Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2003:AF2143

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
07-03-2003
Datum publicatie
07-03-2003
Zaaknummer
C01/197HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2003:AF2143
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2003, 133
JWB 2003/108
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

7 maart 2003

Eerste Kamer

Nr. C01/197HR

JMH

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser], wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. P. Garretsen,

t e g e n

1. [Verweerster 1], gevestigd te [vestigingsplaats],

2. [Verweerder 2], wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. R.V. Kist.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploit van 18 juni 1997 verweerders in cassatie - tezamen verder te noemen: [verweerder] - gedagvaard voor de Rechtbank te Rotterdam en - na wijziging van eis - gevorderd [verweerder] bij vonnis, voor zover wettelijk toelaatbaar uitvoerbaar bij voorraad, hoofdelijk, des dat de een betalende de al zal zijn gekweten, te veroordelen om aan [eiser] te betalen:

- een bedrag van ƒ 220.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 24 oktober 1984, althans vanaf 26 juli 1996, althans vanaf de dag der dagvaarding;

- een bedrag van ƒ 3.633,39, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de inleidende dagvaarding;

- een bedrag van ƒ 18.964,24 aan buitengerechtelijke incassokosten, berekend volgens het tarief van de Nederlandse Orde van Advocaten;

- een bedrag van ƒ 17.327,46 aan kosten ter vaststelling van de aansprakelijkheid, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de conclusie van repliek (9 juli 1998);

Voorts heeft [eiser] zijn eis vermeerderd en gevorderd [verweerder] hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten waaronder begrepen de kosten van de ten laste van [verweerder] gelegde beslagen.

[Verweerder] heeft de vordering bestreden.

De Rechtbank heeft bij vonnis van 27 mei 1999 de vordering van [eiser] afgewezen.

Tegen dit vonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage.

Ter rolzitting van 7 december 2000 heeft [eiser] zijn eis verminderd en gevorderd [verweerder] hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn gekweten, te veroordelen om aan [eiser] te betalen:

- een bedrag van ƒ 148.927,--, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 24 oktober 1984, althans vanaf 26 juli 1996, althans vanaf 18 juni 1997;

- een bedrag van ƒ 8.627,81 aan buitengerechtelijke incassokosten, berekend volgens het tarief van de Nederlandse Orde van Advocaten;

- een bedrag van ƒ 13.432,46 aan kosten ter vaststelling van de aansprakelijkheid, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 juli 1998, en

- [verweerder] hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten waaronder begrepen de kosten van de ten laste van [verweerder] gelegde beslagen.

Bij arrest van 18 januari 2001 heeft het Hof het vonnis van de Rechtbank bekrachtigd.

Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht

en maakt daarvan deel uit.

[Verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot verwerping van het beroep.

De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 20 december 2002 op deze conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van de middelen

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] op € 2.090,66 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren J.B. Fleers, als voorzitter, P.C. Kop en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 7 maart 2003.