153
RV 2014/126 met annotatie van Redactie van Rechtspraak Vermogensrecht
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

28 maart 2003

Eerste Kamer

Nr. C01/273HR

JMH

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. [eiser 1],

2. [eiser 2],

beiden wonende te [woonplaats],

EISERS tot cassatie,

advocaat: mr. H.A. Groen,

t e g e n

[verweerder], wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. P.J.L.J. Duijsens.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - heeft bij twee exploiten van 26 augustus 1998 eisers tot cassatie - verder te noemen: [eiser 1] en [eiser 2] - gedagvaard voor de Rechtbank te Leeuwarden en gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, voor zover wettelijk toegestaan, voor recht te verklaren dat [eiser 1] en [eiser 2] aansprakelijk zijn jegens [verweerder] voor alle schade welke [verweerder] heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van het ten processe bedoelde onrechtmatig handelen van hen, met hun veroordeling tot betaling aan [verweerder] van een bedrag aan schadevergoeding, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

[Eiser 1] en [eiser 2] hebben de vordering bestreden.

De Rechtbank heeft na een tussenvonnis van 31 maart 1999, waarbij een comparitie van partijen is gelast, bij eindvonnis van 15 september 1999 de vordering afgewezen.

Tegen dit eindvonnis heeft [verweerder] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Leeuwarden. [Eiser 1] en [eiser 2] hebben incidenteel hoger beroep ingesteld.

Bij arrest van 13 juni 2001 heeft het Hof in het principaal en het incidenteel appel het vonnis waarvan beroep vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de vordering van [verweerder] alsnog toegewezen.

Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof hebben [eiser 1] en [eiser 2] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[Verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot bekrachtiging van het vonnis van de Rechtbank.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) In het kader van de Witmarsumer Merke heeft op 2 augustus 1997 in de gemeente Wûnseradiel, een wedstrijd met een spelelement plaatsgevonden. Over de Bottefeart is een kabel gespannen, waaraan een katrol hing. De deelnemers aan de wedstrijd moesten hangende aan deze katrol naar het midden van de Bottefeart zweven en de katrol dan loslaten, om te landen op een drijvend plateau. Vervolgens dienden zij over drijvende platen naar de overkant van het vaarwater te lopen naar een kanosteiger, waar zij een bel moesten luiden. Dit alles moesten de deelnemers zo snel mogelijk doen, zonder daarbij nat te worden.

(ii) [Verweerder], [eiser 1] en [eiser 2] hebben alle drie meegedaan aan deze wedstrijd. [Verweerder] is erin geslaagd de overkant droog te bereiken, maar [eiser 1] en [eiser 2] niet.

Laatstgenoemden hebben [verweerder] daarna in het water gegooid, hoewel [verweerder] zich daartegen verzette. Bij de val in het water is het linkerbeen van [verweerder] in aanraking gekomen met een voorwerp dat zich onder het wateroppervlak bevond in de modderige bodem van de sloot. Dientengevolge is [verweerder] gewond geraakt. Hij ondervindt nog steeds de gevolgen van deze verwonding.

(iii) Voordat de wedstrijd begon, hebben de organisatoren het wedstrijdwater oppervlakkig gecontroleerd op de aanwezigheid van mogelijk gevaarlijke voorwerpen.

3.2 In het onderhavige geding heeft [verweerder] gevorderd zoals onder 1 weergegeven. Hij legde aan zijn vordering ten grondslag dat [eiser 1] en [eiser 2] onrechtig jegens hem hebben gehandeld door hem tegen zijn wil in het water te gooien, zonder te (kunnen) weten of onder water wellicht gevaarlijke obstakels aanwezig waren.

[Eiser 1] en [eiser 2] voerden verweer. Zij bestreden dat zij jegens [verweerder] onrechtmatig hebben gehandeld, waartoe zij onder meer hebben aangevoerd dat het onderhavige voorval plaatsvond in het kader van een sport- en spel-situatie. Het feit dat zij [verweerder] in het water hebben gegooid, lag in de lijn der verwachtingen bij een wedstrijd die op waterpret was gericht. Normaal gesproken is dit volstrekt onschuldig en risicoloos; het feit dat dit in het onderhavige geval tot een (ernstige) verwonding heeft geleid, lag buiten het normale verwachtingspatroon en was voor hen onvoorzienbaar.

3.3 De Rechtbank heeft de vordering afgewezen. Zij heeft overwogen dat het onderhavige ongeluk niet heeft plaatsgevonden in het kader van een sport- en spelsituatie omdat weliswaar alle partijen hebben deelgenomen aan dezelfde wedstrijd, maar zij dat niet tegelijk deden of tegen elkaar speelden. Toch was de Rechtbank van oordeel dat [eiser 1] en [eiser 2] niet onrechtmatig tegenover [verweerder] hebben gehandeld. Daartoe stelde zij voorop dat gevaarscheppend gedrag slechts onrechtmatig is indien de mate van waarschijnlijkheid van een ongeval als gevolg van dat gedrag zo groot is dat de dader zich naar maatstaven van zorgvuldigheid van dat gedrag had moeten onthouden. Dat laatste is hier niet het geval omdat de deelnemers aan de wedstrijd rekening moeten hebben gehouden met de mogelijkheid dat zij in het water zouden vallen, maar zich daardoor niet van deelneming hebben laten weerhouden omdat zij de kans dat zij daardoor letsel zouden oplopen kennelijk zeer gering hebben geacht. De kans dat door zo'n val letsel ontstaat is in het algemeen al klein en in dit geval nog kleiner omdat het wedstrijdwater tevoren was gecontroleerd, zij het oppervlakkig.

3.4 [Verweerder] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de Rechtbank. [Eiser 1] en [eiser 2] hebben incidenteel geappelleerd tegen het oordeel van de Rechtbank dat het ongeluk niet tijdens een sport- en spelsituatie heeft plaatsgevonden.

Het Hof heeft eerst geoordeeld dat de Rechtbank terecht tot de slotsom was gekomen dat van een sport- en spelsituatie geen sprake meer was. Het Hof heeft hiertoe overwogen dat [verweerder], na zijn prestatie te hebben verricht, de bel had geluid en op weg was naar de vaste wal op het moment waarop hij door [eiser 1] en [eiser 2] in het water werd gegooid (rov. 3). Vervolgens heeft het Hof overwogen dat [eiser 1] en [eiser 2] laakbaar en onzorgvuldig tegen [verweerder] hebben gehandeld door hem tegen zijn voor hen kenbare wil in het water te gooien. Aangezien de Nederlandse wateren niet per definitie geacht kunnen worden schoon te zijn en hoe dan ook rekening gehouden moet worden met de mogelijkheid dat ter plaatse overal in het water en/of op de bodem gevaarlijke voorwerpen waren achtergebleven, ondanks de oppervlakkige controle van de bodem die de organisatie voor de wedstrijd heeft uitgevoerd, hadden [eiser 1] en [eiser 2] zich moeten realiseren dat het zo waarschijnlijk was dat [verweerder] letsel zou oplopen als gevolg van hun gedragingen, dat zij zich naar maatstaven van zorgvuldigheid daarvan hadden moeten onthouden. Door onder deze omstandigheden [verweerder] toch in het water te gooien, hebben zij jegens hem onrechtmatig gehandeld (rov. 4).

3.5 [Eiser 1] en [eiser 2] zijn tegen dit arrest in cassatie gekomen met een vier onderdelen tellend middel. Met onderdeel 1 bestrijden zij 's Hofs oordeel dat de onderhavige gebeurtenis niet in het kader van een sport- en spelsituatie heeft plaatsgevonden. Met onderdeel 2 voeren zij aan dat in de gegeven omstandigheden het verzet van [verweerder] niet erop hoefde te duiden dat hij werkelijk niet in het water wilde worden gegooid (onderdelen 2.1 en 2.2), althans dat het enkele feit dat een bepaalde gedraging tegen de wil van een deelnemer aan een sport- en spelsituatie geschiedt, die gedraging niet reeds onzorgvuldig maakt (onderdeel 2.4). Onderdeel 3 strekt ten betoge dat 's Hof oordeel dat de kans op ernstig letsel voor [verweerder] in de gegeven omstandigheden zo groot was, dat [eiser 1] en [eiser 2] zich in redelijkheid ervan hadden moeten onthouden hem in het water te gooien, onbegrijpelijk is. Onderdeel 4 ten slotte heeft geen zelfstandige betekenis.

3.6 De Hoge Raad heeft in een reeks arresten, zoals vermeld in de conclusie van de Procureur-Generaal onder 10, geoordeeld dat de vraag of een deelnemer aan een sport of spel onrechtmatig heeft gehandeld door een gedraging als gevolg waarvan aan een andere deelnemer letsel is toegebracht, minder spoedig bevestigend moet worden beantwoord dan wanneer die gedraging niet in een sport- of spelsituatie had plaatsgevonden. De reden daarvan is dat de deelnemers aan die sport of dat spel in redelijkheid tot op zekere hoogte gevaarlijke, slecht gecoördineerde, verkeerd getimede of onvoldoende doordachte handelingen of gedragingen waartoe de activiteit uitlokt of die daarin besloten liggen, van elkaar moeten verwachten (vgl. HR 28 juni 1991, 14235, NJ 1992, 622). Aangezien de door die sport of dat spel bepaalde verhouding tussen de deelnemers daaraan niet direct en geheel hoeft te veranderen doordat en op het moment waarop aan die sport of dat spel volgens de daarvoor geldende regels, een einde komt, houdt ook de verhoogde drempel om aansprakelijkheid te kunnen aannemen, dan niet steeds direct en geheel op te gelden. Een (korte) tijd daarna kan het feit dat partijen zo-even nog met elkaar hebben gewedijverd of in een spelsituatie waren verwikkeld, de verwachtingen die zij van elkaar mogen of moeten hebben, blijven beïnvloeden, afhankelijk van de aard van die activiteit en de verdere omstandigheden van het geval.

3.7 Uit het vooroverwogene volgt dat het Hof van een onjuiste rechtsopvatting heeft blijk gegeven door uit het enkele feit dat [verweerder], na het verrichten van zijn prestatie, de bel had geluid, af te leiden dat partijen zich nadien ten opzichte van elkaar niet meer in een sport- of spelsituatie bevonden. Door [eiser 1] en [eiser 2] is in deze procedure onweersproken erop gewezen dat de onderhavige, in het kader van de Witmarsumer Merke georganiseerde wedstrijd, onderdeel uitmaakte van festiviteiten waarbij in het water geraken van de deelnemers tot het beoogde vermaak behoorde. Met name in een dergelijke situatie kan aanleiding bestaan aan te nemen dat de door die wedstrijd bepaalde verhouding tussen de deelnemers niet direct geheel hoefde te veranderen doordat en op het moment waarop aan die wedstrijd, volgens de regels waaronder deze plaatsvond, een einde kwam, zoals in de onderhavige zaak wat [verweerder] betreft het geval was nadat de bel had geluid. Onderdeel 1 van het middel treft dus doel.

3.8 De onderdelen 2.1 en 2.2 betogen dat [eiser 1] en [eiser 2] weliswaar ter comparitie in eerste aanleg hebben verklaard: "Het is juist dat [verweerder] zich verzet heeft toen wij probeerden hem in het water te duwen", maar dat zij daaraan hebben toegevoegd: "In zo'n situatie is het ook heel gewoon dat het 'slachtoffer' zich verzet, althans voorwendt dat te doen. Wij weten niet of [verweerder] zich echt verzette of alleen maar deed of hij zich verzette". Volgens de onderdelen is het onder deze omstandigheden zonder nadere toelichting onbegrijpelijk dat het Hof uit het feit dat [verweerder] zich verzette, "onomstotelijk" heeft afgeleid dat hij niet in het water wilde worden geduwd.

3.9 De onderdelen kunnen niet tot cassatie leiden. Wie een handeling of gedraging doorzet ondanks verzet van een ander, dient in beginsel steeds rekening te houden met de mogelijkheid (zo niet: waarschijnlijkheid) dat dit verzet serieus is gemeend en die ander werkelijk niet wil dat de desbetreffende handeling of gedraging plaatsvindt. De door [eiser 1] en [eiser 2] ingeroepen omstandigheden van het geval hoefden het Hof geen aanleiding te geven hierover anders te denken. Daarom behoefde zijn beslissing, dat uit het verzet van [verweerder] onomstotelijk moest worden afgeleid dat hij niet in het water wilde worden gegooid, geen verdere motivering. Hieruit volgt dat ook onderdeel 2.3 faalt.

3.10 Onderdeel 2.4 is daarentegen gegrond. Het Hof heeft uit het feit dat de onderhavige gedraging van [eiser 1] en [eiser 2] tegen de wil van [verweerder] geschiedde, zonder meer afgeleid dat "daarmee (...) het laakbare - en derhalve jegens [verweerder] onzorgvuldige - van vorenomschreven gedraging in beginsel reeds (is) gegeven". Zoals mede volgt uit de beoordeling van onderdeel 1 is deze gedraging, die vrijwel direct volgde nadat [verweerder] zijn deelname aan de wedstrijd had beëindigd en die op zichzelf past binnen de aard daarvan, niet onrechtmatig tegenover [verweerder] op grond van het enkele feit dat zij tegen zijn kenbaar gemaakte wil geschiedde.

In verband hiermee behoeft onderdeel 2.5 geen bespreking.

3.11 Onderdeel 3 treft eveneens doel. Het Hof heeft terecht tot uitgangspunt gekozen dat niet reeds de enkele mogelijkheid van een ongeval, als verwezenlijking van aan een bepaald gedrag inherent gevaar, dat gedrag onrechtmatig doet zijn, maar dat zodanig gevaarscheppend gedrag slechts onrechtmatig is indien de mate van waarschijnlijkheid van een ongeval (het oplopen van letsel door een ander) als gevolg van dat gedrag zo groot is, dat de dader zich naar maatstaven van zorgvuldigheid van dat gedrag had moeten onthouden (HR 9 december 1994, 15527, NJ 1996, 403). Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, is evenwel onbegrijpelijk 's Hofs oordeel dat de mate van waarschijnlijkheid dat [verweerder] letsel zou oplopen als gevolg van het feit dat hij door [eiser 1] en [eiser 2] in het water werd gegooid, zo groot was, dat [eiser 1] en [eiser 2] zich daarvan naar maatstaven van zorgvuldigheid hadden moeten onthouden. Het Hof heeft immers bij de motivering van zijn oordeel geen rekening gehouden met het feit dat partijen zo-even nog met elkaar hadden gewedijverd, hetgeen, zoals hiervoor in rov. 3.6 is overwogen, van belang is bij de beoordeling van de vraag welke gedragingen [verweerder] in die situatie in redelijkheid van [eiser 1] en [eiser 2] moest verwachten.

3.12 Onderdeel 4 behoeft geen bespreking.

3.13 De slotsom van het vooroverwogene is, dat 's Hofs arrest niet in stand kan blijven. Verwijzing moet volgen. Na verwijzing zal onder meer dienen te worden beoordeeld of het feit dat [eiser 1] en [eiser 2] [verweerder] in het water hebben gegooid, op het moment waarop zij dat deden (nog) in de lijn der verwachtingen lag mede gezien het feit dat [verweerder] zich daartegen heeft verzet en of dit in concreto als een gevaarlijke gedraging viel aan te merken, gelet op de mate waarin zij ermee rekening dienden te houden dat op de bodem van het water ter plaatse gevaarlijke obstakels aanwezig waren, in aanmerking genomen dat het wedstrijdwater nog even tevoren - zij het oppervlakkig - op obstakels was gecontroleerd.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden van 13 juni 2001;

verwijst de zaak naar het Gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt [verweerder] in de kosten van de procedure in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser 1] en [eiser 2] begroot op € 372,61 aan verschotten en € 1.590,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren A.E.M. van der Putt-Lauwers, A.G. Pos, O. de Savornin Lohman en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 28 maart 2003.