Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2003:AF1414

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
31-01-2003
Datum publicatie
31-01-2003
Zaaknummer
C02/175HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2003:AF1414
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 401a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2003, 80
NJ 2003, 656 met annotatie van W.D.H. Asser
RvdW 2003, 32
JWB 2003/49
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

31 januari 2003

Eerste Kamer

Nr. C02/175HR

JMH

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[eiseres],

gevestigd te [vestigingsplaats],

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. F. Damsteegt,

t e g e n

[verweerster],

gevestigd te [vestigingsplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. R.S. Meijer.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerster in cassatie - verder te noemen: [verweerster] - heeft bij exploit van 24 augustus 1999 eiseres tot cassatie - verder te noemen: [eiseres] - en haar directeur gedagvaard voor de Kantonrechter te Almelo en gevorderd bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [eiseres] en haar directeur hoofdelijk te veroordelen om aan [verweerster] te betalen een bedrag van ƒ 174.817,03, te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van ƒ 170.869,03 vanaf 12 november 1997 tot aan de dag der algehele voldoening. Bij conclusie van repliek heeft [verweerster] haar totale vordering (exclusief BTW) verminderd tot een bedrag van ƒ 152.380,58.

[eiseres] heeft de vordering bestreden.

De Kantonrechter heeft bij tussenvonnis van 12 oktober 2000 een comparitie van partijen gelast en bij tussenvonnis van 8 maart 2001 de vordering tegen de directeur van [eiseres] afgewezen en alvorens verder te beslissen [verweerster] tot bewijslevering toegelaten c.q. bewijslevering opgedragen.

Tegen het tussenvonnis van 8 maart 2001 heeft [verweerster] hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Almelo.

Bij vonnis van 6 maart 2002 heeft de Rechtbank het vonnis van de Kantonrechter te Almelo van 8 maart 2001 met uitzondering van hetgeen daarin in rov. 6 is overwogen bekrachtigd en de zaak naar die Kantonrechter verwezen teneinde deze verder af te doen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

Het vonnis van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het vonnis van de Rechtbank heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[verweerster] heeft primair geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiseres] in het door haar ingestelde cassatieberoep, subsidiair tot verwerping van het beroep.

De zaak is met betrekking tot het beroep op niet-ontvankelijkheid voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor [verweerster] mede door mr. J.H.M. van Swaaij, advocaat bij de Hoge Raad.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiseres] in haar cassatieberoep.

De advocaat van [eiseres] heeft bij brief van 14 november 2002 op deze conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

3.1 Voor zover thans van belang gaat het in deze zaak om het volgende.

(i) Op 23 augustus 1990 hebben [eiseres] en [verweerster] twee huurovereenkomsten gesloten met betrekking tot, kort gezegd, een tankstation en een automobielbedrijf. Beide overeenkomsten houden in dat [eiseres] heeft verklaard het gehuurde complex te hebben aanvaard "vrij van bodem- en/of andere milieuverontreiniging". De huurovereenkomsten zijn per eind mei 1996 beëindigd.

(ii) Na afloop van het gebruik van het gehuurde is op verscheidene plaatsen bodemverontreiniging geconstateerd. [verweerster], die zelf de sanering heeft doen verrichten, heeft in het onderhavige geding gevorderd [eiseres] en haar directeur te veroordelen tot vergoeding van de kosten daarvan.

(iii) De Kantonrechter heeft bij vonnis van 8 maart 2001 de vordering tegen de directeur van [eiseres] afgewezen en wat betreft de vordering tegen [eiseres] [verweerster] tot bewijs toegelaten. De Rechtbank heeft dit vonnis, voor zover gewezen tussen [eiseres] en [verweerster] bekrachtigd, met uitzondering van hetgeen in het vonnis was overwogen met betrekking tot een door de Kantonrechter aanvaard verweer van [eiseres]. In zoverre bevat het vonnis van de Rechtbank een eindbeslissing.

3.2 In cassatie is thans slechts de vraag aan de orde of [eiseres] ontvankelijk is in het door haar ingestelde beroep.

Uit art. VII lid 2 van de Wet van 6 december 2001, Stb. 580, tot herziening van het procesrecht in burgerlijke zaken, volgt mede blijkens de memorie van toelichting, zoals aangehaald in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.12, dat ten aanzien van de mogelijkheid van het aanwenden van een rechtsmiddel tegen het vonnis van de Rechtbank, dat is gewezen op 6 maart 2002 en derhalve na het tijdstip van inwerkingtreding van die wet op 1 januari 2002, de bij die wet vastgestelde bepalingen van toepassing zijn. Nu het, zoals in cassatie terecht niet is bestreden, gaat om een tussenvonnis, kan volgens het hier toepasselijke art. 401a lid 2 Rv. beroep in cassatie van dit vonnis slechts tegelijk met het eindvonnis worden ingesteld, aangezien de Rechtbank niet anders heeft bepaald en de overige in dit artikel vermelde uitzonderingen evenmin van toepassing zijn. Anders dan [eiseres] heeft aangevoerd, is er geen grond art. 401a enkel van toepassing te achten op het geval van een tussenuitspraak die bestemd is om te worden gevolgd door een of meer andere tussenuitspraken of door een einduitspraak in dezelfde instantie, en derhalve niet, zoals hier het geval is, op een uitspraak in hoger beroep tegen een in eerste aanleg gewezen tussenuitspraak. Een zodanige grond kan met name niet worden gevonden in het betoog van [eiseres] dat, ofschoon met de nieuwe regeling een versnelling van de procedure is beoogd, zich gevallen laten denken waarin de volgens het voorheen geldende recht bestaande mogelijkheid een rechtsmiddel aan te wenden voordat de einduitspraak is gewezen, juist tot een snellere afdoening zou leiden. Uit de wetsgeschiedenis, zoals weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.5-2.7, blijkt dat de bezwaren van de nieuwe regeling onder ogen zijn gezien, maar klaarblijkelijk onvoldoende zwaarwegend zijn bevonden om deze regeling af te wijzen.

Ook het subsidiaire betoog van [eiseres] dat hier sprake is van een overgangssituatie waaraan de wetgever niet heeft gedacht, en dat een redelijke wetstoepassing meebrengt dat een uitzondering wordt gemaakt op de overgangsbepaling van art. VII lid 2, gaat niet op. Er is geen reden aan te nemen dat bij de regeling van het overgangsrecht met betrekking tot het aanwenden van rechtsmiddelen de voor de hand liggende situatie dat in eerste aanleg onder het oude recht een tussenvonnis is gewezen, dat na de inwerkingtreding van de nieuwe wet in hoger beroep wordt bekrachtigd, aan de aandacht van de wetgever is ontsnapt. Voorts verdient opmerking dat het op de weg van partijen of een van hen zou hebben gelegen de Rechtbank te verzoeken tussentijds cassatieberoep toe te staan, waartoe zij voldoende gelegenheid hebben gehad, nu de pleidooien in hoger beroep op 14 januari 2002, derhalve na de inwerkingtreding van het nieuwe recht, zijn gehouden.

3.3 Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat [eiseres] in haar cassatieberoep niet kan worden ontvangen.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart [eiseres] niet-ontvankelijk in haar beroep;

veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op € 301,34 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren A.E.M. van der Putt-Lauwers, J.B. Fleers, H.A.M. Aaftink en A.G. Pos, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer O. de Savornin Lohman op 31 januari 2003.