Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2003:AF1307

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14-02-2003
Datum publicatie
14-02-2003
Zaaknummer
C01/347HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2003:AF1307
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2003/72 met annotatie van Prof. mr. E. Verhulp
JOL 2003, 105
NJ 2003, 301
JAR 2003, 72
JWB 2003/63

Uitspraak

14 februari 2003

Eerste Kamer

Nr. C01/347HR

MD

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

de stichting STICHTING THUISZORG CENTRAAL TWENTE, gevestigd te Hengelo (Ov.),

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. R.A.A. Duk,

t e g e n

[Verweerster], wonende te [woonplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. E. van Staden ten Brink.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerster in cassatie - verder te noemen: [verweerster] - heeft bij exploit van 15 december 1998 eiseres tot cassatie - verder te noemen: TCT - gedagvaard voor de Kantonrechter te Enschede en - na wijziging van eis en verkort weergegeven - gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor zover de wet zulks toelaat, TCT te veroordelen tot betaling van een bedrag van (i) ƒ 8.113,46 bruto wegens het reeds vervallen en opeisbaar wachtgeld, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de opeisbaarheid van voornoemde aanspraak en (ii) een bedrag overeenkomstig de wachtgeldregeling voor iedere maand vanaf 1 augustus 1998 tot aan het moment dat [verweerster] op grond van de wachtgeldregeling geen aanspraak meer kan maken op wachtgeld, te verminderen met de wettelijke rente vanaf het moment dat deze aanspraak betaalbaar had dienen te worden gesteld, beide bedragen te verminderen met door [verweerster] na ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens inkomsten uit dienstbetrekking genoten inkomsten, voor zover deze tezamen met de wachtgelduitkering de berekeningsgrondslag zouden overschrijden.

TCT heeft de vordering bestreden.

De Kantonrechter heeft bij vonnis van 22 april 1999 de vordering afgewezen.

Tegen dit vonnis heeft [verweerster] hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Almelo.

Bij tussenvonnis van 5 april 2000 heeft de Rechtbank een comparitie van partijen gelast en bij tussenvonnis van 28 juni 2000 TCT tot bewijslevering toegelaten. Na enquête en contra-enquête heeft de Rechtbank bij tussenvonnis van 14 maart 2001 de zaak naar de rol verwezen voor het nemen van een akte door partijen over de vraag welk bedrag wegens inkomsten uit dienstbetrekking op de vordering in mindering dient te komen en tot wanneer de aanspraak op wachtgeld bestaat.

Bij eindvonnis van 5 september 2001 heeft de Rechtbank:

- vernietigd het tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter te Enschede van 22 april 1999;

- en opnieuw rechtdoende:

- TCT veroordeeld om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis aan [verweerster] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen wegens reeds vervallen en opeisbaar wachtgeld:

- over 1998 een bedrag van ƒ 21.739,96;

- over 1999 een bedrag van ƒ 21.632,--;

- over 2000 een bedrag van ƒ 27.061,--;

- over de periode 1 januari 2001 - 1 juli 2001 een bedrag van ƒ 6.781,14,

- genoemde bedragen telkens te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de data van opeisbaarheid tot de dag der algehele voldoening, en te verminderen met het bedrag dat [verweerster] over deze perioden eventueel alsnog wegens een uitkering krachtens de Werkloosheidswet zal genieten, een en ander overeenkomstig de toepasselijke regeling (Uitvoeringsregeling N Wachtgeld);

- TCT veroordeeld om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis aan [verweerster] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen wegens reeds vervallen en nog te vervallen wachtgeld, een bedrag overeenkomstig de wachtgeldregeling voor iedere maand vanaf 1 juli 2001 tot aan het moment waarop [verweerster] op grond van de wachtgeldregeling geen aanspraak op wachtgeld meer kan maken, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment dat voornoemde aanspraak betaalbaar had dienen te worden gesteld tot de dag der algehele voldoening, en te verminderen met het bedrag dat [verweerster] in de onderhavige periode wegens inkomsten uit dienstbetrekking en/of sociale uitkering (zoals bedoeld in artikel 8 van de Uitvoeringsregeling N Wachtgeld) genoot en/of zal genieten, een en ander overeenkomstig die toepasselijke regeling;

- dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard, en

- het meer of anders gevorderde afgewezen.

De vonnissen van de Rechtbank van 5 april 2000, 28 juni 2000 en 5 september 2001 zijn aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de drie laatstvermelde vonnissen van de Rechtbank heeft TCT beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[Verweerster] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot vernietiging van de bestreden vonnissen en tot afwijzing van de vordering van [verweerster].

De advocaat van TCT heeft bij brief van 4 december 2002 op die conclusie gereageerd; de advocaat van [verweerster] deed dit bij brief van 6 december 2002.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie moet van het volgende worden uitgegaan.

(i) [Verweerster] is van 1 maart 1969 tot 17 juni 1998 als gespecialiseerd gezinsverzorgende in dienst geweest van TCT.

(ii) Aan het dienstverband is een einde gekomen door ontbinding van de arbeidsovereenkomst van [verweerster] en TCT bij beschikking van de kantonrechter te Enschede (hierna: de kantonrechter) van 17 juni 1998. Deze oordeelde daartoe dat tussen partijen een vertrouwensbreuk was ontstaan door het declaratiegedrag van [verweerster], door de kantonrechter als fraude betiteld. [Verweerster] verzoek tot toekenning van een vergoeding werd daarom afgewezen.

(iii) Het tegen deze beschikking ingestelde hoger beroep is door de rechtbank te Almelo ongegrond verklaard.

(iv) Art. 87 lid 1 van de CAO Thuiszorg (hierna: CAO), die op de arbeidsovereenkomst van toepassing was, luidt:

"De werknemer die wordt ontslagen wegens vermindering of beëindiging der werkzaamheden, wegens reorganisatie van de instelling, dan wel wegens onbekwaamheid welke niet aan zijn schuld of toedoen is te wijten, wordt met ingang van de dag dat het ontslag ingaat, door de werkgever een wachtgeld toegekend, overeenkomstig Uitvoeringsregeling N Wachtgeld."

3.2 Aan haar onder 1 vermelde vordering heeft [verweerster] ten grondslag gelegd dat zij conform de Uitvoeringsregeling N aanspraak heeft op een wachtgelduitkering. TCT heeft betwist dat [verweerster] aanspraak kan maken op wachtgeld, nu de grond waarop de arbeidsovereenkomst was ontbonden, niet wordt genoemd in art. 87 CAO.

3.3 De Kantonrechter heeft de vordering afgewezen. Daartoe heeft hij, samengevat en voor zover in cassatie van belang, als volgt geoordeeld. Art. 87 lid 1 CAO is in deze niet van toepassing, aangezien geen van de gronden waarop wachtgeld kan worden toegekend, zich voordoet. Nader feitenonderzoek naar de vraag of [verweerster] daadwerkelijk heeft gefraudeerd heeft in de onderhavige procedure geen zin, nu de ontbindingsbeschikking onaantastbaar is geworden, zodat, ook al zou komen vast te staan dat [verweerster] minder verwijt treft dan in eerste instantie aangenomen, het feit dat is ontbonden wegens een opgetreden vertrouwensbreuk, en dus op een grond niet genoemd in art. 87 lid 1 CAO, "overeind blijft".

3.4 Op het hoger beroep van [verweerster] heeft de Rechtbank, samengevat en voor zover in cassatie van belang, als volgt overwogen. De ontbindingsbeschikking heeft geen bindende kracht in de huidige procedure. Een nader onderzoek naar de feiten is dus wel degelijk mogelijk (rov. 8, eerste tussenvonnis). Een redelijke uitleg van art. 87 lid 1 CAO brengt mee dat in beginsel ook na ontbinding van de arbeidsovereenkomst (en dus niet alleen na ontslag) recht op wachtgeld kan ontstaan. Of de werknemer na ontbinding van de arbeidsovereenkomst daadwerkelijk aanspraak op wachtgeld kan maken, zal afhangen van de vraag of de werknemer een (rechtens relevant) verwijt gemaakt kan worden ter zake van de omstandigheden die tot de ontbinding hebben geleid. Gelet op de tekst en strekking van art. 87 lid 1 CAO bestaat immers geen recht op wachtgeld indien de werknemer een verwijt ter zake van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst gemaakt kan worden. (rov. 9, eerste tussenvonnis). Bij haar tweede tussenvonnis heeft de Rechtbank TCT toegelaten tot bewijs van haar stelling dat [verweerster] gefraudeerd heeft. Bij haar derde en laatste tussenvonnis heeft de Rechtbank geoordeeld dat TCT niet in het haar opgedragen bewijs is geslaagd en dat de vordering van [verweerster] in beginsel voor toewijzing in aanmerking komt, maar dat zij behoefte heeft aan nadere informatie van partijen. Daartoe heeft zij de zaak naar de rol verwezen voor het nemen van aktes door partijen. Bij eindvonnis heeft de Rechtbank de vordering van [verweerster] toegewezen zoals in 1 vermeld.

3.5 Het middel keert zich tegen de rov. 6 - 10 van het eerste tussenvonnis van de Rechtbank en tegen de daarop voortbouwende vonnissen. Het middel klaagt in de eerste plaats dat de Rechtbank door te oordelen gelijk zij heeft gedaan in rov. 9 van het eerste tussenvonnis, art. 87 lid 1 CAO onjuist heeft uitgelegd en toegepast. Dat artikel geeft slechts aanspraak op wachtgeld in de daarin bedoelde gevallen. Tot die gevallen behoort niet het geval dat de arbeidsovereenkomst wegens gewichtige redenen wordt ontbonden. Immers, in dat geval heeft de rechter de bevoegdheid zelfstandig een vergoeding toe te schatten, bijvoorbeeld in de vorm van een analoge toepassing van de geldende wachtgeldregeling, aldus het middel. In de tweede plaats klaagt het middel, kort weergegeven, dat zelfs als de voorgaande klacht niet in het algemeen zou opgaan, dan nog in geval van ontbinding wegens gewichtige redenen slechts recht op wachtgeld bestaat als zich één van de in art. 87 lid 1 CAO bedoelde of daarmee redelijkerwijs op één lijn te stellen specifieke situaties voordoet en dat daarvan in het onderhavige geval geen sprake is. Ten slotte klaagt het middel dat een aanpak als door de Rechtbank gevolgd ook in strijd is met de leer dat in de ontbindingsbeschikking dient te worden beslist over de aanspraken die de werknemer bij ontslag zal genieten, tenzij met betrekking daartoe een voorbehoud is gemaakt.

3.6 Bij de beoordeling van de eerste twee klachten moet het volgende worden vooropgesteld.

(a) Nu de CAO in de periode voorafgaande aan het eerste tussenvonnis wèl algemeen verbindend is geweest en zij, voor zover in deze zaak van belang, sindsdien geen andere inhoud heeft verkregen, moet tot uitgangspunt worden genomen dat de Rechtbank bij haar uitleg van de CAO niet iets anders voor ogen heeft gestaan dan wat met betrekking tot deze uitleg ook in de periode dat de CAO algemeen verbindend was, aangenomen diende te worden. Dit brengt mee dat de CAO, bij de beoordeling van de juistheid van deze uitleg in cassatie, als recht in de zin van art. 79 RO moet worden beschouwd (Hoge Raad 27 september 1991, nr. 14289, NJ 1991, 788).

(b) Als uitgangspunt voor de uitleg van de bepalingen van een CAO geldt dat in beginsel de bewoordingen daarvan en eventueel van de daarbij behorende schriftelijke toelichting, gelezen in het licht van de gehele tekst van de overeenkomst, van doorslaggevende betekenis zijn. Daarbij komt het niet aan op de bedoelingen van de partijen bij de CAO, voor zover deze niet uit de CAO-bepalingen en de toelichting kenbaar zijn, maar op de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen waarin de CAO en de toelichting zijn gesteld. Bij deze uitleg kan onder meer acht worden geslagen op de elders in de CAO gebruikte formuleringen en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden (Hoge Raad 31 mei 2002, nr. C00/186, RvdW 2002, 91).

3.7 In het midden kan blijven of art. 87 lid 1 CAO mede ziet op beëindiging van de arbeidsovereenkomst door ontbinding door de kantonrechter op grond van art. 7:685 BW. Immers, ook indien dit zou moeten worden aangenomen, heeft de Rechtbank door art. 87 lid 1 CAO uit te leggen gelijk zij heeft gedaan in rov. 9 van haar eerste tussenvonnis de maatstaven voor uitleg van CAO-bepalingen miskend. Met inachtneming van die maatstaven moet art. 87 lid 1 CAO aldus worden uitgelegd dat de werknemer slechts aanspraak kan maken op wachtgeld in de in die bepaling bedoelde gevallen dan wel in gevallen die redelijkerwijs met één van die gevallen gelijk gesteld kunnen worden. Daarvan is hier geen sprake. Immers, de arbeidsovereenkomst is door de kantonrechter ontbonden wegens een door hem aangenomen vertrouwensbreuk veroorzaakt door het declaratiegedrag van [verweerster], door de kantonrechter als fraude betiteld, terwijl de stukken van het geding geen andere gevolgtrekking toelaten dan dat [verweerster] niet heeft aangevoerd dat de door de kantonrechter aangenomen reden voor ontbinding niet overeenstemt met de reden die TCT in werkelijkheid had om de arbeidsovereenkomst met [verweerster] te ontbinden. In dat laatste geval, dat zich hier dus niet voordoet, zou [verweerster] immers, ervan uitgaande dat art. 87 lid 1 CAO ook toepasselijk kan zijn bij een ontbinding van de arbeidsovereenkomst als evenvermeld, aanspraak kunnen maken op wachtgeld indien de werkelijke reden voor ontbinding zou vallen binnen het bereik van art. 87 lid 1 CAO.

3.8 Het in 3.7 overwogene leidt tot de slotsom dat het middel doel treft, voor zover het betoogt dat de Rechtbank een onjuiste uitleg heeft gegeven aan art. 87 lid 1 CAO en dat de laatste klacht van het middel niet behandeld behoeft te worden. De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de vonnissen van de Rechtbank te Almelo van 5 april 2000, 28 juni 2000, 14 maart 2001 en 5 september 2001;

bekrachtigt het vonnis van de Kantonrechter te Enschede van 22 april 1999;

veroordeelt [verweerster] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van TCT begroot op € 2.005,71 en in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van TCT begroot op € 1.069,12 aan verschotten en € 1.590,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R. Herrmann als voorzitter en de raadsheren H.A.M. Aaftink, A.G. Pos, D.H. Beukenhorst en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 14 februari 2003.