Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2003:AF1882

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
07-03-2003
Datum publicatie
07-03-2003
Zaaknummer
C01/117HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2003:AF1882
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie 87
Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie 88
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2003, 130
NJ 2004, 59 met annotatie van M.R. Mok
RvdW 2003, 45
JWB 2003/115
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

7 maart 2003

Eerste Kamer

Nr. C01/117HR

JMH

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. VLEESWAREN- EN CONSERVENFABRIEK "COMPAXO" B.V., gevestigd te Gouda,

2. INTERNATIONALE GROOTHANDEL VLEES B.V., gevestigd te Gouda,

3. COMPAXO VLEES ZEVENAAR B.V., gevestigd te Zevenaar,

EISERESSEN tot cassatie, voorwaardelijk incidenteel verweersters,

advocaat: mr. R.A.A. Duk,

t e g e n

STICHTING VORMINGSFONDS VOOR DE OPLEIDING VAN WERKNEMERS IN DE VLEESWARENINDUSTRIE, gevestigd te 's-Gravenhage,

VERWEERSTER in cassatie, voorwaardelijk incidenteel eiseres,

advocaat: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerster in cassatie - verder te noemen: de Stichting - heeft bij exploit van 16 juni 1998 eiseressen tot cassatie - verder te noemen: Compaxo c.s. - gedagvaard voor de Kantonrechter te Gouda en gevorderd bij vonnis, volledig uitvoerbaar bij voorraad:

I. eiseres tot cassatie sub 1 te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de Stichting te betalen een bedrag van ƒ 79.219,65, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van 25 juli 1997 tot aan de dag der algehele voldoening;

II. eiseres tot cassatie sub 1 te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de Stichting te betalen een bedrag van ƒ 76.313,46, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van 19 mei 1998 tot aan de dag der algehele voldoening;

III. eiseres tot cassatie sub 2 te veroordelen om aan de Stichting te voldoen een bedrag ad ƒ 2.238,46, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 25 juli 1997 tot aan de dag der algehele voldoening;

IV. eiseres tot cassatie sub 2 te veroordelen om aan de Stichting te voldoen een bedrag ad ƒ 1.616,55, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 19 mei 1998 tot aan de dag der algehele voldoening.

V. eiseres tot cassatie sub 3 te veroordelen om aan de Stichting te voldoen een bedrag ad ƒ 33.349,59, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 25 juli 1997 tot aan de dag der algehele voldoening;

VI. eiseres tot cassatie sub 3 te veroordelen om aan de Stichting te voldoen een bedrag ad ƒ 34.512,08, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 19 mei 1998 tot aan de dag der algehele voldoening.

Compaxo c.s. hebben de vorderingen bestreden en van hun kant in reconventie gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad voor zover de wet zulks toelaat, de gevolgen van de uitvoering van de ten processe bedoelde Regeling ongedaan te maken, zulks onder bepaling en veroordeling dat de Stichting aan Compaxo c.s. dient te vergoeden en terug te betalen al hetgeen zij voorheen krachtens die regeling hebben betaald, zulks nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, althans voor recht te verklaren dat de Stichting geen aanspraak kan maken op betaling van de door haar opgelegde heffingen en dat de Stichting gehouden is de voorheen door haar geheven betalingen terug te betalen aan Compaxo c.s.

De Stichting heeft de vorderingen in reconventie bestreden.

De Kantonrechter heeft bij tussenvonnis van 16 december 1999 in conventie en in reconventie een comparitie van partijen gelast en iedere verdere uitspraak, ook over de kosten, aangehouden.

Tegen dit tussenvonnis hebben Compaxo c.s. hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te 's-Gravenhage.

Bij vonnis van 10 januari 2001 heeft de Rechtbank voormeld vonnis van de Kantonrechter bekrachtigd.

Het vonnis van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het vonnis van de Rechtbank hebben Compaxo c.s. beroep in cassatie ingesteld. De Stichting heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende het voorwaardelijk incidenteel beroep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

De Stichting heeft geconcludeerd tot verwerping van het principale beroep. Compaxo c.s. hebben in het voorwaardelijk incidentele beroep geconcludeerd tot referte.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal P.J. Wattel strekt primair tot vernietiging van de bestreden uitspraak, subsidiair tot aanhouding van de zaak, en meer subsidiair tot het voorleggen van de in de conclusie in 7.3 geformuleerde vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen.

3. Uitgangspunten in cassatie

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Compaxo c.s. zijn werkgevers in de zin van de Collectieve Arbeidsovereenkomst voor de Vleeswaren-industrie (hierna: de CAO). De CAO liep van 1 april 1995 tot 1 april 1997 en vervolgens van 1 april 1997 tot 1 april 1999.

(ii) Compaxo c.s. zijn geen partij bij de CAO. De CAO is als gevolg van algemeen verbindendverklaring niettemin ook op Compaxo c.s. van toepassing.

(iii) Ter uitvoering van de bij de CAO als bijlagen gevoegde Overeenkomst Jeugdwerkplan Vleeswarenindustrie, Overeenkomst Bedrijfstak Scholingsplan en Overeenkomst Sociaal Fonds beheert de Stichting drie fondsen, die worden gefinancierd uit de door de Stichting aan de werkgevers op basis van de CAO opgelegde heffingen. Die heffingen bedragen tezamen 0,4% van de door de werkgevers verschuldigde loonsom.

(iv) Het Jeugdwerkplan subsidieert het in dienst nemen en opleiden van jongeren van 16 tot en met 22 jaar door bijdragen aan de werkgevers, en verzorgt voorlichting over opleidingsmogelijkheden voor jongeren in de bedrijfstak.

(v) Het Scholingsplan subsidieert opleiding van werkzoekenden door bijdragen aan de werkgevers.

(vi) Het Sociaal Fonds financiert sociaal vormings- en ontwikkelingswerk in de vleeswarenindustrie, alsmede de werkzaamheden verbonden aan de uitvoering van de CAO.

(vii) De Stichting heeft op 1 mei 1997 aan Compaxo c.s. facturen toegezonden tot inning van de genoemde heffingen. Compaxo c.s. hebben die facturen niet voldaan, evenmin als de het jaar daarna (op 1 april 1998) verzonden facturen. Bij brief van 19 mei 1998 hebben Compaxo c.s. de Stichting meegedeeld niet te zullen betalen.

3.2 De Stichting vordert in dit geding betaling van de in 3.1 onder (vii) bedoelde facturen met wettelijke rente. Aan hun primaire verweer en de door hen ingestelde vordering in reconventie, die - kort gezegd - strekt tot ongedaanmaking van de gevolgen van het gehele systeem van verplichte aangifte, bestemmingsheffing en subsidiëren (hierna: de Regeling), hebben Compaxo c.s. ten grondslag gelegd dat de Regeling een steunmaatregel opleverde in de zin van de art. 92 en 93 EG-Verdrag (thans 87 en 88 EG). Uitgaande van de verplichting tot aanmelding van voorgenomen steunmaatregelen op grond van art. 93 EG-Verdrag en het verbod tot uitvoering van die maatregelen voordat de door die bepaling voorgeschreven procedure tot een eindbeslissing heeft geleid, is de Regeling nietig, aldus Compaxo c.s..

3.3 De Kantonrechter heeft de vraag of de door de Stichting uitgevoerde subsidieregelingen als gevolg van de algemeen verbindendverklaring van de CAO zijn te beschouwen als steunmaatregelen in de zin van art. 87 EG ontkennend beantwoord. In verband met het in cassatie niet van belang zijnde subsidiaire verweer in conventie en de vordering in reconventie heeft de Kantonrechter een comparitie van partijen gelast.

3.4 De Rechtbank heeft eerst onderzocht of de algemeen verbindendverklaring van de CAO ertoe leidt dat de door de Stichting te verstrekken financieringen/subsidies als steunmaatregelen zijn te beschouwen in de zin van het EG-verdrag. Zij heeft geoordeeld dat, gelet op de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (HvJEG) moet worden aangenomen, dat door het besluit van de overheid om de CAO algemeen verbindend te verklaren, welke besluit neerkomt op een goedkeuring van de beslissing van de CAO-partijen om een bijdrage aan de Stichting verplicht te stellen en door welk besluit de werkingssfeer van de subsidieregelingen van de Stichting werd uitgebreid, de subsidieregelingen - aangeduid als de Regeling - wel degelijk als een overheidsmaatregel c.q. als (in de bewoordingen van art. 87 EG) "maatregelen van de Staat" dienen te worden aangemerkt (rov. 4.8). De Rechtbank verwees daartoe naar rov. 55 van het arrest van het HvJEG van 21 september 1999, zaak C-219/97 (Drijvende Bokken), Jurispr. 1999, p. I-0612, NJ 2000, 233, hierna : het arrest Drijvende Bokken). De volgende vraag is dan, aldus de Rechtbank, of meerbedoelde subsidieregelingen al dan niet moeten worden geacht onder in art. 87 EG bedoelde steunmaatregelen te vallen (rov. 4.9). Wederom onder verwijzing naar het arrest Drijvende Bokken (nu naar de rov. 41 - 47) heeft de Rechtbank die vraag ontkennend beantwoord, nu de Regeling is gesloten in de vorm van een collectieve overeenkomst en het resultaat is van collectieve onderhandelingen tussen werkgevers en werknemersorganisaties en de Regeling rechtstreeks bijdraagt aan de verbetering van de werkgelegenheids- en arbeidsvoorwaarden in de vleeswarenindustrie (rov. 4.10). De Rechtbank heeft vervolgens het vonnis van de Kantonrechter - onder verbetering van gronden - bekrachtigd.

4. Beoordeling van het middel in het principale beroep

4.1 Het middel keert zich met een rechtsklacht tegen het oordeel van de Rechtbank in rov. 4.10. Het middel treft doel. Weliswaar volgt uit de rov. 46 en 47 van het arrest Drijvende Bokken (ook weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.2) dat de doelstellingen van collectieve overeenkomsten tussen werkgevers- en werknemersorganisaties kunnen meebrengen dat die overeenkomsten niet onder art. 81 EG (85 EG-Verdrag) vallen, maar zoals het HvJEG in zijn arrest van 2 juli 1974, zaak 173/73 (Italië/Commissie), Jurispr. 1974, p. I-709, NJ 1975, 42, heeft overwogen, heeft art. 92 EG-Verdrag (thans art. 87 EG) ten doel te voorkomen dat het handelsverkeer tussen de Lid-Staten ongunstig wordt beïnvloed door tegemoetkomingen van overheidswege die - in verschillende vormen - de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde produkties vervalsen of dreigen te vervalsen; dat aldus art. 92 geen onderscheid maakt naar de oorzaken of doeleinden der bedoelde maatregelen, doch ziet naar hun gevolgen; en dat derhalve noch het eventuele fiscale karakter noch het eventuele sociale doel van de betwiste maatregel voldoende is om deze buiten het bereik van art. 92 te brengen; zie ook HvJEG 24 februari 1987, zaak 310/85 (Deufil), Jurispr. 1987, p. 901. Anders dan de Rechtbank klaarblijkelijk heeft geoordeeld, is het sociale doel van de Regeling dus niet voldoende om deze buiten het bereik van art. 87 EG te brengen. De gegrondheid van het middel kan, naar volgt uit het hierna in 5 overwogene evenwel niet tot cassatie leiden.

5. Beoordeling van het middel in het voorwaardelijk ingestelde incidentele beroep

5.1 Nu blijkens het onder 4 overwogene het middel in het principale beroep doel treft, is de voorwaarde waaronder het incidentele beroep is ingesteld, vervuld, zodat het daarin voorgestelde middel moet worden onderzocht.

5.2 Onderdeel 1 keert zich met rechts- en motiveringsklachten tegen het oordeel van de Rechtbank in rov. 4.8 dat de subsidieregelingen - aangeduid als de Regeling - dienen te worden aangemerkt als (in de bewoordingen van art. 87 EG) "maatregelen van de Staat". Om te kunnen spreken van staatssteun in de zin van art. 87 EG is vereist - voor zover hier van belang - dat aan ondernemingen toekomende voordelen rechtstreeks of zijdelings uit staatsmiddelen worden bekostigd (HvJEG 16 mei 2002, zaak C-482/99 (Commissie/Frankrijk)). Daaronder vallen ook voordelen toegekend door een van overheidswege ingesteld of aangewezen publiek- of privaatrechtelijk lichaam (HvJEG 13 maart 2001, zaak C-379/98 (Preussen/Elektra EG), Jurispr. 2001, p. I-2099). De Stichting is niet van overheidswege ingesteld. In het onderhavige geval is sprake van door de Stichting - een privaatrechtelijk lichaam - aan de werkgevers op basis van de CAO opgelegde heffingen waarvan de opbrengst ter beschikking van de Stichting wordt gesteld en vervolgens door de Stichting aan de hiervoor in 3.1 onder (iv) - (vi) vermelde fondsen. Van het rechtstreeks of zijdelings uit staatsmiddelen bekostigen van aan ondernemingen toekomende voordelen is hier derhalve geen sprake. Dat wordt niet anders door de omstandigheid dat het hier om een algemeen verbindend verklaarde CAO gaat, nu die algemeen verbindendverklaring niet meebrengt dat de Staat enigerlei beschikkingsmacht heeft of heeft gehad over de bijdragen die de Stichting van de werkgevers heeft geheven. In zoverre slaagt onderdeel 1.

6. Slotsom

De gegrondbevinding van onderdeel 1 van het incidentele middel brengt mee dat het oordeel van de Rechtbank in haar rov.

4.10 dat in het onderhavige geval geen sprake is van "steunmaatregelen" in de zin van art. 87 lid 1 EG, juist is, dat het incidentele middel voor het overige geen behandeling behoeft en dat beide beroepen moeten worden verworpen.

7. Beslissing

De Hoge Raad:

in het principale beroep en in het incidentele beroep:

verwerpt het beroep;

compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R. Herrmann als voorzitter en de raadsheren H.A.M. Aaftink, A.G. Pos, D.H. Beukenhorst, en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 7 maart 2003.