Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2003:AF2309

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
25-02-2003
Datum publicatie
18-07-2003
Zaaknummer
02605/01
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2003:AF2309
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

5 februari 2003 Strafkamer nr. 02605/01AG/IK Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 4 april 2001, nummer 22/001660-99, in de strafzaak tegen: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1950, zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande. 1. De bestreden uitspraak ...

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 80, geldigheid: 2003-02-25
Wetboek van Strafrecht 225, geldigheid: 2003-02-25
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

25 februari 2003

Strafkamer

nr. 02605/01

AG/IK

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 4 april 2001, nummer 22/001660-99, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1950, zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

1. De bestreden uitspraak

Na verwijzing van de zaak door de Hoge Raad bij arrest van 29 juni 1999 heeft het Hof in hoger beroep - met vernietiging van een bij verstek gewezen vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Alkmaar van 4 maart 1997 - de verdachte ter zake van "valsheid in geschrift, meermalen gepleegd" veroordeeld tot vier maanden gevangenisstraf, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het eerste en het derde middel

3.1. Het eerste middel bevat de klacht dat het Hof ten onrechte geen afzonderlijke beslissing heeft gegeven op het ter terechtzitting in hoger beroep van 21 maart 2001 gevoerde verweer dat de verdachte geen werkzaamheden heeft verricht waarvan melding gemaakt diende te worden op het inlichtingenformulier AAW/WAO van het Gemeenschappelijk Administratiekantoor. Het derde middel voert aan dat het Hof geen afzonderlijke beslissing heeft genomen op het ter terechtzitting in hoger beroep van 21 maart 2001 gevoerde verweer dat er geen sprake is van werk maar van een hobby, terwijl dit aan te merken is als een stelling die met de bewezenverklaring onverenigbaar is.

De middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

3.2. Ter terechtzitting van het Hof op 21 maart 2001 heeft de raadsvrouwe, voorzover voor de beoordeling van de middelen van belang, het volgende aangevoerd.

"De A-G [bij de Hoge Raad] merkt nog op dat de verklaring van cliënt dat hij ballonvaarten heeft verzorgd zijns inziens wel redengevend kan worden geacht voor de vraag "hebt u vorig jaar en/of dit jaargewerkt?". De A-G baseert zich daarbij echter uitsluitend op de verklaring als opgenomen in de bewijsmiddelen. Bekijken we de in het dossier opgenomen verklaring nader, dan is duidelijk dat cliënt aangeeft wel ballonvaarten uit te voeren, maar dit voor hem geen 'werk' is maar een hobby. Omdat ook alleen met het uitvoeren van ballonvaarten de voor de vergunning benodigde vlieguren kunnen worden verkregen, beschouwt cliënt dit ook helemaal niet als werk, maar als middel om zijn hobby te kunnen blijven uitoefenen."

Naar aanleiding van een uitspraak van de Arrondissementsrechtbank te Alkmaar, sector bestuursrecht, van 15 juli 1998 heeft de raadsvrouwe op die zitting tevens aangevoerd:

"Duidelijk wordt hieruit dat de vraag "heeft u gewerkt" ziet op werk, arbeid, waarmee inkomsten worden verworven en dat ditzelfde geldt voor 'andere inkomsten': het GAK is alleen geïnteresseerd in die andere inkomsten, gelet op de betreffende regeling in de WAO, wanneer dit andere inkomsten uit arbeid betreft. Een bevestiging mitsdien van de eerder naar voren gebrachte verweren."

3.3. De bewezenverklaring houdt in dat de verdachte:

"op 21 maart 1994 en op 9 mei 1995, te Heiloo, (telkens) een geschrift, (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - te weten (telkens) een inlichtingenformulier AAW/WAO van het Gemeenschappelijk Administratiekantoor te Alkmaar, waarop opgave moest worden gedaan (onder meer) van werk valselijk heeft opgemaakt immers heeft verdachte (telkens) valselijk

- op een formulier, gedateerd 21/3 (1994), betrekking hebbende op het jaar 1993 en/of het jaar 1994, bij de vraag: "hebt u vorig jaar en/of dit jaar gewerkt?" het vakje nee aangekruist

- op een formulier, gedateerd 9/05 (1995), betrekking hebbende op het jaar 1994 en/of het jaar 1995, bij de vraag: "hebt u vorig jaar en/of dit jaar gewerkt?" het vakje nee aangekruist

en (telkens) dat formulier ondertekend, met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken."

3.4. Blijkens de gebezigde bewijsmiddelen heeft het Hof onder meer vastgesteld dat:

(i) de verdachte in 1993 ongeveer 50 en in 1994 ongeveer 88 vluchten met een heteluchtballon heeft uitgevoerd;

(ii) er per vlucht gemiddeld 4 passagiers waren;

(iii) de verdachte voorzitter was van de stichting die de ballon heeft aangeschaft en via welke de passagiers moesten betalen;

(iv) in de boekhouding van de stichting over het jaar 1994 een bedrag van fl. 60.819,- (exclusief omzetbelasting) is vermeld als inkomsten uit ballonvaart;

(v) de verdachte geheel op de hoogte was van de inkomsten en de uitgaven van de stichting, waarvan hij zelf een boekhouding bijhield.

3.5. Art. 80 WAO en art. 78 Algemene arbeidsongeschiktheidswet brachten mee dat ten tijde van de bewezenverklaarde valsheid in geschrift de verdachte mededeling diende te doen van:

"(...) alle feiten of omstandigheden waarvan het hun redelijkerwijs duidelijk is, dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op of de hoogte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering of het bedrag, dat daarvan wordt uitbetaald."

3.6. De vraag "hebt u (...) gewerkt?" op het inlichtingenformulier, waarnaar in de bewezenverklaring wordt verwezen, moet daarom worden opgevat als betrekking hebbende op werkzaamheden waarvan het redelijkerwijs duidelijk is dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op, of de hoogte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering of het bedrag dat daarvan wordt uitbetaald. Hieruit volgt dat aan het begrip "werk" geen specifieke, van het algemeen spraakgebruik afwijkende betekenis toekomt, in het bijzonder niet dat daarmee wordt gedoeld op werkzaamheden waarvoor een financiële vergoeding is verkregen.

3.7. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen hebben de in de bewezenverklaring bedoelde vragen heel in het algemeen betrekking op de werkzaamheden van de verdachte. Het Hof heeft kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld, dat het desbetreffende in de tenlastelegging opgenomen begrip "werk" aldaar is gebezigd in de betekenis die daaraan naar algemeen spraakgebruik toekomt. Gelet daarop is het antwoord op dat verweer in de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen aan te treffen. Van een plicht tot nadere motivering waarom het verweer diende te worden verworpen, is daarom geen sprake.

3.8. De middelen falen.

4. Beoordeling van het tweede middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

6. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens en E.J. Numann, in bijzijn van de waarnemend-griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 25 februari 2003.