Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2003:AF1978

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
21-01-2003
Datum publicatie
24-02-2003
Zaaknummer
00484/02
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2003:AF1978
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 588
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2003/50
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

21 januari 2003

Strafkamer

nr. 00484/02

LR/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen vonnis van de Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch van 1 november 2001, nummer 01/300512-99, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Nieuw Vossenveld" te Vught.

1. De bestreden uitspraak

De Rechtbank heeft in hoger beroep - met vernietiging van een bij verstek gewezen vonnis van de Kantonrechter te Helmond van 22 juni 2000 - de verdachte ter zake van "overtreding van artikel 20 aanhef en onder a van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990" veroordeeld tot een geldboete van ƒ 625,--, subsidiair twaalf dagen hechtenis, met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van vier maanden, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. L.P.H. Hameleers, advocaat te Roermond, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen en de dagvaarding in hoger beroep nietig zal verklaren.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het middel klaagt in de eerste plaats dat de Rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de dagvaarding in hoger beroep rechtsgeldig is betekend.

3.2.1. Blijkens een daarvan opgemaakte akte heeft de verdachte op 16 januari 2001 ter griffie van het Kantongerecht te Helmond hoger beroep ingesteld tegen het in eerste aanleg gewezen vonnis. Die akte vermeldt als adres van de verdachte:

"Postadres: postbus [001], [...] [plaats A]."

3.2.2. Tot de stukken van het geding behoort een kennelijk in verband met de betekening van de appèldagvaarding en het daartoe ingestelde onderzoek naar het adres van de verdachte, vervaardigde handgeschreven notitie die inhoudt:

"[c-straat 1] [...] [plaats B] Italië verif.jan.2001GBA 15/8."

3.2.3. Een aan het dubbel van de dagvaarding in hoger beroep gehechte akte van uitreiking houdt ten aanzien van het adres van de verdachte in:

"verblijvende: [...] [plaats B], Italië [c-straat 1] Overigens is van de geadresseerde geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend."

3.2.4. Die akte houdt in dat de dagvaarding op 24 september 2001 is uitgereikt aan de (waarnemend) griffier van de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch, omdat "van de geadresseerde geen woon of verblijfplaats bekend is".

Voorts houdt die akte in:

"de officier van justitie in het aan ommezijde vermelde arrondissement verklaart dat de gerechtelijke brief op 24-9-2001 als gewone brief is verzonden aan het aan ommezijde vermelde adres van de geadresseerde in het buitenland."

3.2.5. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt, voorzover hier van belang, in:

"de verdachte (...) postadres [...] [plaats A], postbus [001] thans verblijvende te [...] [plaats B] ( Italië), [c-straat 1] is niet

verschenen."

3.3. In het licht van het vorenoverwogene geeft het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel van de Rechtbank dat de dagvaarding in hoger beroep rechtsgeldig is betekend geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting terwijl het evenmin onbegrijpelijk is. Voorzover het middel berust op de stelling dat het gerechtelijk stuk niet als gewone brief aan "het verblijfadres te [plaats B] is toegezonden", faalt het, nu de Rechtbank op grond van hetgeen hiervoor onder 3.2.4 uit de akte van uitreiking is weergegeven kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft aangenomen dat zulks wel is geschied.

3.4. Naar de Hoge Raad begrijpt klaagt het middel voorts dat de dagvaarding in hoger beroep in afschrift had dienen te worden toegezonden aan het door de verdachte opgegeven postbusnummer en dat, nu zulks niet is geschied, het aanwezigheidsrecht van de verdachte is geschonden.

3.5. Bij de beoordeling van die klacht moet het volgende worden vooropgesteld. Uit de omstandigheid dat rekening moet worden gehouden met de waarschijnlijkheid dat de verdachte in hoger beroep van zijn aanwezigheidsrecht gebruik wil maken, volgt dat de appèlrechter - ook al is de dagvaarding in hoger beroep rechtsgeldig betekend - in bepaalde gevallen niet op de enkele grond dat de verdachte niet op de terechtzitting is verschenen kan aannemen dat deze van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht vrijwillig afstand heeft gedaan. Daartoe behoort het geval dat door of namens de verdachte bij het instellen van het hoger beroep in de appèlakte een ander adres (waaronder mede is begrepen een postadres of een postbus) is opgegeven dan dat waarop hij is ingeschreven in de GBA. Om te kunnen aannemen dat de verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht is in een zodanig geval vereist dat een afschrift van de appèldagvaarding is gezonden aan het in de appèlakte vermelde adres. Dat geldt evenwel niet indien - bijvoorbeeld op grond van de gegevens die aan het licht zijn gekomen bij de betekening van de àppeldagvaarding, zoals een nieuw GBA-adres - als vaststaand kan worden aangenomen dat het eerder opgegeven adres achterhaald is (vgl. HR 12 maart 2002, NJ 2002, 317, rov. 3.38).

3.6. Het onderhavige geval wordt hierdoor gekenmerkt dat de verdachte bij het instellen van het hoger beroep een postbusnummer in Nederland heeft opgegeven, terwijl ten tijde van het uitbrengen van de appèldagvaarding de registratie van een adres in het buitenland bekend is geworden (met inachtneming van welk adres de dagvaarding rechtsgeldig is betekend). Op een zodanig geval is hetgeen hiervoor onder 3.5 is vooropgesteld, gelet op de strekking ervan, van overeenkomstige toepassing, zulks temeer nu niet valt uit te sluiten dat die opgave van het postbusnummer in Nederland een door de niet in Nederland wonende of verblijvende verdachte getroffen maatregel is om te voorkomen dat een oproeping hem niet bereikt (vgl. HR 15 september 1997, NJ 1998, 115).

3.7. Uit de stukken van het geding kan niet blijken dat een afschrift van de appèldagvaarding is gezonden aan het door de verdachte in de appèlakte opgegeven postbusnummer, zodat het ervoor moet worden gehouden dat dat niet is geschied. Daarom had de Rechtbank, gelet op hetgeen hiervoor onder 3.5 en 3.6 is overwogen en in aanmerking genomen dat de stukken van het geding niets behelzen waaruit kan volgen dat dat postbusnummer ten tijde van de betekening van de appèldagvaarding als achterhaald zou moeten worden beschouwd, niet zonder meer mogen aannemen dat de verdachte vrijwillig afstand had gedaan van zijn recht om ter terechtzitting in hoger beroep aanwezig te zijn. De Rechtbank had blijk moeten geven te hebben onderzocht of er reden was om het onderzoek ter terechtzitting te schorsen teneinde de verdachte in de gelegenheid te stellen om alsnog in zijn tegenwoordigheid te worden berecht. Van een zodanig onderzoek blijkt niet. Dat leidt tot nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting en de naar aanleiding daarvan gegeven uitspraak. De tweede klacht van het middel treft dus doel.

4. Slotsom

Het vorenoverwogene brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en dat als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak; Verwijst de zaak naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren F.H. Koster en W.A.M. van Schendel, in bijzijn van de waarnemend-griffier I.W.P. Verboon, en uitgesproken op 21 januari 2003.