Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2003:AF2676

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14-03-2003
Datum publicatie
14-03-2003
Zaaknummer
C01/170HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2003:AF2676
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2003, 154
NJ 2004, 49
JWB 2003/120
JBO 2005/281
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14 maart 2003

Eerste Kamer

Nr. C01/170HR

AS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser], wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. D. Stoutjesdijk,

t e g e n

[Verweerder], wonende te [woonplaats], België,

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. P.C.M. van Schijndel.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - heeft bij exploit van 5 maart 1996 eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - gedagvaard voor de Rechtbank te Breda en gevorderd bij vonnis, zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [eiser] te veroordelen tot vergoeding aan [verweerder] van geleden en nog te lijden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan die der algehele voldoening.

[Eiser] heeft de vordering bestreden en zijnerzijds in reconventie gevorderd bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [verweerder] te veroordelen tot betaling van ƒ 8.825,79, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 mei 1996 tot de dag der algehele voldoening.

[Verweerder] heeft de vordering in reconventie bestreden.

Ter rolzitting van 15 oktober 1996 heeft [eiser] de eis in reconventie vermeerderd en gevorderd [verweerder] te veroordelen tot betaling van ƒ 200,-- per jaar ter zake van vergoeding voor het gebruik van de grond van [eiser] voor de door [verweerder] daar aangelegde leidingen en riolering, dan wel [verweerder] te veroordelen tot betaling van een bedrag ex aequo et bono door de Rechtbank vast te stellen.

De Rechtbank heeft bij tussenvonnis van 10 juni 1997 in reconventie [eiser] tot bewijslevering toegelaten en in conventie en in reconventie iedere verdere beslissing aangehouden.

Tegen dit tussenvonnis heeft [verweerder] zowel in conventie als in reconventie hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch. [Eiser] heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.

Bij tussenarrest van 9 maart 2000 heeft het Hof [verweerder] tot bewijslevering toegelaten. Na enquête en contra-enquête heeft het Hof bij arrest van 6 maart 2001 het vonnis van de Rechtbank vernietigd, doch slechts voor zover:

- de Rechtbank in rov. 3.1 heeft vastgesteld dat [verweerder] in de loods detailhandel is gaan bedrijven;

- de Rechtbank in rov. 3.6 heeft geoordeeld dat de vordering van [verweerder] terzake advocaatkosten wordt afgewezen;

- de Rechtbank in rov. 3.11 heeft geoordeeld dat de vordering van [verweerder] terzake (eventuele) bodemverontreiniging wordt afgewezen;

- de Rechtbank in rov. 3.22 de vordering van [eiser] terzake een buitenlamp ten bedrag van ƒ 1.800,-- heeft toegewezen;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

- omtrent de detailhandel door [verweerder] vastgesteld hetgeen in rov. 4.1 van het tussenarrest van 9 maart 2000 is overwogen;

- bepaald dat het door [verweerder] gevorderde bedrag terzake advocaatkosten toewijsbaar is tot een bedrag als door [verweerder] nader bij de Rechtbank dient te worden aangetoond, terzake de correspondentie door zijn advocaat als bedoeld in rov. 7.4 van dit arrest;

- bepaald dat [eiser] aansprakelijk is voor de in rov. 4.5 van het tussenarrest van 9 maart 2000 bedoelde bodemverontreinigingen en [eiser] veroordeeld tot vergoeding van de daardoor door [verweerder] geleden en nog te lijden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

- bepaald dat de vordering van [eiser] terzake een buitenlamp toewijsbaar is tot een bedrag aan hoofdsom van ƒ 1.000,--;

- het vonnis voor het overige bekrachtigd en de zaak teruggewezen naar de Rechtbank te Breda ter verdere afdoening en behandeling met inachtneming van het tussenarrest van 9 maart 2000 en van dit arrest.

Beide arresten van het Hof zijn aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen beide arresten van het Hof heeft [eiser] en beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[Verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot vernietiging van de bestreden arresten.

3. Beoordeling van de middelen

3.1 Het gaat in deze zaak om de nasleep van de verkoop door [eiser] aan [verweerder] van een onroerende zaak. Voorzover in cassatie van belang betreft het geschil tussen partijen in de eerste plaats de bodemvervuiling die is geconstateerd en in de tweede plaats de erfdienstbaarheid van weg die is gevestigd ten behoeve van het verkochte en ten laste van het aan [eiser] verblijvende deel van het perceel.

3.2 Wat de bodemvervuiling betreft heeft de Rechtbank geoordeeld dat [verweerder] onvoldoende feiten en omstandigheden heeft aangevoerd waaruit kan worden afgeleid dat deze door [eiser] is veroorzaakt en zo ernstig is dat de grond moet worden gereinigd (rov. 3.11). Het Hof heeft in rov. 4.5 van het tussenarrest geoordeeld dat [verweerder] twee bodemverontreinigingen onderscheidt en dat de eerste

"tot schade voor [verweerder] kan leiden, als deze zodanig van omvang en intensiteit is dat dat meebrengt dat [verweerder] niet gekregen heeft wat hij op grond van de koopovereenkomst van 4 mei 1993 mocht verwachten. Of dat het geval is, en of [eiser] van deze vervuiling wist of behoorde te weten, dient in de schadestaatprocedure te worden uitgemaakt (...)"

Ten aanzien van de tweede vervuiling, aldus het Hof:

"stelt [eiser] dat dit in elk geval geen relevante verontreiniging is. Ook hiervoor geldt echter dat nu er een kans op schade is, [verweerder] op dit punt kan worden toegelaten tot de schadestaatprocedure, in welke procedure ook de vraag naar de mate van verontreiniging en de bekendheid van [eiser] hiermee, aan de orde is."

In het eindarrest heeft het Hof geen overwegingen meer aan dit punt gewijd en in het dictum bepaald dat [eiser] aansprakelijk is voor de in rov. 4.5 van het tussenarrest bedoelde verontreinigingen, waarna het Hof hem heeft veroordeeld tot vergoeding van de daardoor door [verweerder] geleden en nog te lijden schade, op te maken bij staat.

3.3 Overwegende en beslissende als hiervoor in 3.2 weergegeven, heeft het Hof hetzij blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting doordat het heeft miskend dat omtrent de aansprakelijkheid voor de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd niet in de schadestaatprocedure kan worden geoordeeld, hetzij zijn beslissing onvoldoende gemotiveerd doordat het onvoldoende inzicht heeft gegeven in de gedachtengang op grond waarvan het [eiser] voor de bodemverontreiniging aansprakelijk heeft geacht. Middel 1, dat hierover klaagt, is gegrond.

3.4 Het tweede middel betreft het oordeel van het Hof over de erfdienstbaarheid van weg. Dit middel kan niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten van dit middel niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de arresten van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 9 maart 2000 en 6 maart 2001;

verwijst het geding ter verdere behandeling en beslissing naar het Gerechtshof te Arnhem;

veroordeelt [verweerder] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 1.912,95 in totaal, waarvan € 1.805,18 op de voet van art. 243 Rv. te betalen aan de Griffier en € 107,77 aan [eiser].

Dit arrest is gewezen door de vice-president G.G. van Erp Taalman Kip-Nieuwenkamp als voorzitter en de raadsheren A.G. Pos, D.H. Beukenhorst, O. de Savornin Lohman en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 14 maart 2003.