Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2003:AF2292

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
21-03-2003
Datum publicatie
21-03-2003
Zaaknummer
C01/196HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2003:AF2292
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 591
Wetboek van Strafvordering 591a
Wetboek van Strafvordering 552a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2009, 232 met annotatie van M.R. Mok
JOL 2003, 162
RvdW 2003, 53
Gst. 2003, 82 met annotatie van J.M.H.F. Teunissen
O&A 2003, p. 165 (nr.1)
JWB 2003/141
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

21 maart 2003

Eerste Kamer

Nr. C01/196HR

AT

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[eiseres], gevestigd te [vestigingsplaats],

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. M.A. Leijten,

t e g e n

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie), gevestigd te 's-Gravenhage,

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. G. Snijders.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiseres tot cassatie - verder te noemen: [eiseres] - heeft bij exploit van 18 juni 1996 verweerder in cassatie - verder te noemen: de Staat - gedagvaard voor de Rechtbank te 's-Gravenhage en - na wijziging van eis - gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de Staat te veroordelen om aan [eiseres] te betalen een bedrag van ƒ 139.594,08, te vermeerderen met de wettelijke rente en de proceskosten.

De Staat heeft de vordering bestreden.

De Rechtbank heeft bij vonnis van 18 juni 1997 de vordering afgewezen.

Tegen dit vonnis heeft [eiseres] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage.

Bij arrest van 15 maart 2001 heeft het Hof het vonnis van de Rechtbank bekrachtigd.

Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staat heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor [eiseres] mede door mr. G.R. den Dekker, advocaat bij de Hoge Raad.

De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing van de zaak naar een ander gerechtshof.

3. Beoordeling van de middelen

3.1 In cassatie kan worden uitgegaan van het volgende.

(i) Op 19 maart 1991 hebben opsporingsambtenaren van de Keuringsdienst van Waren te 's-Hertogenbosch onder Xenos B.V. (hierna: Xenos) een partij fruit in blik ("partij I") in beslag genomen wegens verdenking van overtreding van art. 2 Algemeen Aanduidingenbesluit (Warenwet). Deze partij was eigendom van [eiseres]. Xenos en [eiseres] zijn beide als verdachten aangemerkt; tegen hen is proces-verbaal opgemaakt.

(ii) Op 8 april 1991 heeft de Keuringsdienst van Waren onder Xenos een tweede partij fruit in blik ("partij II") in beslag genomen op grond van dezelfde verdenking. Op het deponeringsformulier is Xenos aangemerkt als eigenares van die partij en als verdachte. Tegen Xenos is proces-verbaal opgemaakt.

(iii) Zowel tegen Xenos als tegen [eiseres] is een strafvervolging ingesteld. Bij vonnissen van 30 september 1991 van de economische politierechter te 's-Hertogenbosch zijn Xenos en [eiseres], ieder afzonderlijk, veroordeeld tot betaling van een geldboete ter zake van overtreding van de Warenwet. In het tegen Xenos gewezen strafvonnis is de onttrekking aan het verkeer bevolen van beide inbeslaggenomen partijen fruit in blik.

(iv) Xenos heeft berust in het tegen haar gewezen strafvonnis. [Eiseres] heeft echter hoger beroep ingesteld en is op 7 oktober 1993 door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch vrijgesproken, kort gezegd omdat het Hof niet wettig en overtuigend bewezen achtte dat de blikken, waarvan het loodgehalte pas in juni 1991 is bepaald, op de in de tenlastelegging vermelde data (5 februari 1991 en 19 maart 1991) een te hoog loodgehalte bevatten en omdat een op genoemde data aanwezige metaalsmaak slechts door één verbalisant was geconstateerd.

(v) Na de vrijspraak heeft [eiseres] aan het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch op grond van de artt. 591 en 591a Sv. vergoeding van kosten en schade verzocht. Bij beschikking van 24 maart 1994 heeft het Hof haar een vergoeding toegekend van ƒ 42.860,04.

(vi) [Eiseres] heeft voorts bij klaagschrift op grond van art. 552a (oud) Sv. aan hetzelfde Hof verzocht het beslag op de onder Xenos inbeslaggenomen blikken fruit op te heffen met last tot teruggave daarvan aan haar. Bij beschikking van 28 april 1994 heeft het Hof de teruggave aan [eiseres] gelast van 67.167 blikken fruit. Deze beschikking is onherroepelijk geworden.

(vii) De blikken fruit, waarvan de uiterste houdbaarheidsdatum aan het eind van december 1991 zou verstrijken, zijn op 14 november 1991 vernietigd op grond van het strafvonnis tegen Xenos. Deze vernietiging is geschied binnen de in art. 552g (oud) Sv. gestelde termijn.

3.2 In dit geding heeft [eiseres] gevorderd dat de Staat zal worden veroordeeld haar een bedrag te voldoen van, na vermindering van eis, ƒ 139.594,08, met rente en kosten. Zij heeft aangevoerd dat niet alleen partij I, maar ook partij II haar eigendom was. Daarvan uitgaande heeft zij een viertal verwijten tot de Staat gericht, waarvan in cassatie alleen nog het eerste en het laatste van belang zijn. Deze luiden, samengevat weergegeven, dat de Staat jegens haar, [eiseres], onrechtmatig heeft gehandeld doordat de Staat ten aanzien van beide partijen fruit

(a) inbreuk heeft gemaakt op [eiseres'] eigendomsrecht door deze partijen in beslag te nemen en te vernietigen;

(b) niet heeft voldaan aan de last tot teruggave daarvan d.d. 28 april 1994.

3.3 De Rechtbank heeft alle vier de - door de Staat bestreden - grondslagen van de vordering van [eiseres] ontoereikend geacht, en deze vordering daarom afgewezen. Het Hof heeft het door [eiseres] tegen dat vonnis ingestelde beroep verworpen. Daartoe heeft het ten aanzien van de grieven die waren gericht tegen de beoordeling door de Rechtbank van de beide onder 3.2 weergegeven grondslagen van de vordering van [eiseres], samengevat als volgt overwogen:

Ad (a): De inbeslagneming heeft plaatsgevonden in de zaak tegen Xenos in het kader van een tegen haar gerezen verdenking die achteraf niet ongefundeerd is gebleken, zodat uitgegaan moet worden van de rechtmatigheid van het beslag. Het feit dat [eiseres] in de tegen haar aanhangig gemaakte strafzaak is vrijgesproken, doet daarom niet ter zake (rov. 5.1-5.3).

Ad (b): De onderhavige verplichting tot teruggave is pas ontstaan op grond van de beschikking van het Hof 's-Hertogenbosch van 28 april 1994. Op dat moment was de waarde van de in beslag genomen partijen fruit in blik nihil, nu de houdbaarheidsdatum daarvan al in december 1991 was verstreken. [Eiseres] heeft dus geen schade geleden doordat de Staat haar voormelde verplichting niet nakwam (rov. 13.1).

3.4 In cassatie komt [eiseres] met middel I op tegen 's Hofs beslissing over grondslag (a) van de vordering en met middel II tegen de beslissing over grondslag (b).

De onderdelen 1, 2, 4 en 7 van middel I zijn gebaseerd op het uitgangspunt dat naar 's Hofs oordeel de beantwoording van de vraag of de inbeslagneming rechtmatig dan wel onrechtmatig was jegens [eiseres], afhangt van het antwoord op de vraag of in de strafzaak tegen Xenos is gebleken dat de tegen deze bestaande verdenking niet gefundeerd was. Omdat [eiseres] geen partij was in die strafzaak, waarin wél de onttrekking aan het verkeer van haar eigendommen is bevolen, is art. 6 lid 1 EVRM, althans art. 1 Eerste Protocol EVRM geschonden, zo luidt de onderhavige klacht.

3.5 De onderdelen kunnen wegens gemis aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden. De beslissing van het Hof dat de onderhavige inbeslagneming niet onrechtmatig was tegenover [eiseres] is immers niet erop gebaseerd dat het Hof van oordeel was dat in de strafzaak tegen Xenos is gebleken dat de tegen deze bestaande verdenking gefundeerd was, maar op zijn oordeel dat niet is gebleken dat de ten tijde van de inbeslagneming onder Xenos jegens haar bestaande verdenking ongegrond was, zodat die inbeslagneming niet in strijd met de regels van strafvordering is geschied.

3.6 De onderdelen 5 en 6 van het middel voeren aan, achtereenvolgens ten aanzien van partij I en partij II, dat het Hof bij de beantwoording van de vraag of de onderhavige inbeslagnemingen onrechtmatig tegenover [eiseres] waren, ten onrechte niet (mede) heeft onderzocht of aan [eiseres] daardoor een onevenredige schade is toegebracht.

Deze onderdelen zijn terecht voorgedragen. Onevenredig nadelige - dat wil zeggen: buiten het normale maatschappelijke risico of het normale bedrijfsrisico vallende, en op een beperkte groep burgers of instellingen drukkende - gevolgen van een overheidshandeling of overheidsbesluit, behoren immers niet ten laste van die beperkte groep te komen, maar dienen gelijkelijk over de gemeenschap te worden verdeeld (HR 30 maart 2001, nr. C 00/083, RvdW 2001, 71). Uit deze regel volgt dat het toebrengen van onevenredige schade bij een op zichzelf rechtmatige overheidshandeling als de onderhavige inbeslagneming, gevolgd door vernietiging van de inbeslaggenomen voorwerpen jegens de daardoor getroffene (in dit geval: [eiseres]) onrechtmatig is. Voorzover het Hof zulks heeft miskend, is zijn beslissing op een onjuiste rechtsopvatting gebaseerd; voorzover het deze regel wél heeft toegepast is zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk waarom het de onderhavige stellingen van [eiseres] heeft gepasseerd.

3.7 Het slagen van de onderdelen 5 en 6 brengt mee dat de overige klachten van het middel geen behandeling behoeven. Hetzelfde geldt voor middel II omdat de vraag wanneer de verplichting tot de teruggave van de beide in beslag genomen partijen is ontstaan, niet van belang is bij de beoordeling of aan [eiseres] door de onderhavige inbeslagneming en de daarop gevolgde vernietiging een onevenredige schade is toegebracht als bovenbedoeld. Indien de rechter naar wie de zaak zal worden verwezen, tot het oordeel zou komen dat dit inderdaad het geval is en de Staat dus onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiseres], is de door het middel aan de orde gestelde vraag evenmin van belang voor het vaststellen van het moment waarop [eiseres] daardoor schade heeft geleden.

4. Beslissing

De Hoge Raad

vernietigt het arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 15 maart 2001;

verwijst de zaak ter verdere behandeling en beslissing naar het Gerechtshof te Amsterdam;

veroordeelt de Staat in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak begroot op € 1.761,75 aan verschotten en € 1.590,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G.G. van Erp Taalman Kip-Nieuwenkamp als voorzitter en de raadsheren J.B. Fleers, H.A.M. Aaftink, A.G. Pos en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 21 maart 2003.