Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2003:AF1306

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14-02-2003
Datum publicatie
14-02-2003
Zaaknummer
C01/325HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2003:AF1306
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet bepalingen van internationaal privaatrecht met betrekking tot zeerecht en binnenvaartrecht 5, geldigheid: 2003-02-14
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 629, geldigheid: 2003-02-14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBPR 2003/52 met annotatie van mr. F.G.M. Smeele
JOL 2003, 104
RvdW 2003, 36
NJ 2008, 412
S&S 2003, 73
JWB 2003/71

Uitspraak

14 februari 2003

Eerste Kamer

Nr. C01/325HR

MD

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. AEGON SCHADEVERZEKERING N.V., gevestigd te 's-Gravenhage,

2. THE T CORP. B.V., gevestigd te Weesp,

EISERESSEN tot cassatie,

advocaat: mr. R.S. Meijer,

t e g e n

1. de vennootschap naar Duits recht DS-RENDITE FONDS NR. 45 MS "CAPE RACE" GmbH & Co. CONTAINERSCHIFF KG,

gevestigd te Dortmund, Bondsrepubliek Duitsland,

2. de vennootschap naar Duits recht HANSE BEREEDERUNG GESELLSCHAFT mbH, gevestigd te Hamburg, Bondsrepubliek Duitsland,

3. de vennootschap naar Liberiaans recht [verweerster 3], gevestigd te [vestigingsplaats], Liberia,

VERWEERSTERS in cassatie,

advocaat: mr. K.G.W. van Oven.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiseressen tot cassatie - verder te noemen: Aegon en TTC, dan wel gezamenlijk Aegon c.s. - hebben bij exploit van 28 januari 1998 verweersters in cassatie - verder te noemen: Rendite, Hanse en [verweerster 3], dan wel gezamenlijk Rendite c.s. - gedagvaard voor de Rechtbank te Amsterdam en gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1. Rendite c.s. hoofdelijk, althans Rendite, althans Hanse, althans [verweerster 3], te veroordelen om aan Aegon, althans aan TTC te betalen ƒ 224.503,-- plus ƒ 14.237,50 pre-processuele kosten, alsmede de wettelijke rente sedert de datum van uitbrenging van dit exploit tot aan de dag van betaling;

2. voor recht te verklaren dat Aegon c.s., althans Aegon, althans TTC hun/haar vordering rechtens kunnen/kan verhalen op het m.s. "Copiapo";

3. Rendite te veroordelen om te gehengen en te gedogen dat het m.s. "Copiapo" waar nodig door Aegon c.s. wordt uitgewonnen.

Rendite c.s. heeft een incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid genomen en gevorderd dat de Rechtbank zich onbevoegd zal verklaren van de vorderingen van Aegon c.s. kennis te nemen.

Aegon c.s. hebben de incidentele vordering bestreden.

De Rechtbank heeft bij vonnis van 24 mei 2000 in het incident de incidentele vordering afgewezen en de beslissing met betrekking tot de kosten aangehouden. In de hoofdzaak heeft zij de zaak naar de rol verwezen voor voortprocederen en iedere verdere beslissing aangehouden.

Tegen dit incidentele vonnis hebben Rendite c.s. hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam.

Bij arrest van 7 juni 2001 heeft het Hof het vonnis waarvan beroep vernietigd en de Rechtbank te Amsterdam onbevoegd verklaard.

Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof hebben Aegon c.s. beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Rendite c.s. hebben geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van Aegon c.s. in hun cassatieberoep, althans tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Een hoeveelheid katoenen kleding in containers is met het m.s. Copiapo vervoerd van Callao, Peru, naar Amsterdam. Voor dit vervoer is een op 19 januari 1997 gedateerd cognossement afgegeven op een formulier van Consorcio Naviero Peruano S.A. (hierna: CNP).

(ii) Op de achterzijde van het cognossement staat omschreven wie als "carrier" moet worden aangemerkt (clause 1):

"'Carrier' means the party named on the face of this Bill of Lading as being the carrier."

(iii) Op de achterzijde van het cognossement is voorts het volgende forumkeuzebeding opgenomen (clause 26 onder 2):

"All legal proceedings arising from the contract of carriage evidenced by this bill of lading shall be brought before the Courts of the city where the Carrier has his principle place of business, as indicated below that Carrier's name on the face of this Bill of Lading, to the exclusion of the jurisdiction of the Courts of any other place, unless the Carrier appeals to such other jurisdiction or voluntarily submits himself thereto."

(iv) De derde cognossementhouder TTC en haar verzekeraar Aegon stellen dat bij aankomst te Amsterdam een deel van de kleding is verdwenen en dat deze goederen verloren zijn gegaan in de periode tussen laden en lossen.

(v) Aegon c.s. hebben in de hoofdzaak hun hiervóór in 1 vermelde vorderingen ingesteld tegen Rendite c.s. op grond van de stellingen dat Rendite de geregistreerde eigenares van de Copiapo is, dat Hanse door Lloyd's Intelligence als rompbevrachter wordt aangemerkt en dat [verweerster 3] door het Liberiaanse Scheepsregister als rompbevrachter is opgegeven. Volgens Aegon c.s. zijn deze drie partijen naast CNP als vervoerder onder het cognossement aan te spreken tot vergoeding van de onderhavige schade.

(vi) CNP is door Aegon c.s. in dit geding in de hoofdzaak niet aangesproken, omdat (volgens de inleidende dagvaarding onder 5) "het cognossement in kwestie een jurisdictiebeding behelst, verwijzend naar de rechter te Lima, welk beding geldig (b)lijkt voorzover het CNP betreft".

3.2 Het gaat in deze zaak om de vraag of het hiervóór in 3.1 onder (iii) vermelde forumkeuzebeding, dat Rendite c.s. ten grondslag hebben gelegd aan de door hen opgeworpen exceptie van onbevoegdheid, in de weg staat aan het aanvaarden van de (internationale) bevoegdheid van de Rechtbank te Amsterdam. Nadat de Rechtbank de exceptie van onbevoegdheid had verworpen, heeft het Hof deze gegrond bevonden en de Rechtbank te Amsterdam onbevoegd verklaard. Hetgeen het Hof daartoe heeft overwogen, kan als volgt worden weergegeven.

a) Omdat de forumkeuzeclausule niet verwijst naar de rechter van een verdragsluitende staat als bedoeld in art. 17 EEX, is dat artikel in de onderhavige zaak niet van toepassing. (rov. 3.7)

b) De forumkeuzeclausule verwijst naar de rechter van de stad waar de - in de hiervóór in 3.1 onder (ii) aangehaalde bepaling aangewezen - vervoerder zijn voornaamste plaats van bedrijfsvoering heeft, zoals opgegeven onder de naam van die vervoerder "on the face" van het cognossement. Aegon c.s. merken Rendite c.s. als vervoerders aan, maar betogen niet dat één hunner "on the face" van het cognossement is genoemd, laat staan als vervoerder. Als "on the face" van het cognossement vermelde vervoerder kan alleen CNP worden beschouwd. De clausule verwijst dus in ieder geval niet naar een andere rechter dan die te Lima, Peru. (rov. 3.8-9)

c) Afgezien van de forumkeuze zou de Rechtbank te Amsterdam bevoegd zijn op grond van art. 5 onder 3 EEX, voorzover het de in Duitsland gevestigde Rendite en Hanse betreft, en op grond van art. 4 EEX en art. 629 lid 1 Rv., voorzover het [verweerster 3] betreft, nu de eindbestemming Amsterdam was. (rov. 3.10)

d) De forumkeuzeclausule voldoet aan de daaraan te stellen eisen en is geldig, indien is voldaan aan de uit art. 629 lid 2 Rv. voortvloeiende vereisten dat de clausule een rechter bevoegd verklaart van een met name genoemde plaats, gelegen op het grondgebied van de staat waarin vervoerder of ontvanger woonplaats heeft, en dat de aanwijzing van een bepaald gerecht of de gerechten van een bepaalde staat in het cognossement op mede voor een derde cognossementhouder duidelijke wijze is gegeven. (rov. 3.11 en 3.14)

e) De onderhavige forumkeuzeclausule voldoet aan die vereisten. De clausule verwijst niet zonder meer naar de rechter van de "principal place of business" van de "carrier", maar naar de rechter van de stad waar de vervoerder zijn "principal place of business" heeft, zoals die stad is opgegeven onder de naam van die vervoerder "on the face" van het cognossement. Dat is voldoende, mits in het cognossement duidelijk is wie die vervoerder en welke die stad is en er ook geen verwarring met andere vervoerders kan zijn. (rov. 3.15)

f) Zoals in rov. 3.8 al werd overwogen, komt alleen CNP in aanmerking als mogelijke "on the face" van het cognossement genoemde vervoerder en Lima als onder de naam van CNP opgegeven stad waar CNP haar "principal place of business" zal hebben. Anders dan Aegon c.s. zeggen te menen, is verwarring met andere vervoerders onder het cognossement, zoals Rendite c.s., uitgesloten. Het gaat immers in de clausule alleen om de vervoerder die "on the face" van het cognossement wordt genoemd. (rov. 3.16)

g) De inhoud van het cognossement geeft geen aanleiding tot twijfel of CNP als de in de clausule bedoelde vervoerder kan worden beschouwd. Als "on the face" van het cognossement vermelde vervoerder komt slechts CNP in aanmerking, omdat haar naam is geplaatst in het vakje FOR THE CARRIER op de voorzijde van het cognossement. Dat namens CNP de kapitein, of een vertegenwoordiger van de kapitein, die naam heeft geplaatst, is niet van belang, waar niet is aangevoerd dat de kapitein of diens vertegenwoordiger niet namens CNP mocht handelen. (rov. 3.18) De vermelding "As Agent(s) only" die aan de voet van het evengenoemde vakje is voorgedrukt, geeft geen aanleiding voor twijfel of CNP nu wel als vervoerder kan worden aangemerkt. Immers onmiskenbaar wordt hier niet CNP, maar (hooguit) de kapitein of degene die namens de kapitein ondertekende, als "agent" aangemerkt. (rov. 3.19) Het is dus volkomen duidelijk wie/welke de in de clausule bedoelde vervoerder en stad zijn en er is ook maar één vervoerder die bedoeld kan zijn. De jurisdictieclausule in het cognossement kan ook overigens worden aangemerkt als beding dat een rechter van een met name genoemde plaats (Lima), gelegen op het grondgebied van de staat (Peru) waarin de vervoerder (CNP) woonplaats heeft, bevoegd verklaart, een en ander in de zin van art. 629 lid 2 Rv. (rov. 3.20)

h) Aegon c.s hebben betoogd dat Rendite c.s. zich niet op de clausule kunnen beroepen omdat deze ingevolge art. 629 Rv. nietig is nu ook Rendite c.s. als vervoerders onder het cognossement kunnen worden aangemerkt en zij geen van allen, evenmin als Aegon c.s. woonplaats in Peru hebben. Het Hof heeft dat betoog als onjuist verworpen. Art. 629 Rv. dwingt niet tot een uitleg die zou meebrengen dat een forumkeuze - waarin het forum is aangewezen van de vervoerder door of namens wie het cognossement is afgegeven - nietig is op grond van de omstandigheid dat er nog andere personen zijn die, hoewel het cognossement niet door of namens hen is ondertekend of afgegeven, niettemin als vervoerder onder het cognossement worden aangemerkt en die geen woonplaats hebben in dezelfde staat als de eerstgenoemde vervoerder. De ratio van de wetsbepaling - bescherming van met name de derde cognossementhouders tegen bezwaarlijke en onduidelijke forumkeuzen - verzet zich niet tegen een keuze voor het vervoerdersforum, hoe bezwaarlijk ook, mits die keuze voldoende duidelijk is gedaan. (rov. 3.21-23)

3.3 Hetgeen hiervóór onder a) tot en met d) is weergegeven, wordt in cassatie niet bestreden en strekt derhalve tot uitgangspunt bij de beoordeling van het middel, dat zich met onderdeel I richt tegen de hiervóór onder e) tot en met g) weergegeven rov. 3.15 tot en met 3.20, en met onderdeel II tegen de hiervóór onder h) weergegeven rov. 3.21 tot en met 3.23.

3.4. Art. 629 lid 2 Rv. verklaart, voorzover thans van belang, nietig een forumkeuzebeding waarbij is afgeweken van het bepaalde in het eerste lid van dat artikel, kort gezegd de bevoegdheid van de Nederlandse rechter tot kennisneming van geschillen tussen een vervoerder en een ontvanger, die niet de afzender was, bij vervoer per schip naar een in Nederland gelegen eindbestemming, tenzij zulk een afwijkend beding "bevoegd verklaart een rechter van een met name genoemde plaats gelegen op het grondgebied van de staat waarin hetzij de vervoerder hetzij de ontvanger woonplaats heeft." Het gaat hier om een bepaling die blijkens de in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 10 weergegeven wetsgeschiedenis strekt ter bescherming van met name de derde cognossementhouder tegen misbruik van forumkeuzebedingen die verwijzen naar een voor deze moeilijk bereikbare rechter in een bij de vaststelling van oorzaak en omvang van de schade niet betrokken land, waar veelal onzekerheid bestaat over de toe te passen rechtsregels, terwijl die bedingen bovendien herhaaldelijk op zeer onduidelijke en dubbelzinnige wijze de plaats van die rechter aanwijzen. De wetgever heeft dergelijke forumkeuzebedingen niet geheel onmogelijk willen maken, maar aan het misbruik ervan paal en perk willen stellen door deze bedingen slechts als geldig te aanvaarden indien bevoegd wordt verklaard een duidelijk aangewezen rechter in hetzij het land van de vervoerder hetzij het land van de ontvanger. Uit een en ander volgt dat voor de geldigheid van een forumkeuzebeding waarbij van de bevoegdheid van de rechter van de plaats van eindbestemming wordt afgeweken, vereist maar ook voldoende is dat uit het cognossement duidelijk kenbaar is welke rechter in hetzij het land van de vervoerder hetzij het land van de ontvanger op grond van het beding als de exclusief bevoegde rechter wordt aangewezen. Op omstandigheden die voor de derde cognossementhouder niet uit het cognossement kenbaar zijn, behoort bij beantwoording van de vraag of de exclusief bevoegde rechter voldoende duidelijk is aangewezen, geen acht te worden geslagen.

3.5 Met zijn op de hiervóór in 3.2 onder e) tot en met g) weergegeven overwegingen gegronde oordeel dat uit het cognossement voldoende duidelijk (volgens het Hof zelfs "volkomen duidelijk") blijkt welke rechter ingevolge het forumkeuzebeding als bevoegd is aangewezen, heeft het Hof - naar ook onderdeel I van het middel tot uitgangspunt neemt - geen blijk gegeven van miskenning van de hiervóór in 3.4 omschreven maatstaf. Dat oordeel kan, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op juistheid worden onderzocht. Het is ook niet onbegrijpelijk noch onvoldoende gemotiveerd. Onderdeel I stuit hierop in zijn geheel af, waarbij nog het volgende wordt aangetekend.

3.6 De vraag wie als vervoerder onder het onderhavige cognossement kan worden aangemerkt, wordt ingevolge art. 5 van de Wet van 18 maart 1993, Stb. 1993, 168, houdende enige bepalingen van internationaal privaatrecht met betrekking tot het zeerecht, het binnenvaartrecht en het luchtrecht, zoals gewijzigd bij de Wet van 26 januari 1995, Stb. 1995, 71 in verbinding met de Wet van 24 mei 1995, Stb. 1995, 283, beantwoord naar Nederlands recht, omdat uit hoofde van de overeenkomst in een Nederlandse haven moest worden gelost. Nu voor het cognossement het formulier van CNP is gebezigd, kan CNP in dit geval ingevolge art. 8:461 lid 1 BW als vervoerder onder cognossement worden aangemerkt, zodat ingevolge art. 629 lid 2 Rv. de rechter te Lima, Peru, als de plaats waar CNP als vervoerder haar "principal place of business" of woonplaats heeft, in het forumkeuzebeding als de bevoegde rechter kon worden aangewezen. Daarbij is in aanmerking te nemen dat noch de tekst van art. 629 lid 2 Rv. noch de parlementaire geschiedenis van die bepaling aanknopingspunten biedt voor de opvatting dat slechts de rechter van de woonplaats van de vervoerder door of namens wie het cognossement is ondertekend als bevoegd zou mogen worden aangewezen, en niet die van de woonplaats van andere personen die ingevolge art. 8:461 BW als vervoerder onder cognossement worden aangemerkt, zoals degene wiens formulier voor het cognossement is gebezigd. In de kennelijk hierop gebaseerde, niet onbegrijpelijke, gedachtengang van het Hof komt het dus erop aan of CNP, wier formulier voor het cognossement is gebezigd, kan worden aangemerkt als "the party named on the face of this Bill of Lading as being the carrier" bedoeld in clause 1.

3.7. Tegen deze achtergrond klaagt het onderdeel onder 1a tevergeefs dat het Hof zou hebben voorbijgezien aan de mogelijkheid dat het cognossement in die zin gebrekkig kan zijn ingevuld dat daarop niemand op de voorgeschreven wijze als de in de clauses 1 en 26 bedoelde vervoerder is vermeld. Naar 's Hofs kennelijke en niet onbegrijpelijke oordeel heeft de in de klacht veronderstelde mogelijkheid van gebrekkige invulling zich hier niet voorgedaan: volgens het Hof is immers CNP te beschouwen als "the party named on the face of this Bill of Lading as being the carrier" in de zin van clause 1 en is CNP op het cognossement vermeld als vervoerder in de zin van clause 26. Anders dan onderdeel 1b betoogt, is, gelet op de wijze waarop CNP op de voorzijde van het van CNP afkomstige cognossementsformulier in het vakje FOR THE CARRIER en rechts bovenaan staat vermeld, niet onbegrijpelijk dat het Hof heeft geoordeeld dat CNP als vervoerder ("as being the carrier") in de zin van clause 1 en clause 26 is aangewezen. Het Hof behoefde zich daarvan niet te laten weerhouden door de omstandigheid dat op de voorzijde van het cognossement het adres van CNP niet onder, maar naast haar naam is vermeld.

3.8 Ook in het licht van de in onderdeel I onder 2 genoemde omstandigheden is het oordeel van het Hof niet ontoereikend gemotiveerd. Gelet op hetgeen hiervóór in 3.6 is overwogen, zijn de in het onderdeel onder a, b en g vermelde omstandigheden niet van belang voor de beantwoording van de vraag of CNP de in clause 26 bedoelde vervoerder is. Dat het hier om een kapiteinscognossement gaat, brengt mee dat ingevolge art. 8:461 lid 2 BW ook een aantal andere personen, bijvoorbeeld de reder of de rompbevrachter, naast CNP als vervoerder kan worden aangemerkt. Naar dergelijke personen verwijzen de clauses 1 en 26 echter niet, omdat deze niet op de voorzijde van het cognossement zijn vermeld. Ook als CNP voor een derde als vervoerder zou hebben getekend, dan zou die derde niet kunnen gelden als de in de clauses 1 en 26 bedoelde vervoerder.

3.9 Het Hof heeft voorts op niet onbegrijpelijke wijze het standpunt van Aegon c.s. verworpen dat uit de wijze van ondertekening in het vakje FOR THE CARRIER, waarin de op het formulier voorgedrukte woorden "As Agent(s) only" niet zijn doorgehaald, moet worden afgeleid dat CNP uitsluitend als vertegenwoordiger van een vervoerder beoogde op te treden en dat zij het cognossement namens de kapitein heeft getekend. Het Hof heeft blijkens zijn rov. 3.18 en 3.19 kennelijk geoordeeld dat de kapitein of een vertegenwoordiger van de kapitein namens CNP de naam van CNP in het bedoelde vakje heeft geplaatst en dat de niet doorgehaalde vermelding "As Agent(s) only" erop duidt dat de kapitein of degene die namens de kapitein ondertekende als "agent" wordt aangeduid. Dit oordeel behoefde in het licht van het debat van partijen geen nadere motivering. Ook het in het onderdeel onder c en d betoogde, behoefde het Hof derhalve niet te weerhouden van zijn oordeel dat het voldoende duidelijk is dat CNP als vervoerder in de zin van clause 1 en clause 26 is te beschouwen. Daarmee heeft het Hof het standpunt van Rendite c.s. gevolgd dat uit het cognossement zelf volgt dat het cognossement namens CNP als vervoerder is ondertekend. Dat stond het Hof vrij, ook al hebben Rendite c.s. dat standpunt, zoals in het onderdeel onder e en f wordt aangevoerd, niet steeds consequent en duidelijk uitgewerkt en bovendien niet toegelicht op welke wijze CNP aan de kapitein daartoe volmacht heeft gegeven.

3.10 Het in het onderdeel onder h gestelde mist feitelijke grondslag, omdat het Hof de beweegreden die Aegon c.s. ertoe heeft gebracht geen vordering tegen CNP in te stellen niet heeft betrokken bij de beantwoording van de vraag of CNP als vervoerder in de zin van clause 26 moet worden beschouwd.

3.11 Onderdeel II keert zich tegen de hiervóór in 3.2 onder h weergegeven verwerping door het Hof van de stelling van Aegon c.s. dat Rendite c.s. zich niet op het forumkeuzebeding kunnen beroepen. Zij zijn volgens het onderdeel ingevolge art. 8:461 lid 2 BW als vervoerders aan te merken en hebben hun woonplaats in Dortmund, Hamburg en Monrovia, zodat ten aanzien van hen het cognossement niet voldoet aan de daaraan ingevolge art. 629 lid 2, onder a, Rv. te stellen eisen. Daaraan doet niet af dat CNP eventueel als vervoerder in de zin van art. 8:461 lid 1 BW en de clauses 1 en 26 zou kunnen worden beschouwd, omdat zulks slechts zou leiden tot het alleen ten aanzien van CNP aanvaarden van exclusieve bevoegdheid van de rechter te Lima, aldus het onderdeel.

3.12 Het onderdeel faalt omdat de daaraan ten grondslag liggende rechtsopvatting niet als juist kan worden aanvaard. Zoals is uiteengezet in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 25, kunnen Rendite c.s. (aangenomen dat zij ingevolge art. 8:461 lid 2 BW als vervoerders zijn aan te merken) naast de contractuele vervoerder CNP aansprakelijk worden gesteld uit hoofde van de vervoerovereenkomst, maar zij kunnen zich ingevolge art. 8:441 lid 2 BW jegens de ladingbelanghebbenden wel op de bedingen van de vervoerovereenkomst beroepen. In het licht van hetgeen hiervóór in 3.4 is opgemerkt over de tekst en de strekking van art. 629 Rv. en de parlementaire geschiedenis van dat artikel valt niet in te zien dat dit laatste niet zou gelden voor een in een cognossement opgenomen forumkeuzebeding als het onderhavige. Een andere opvatting zou tot consequentie hebben dat telkens per vervoerder moeten worden onderzocht of aan de vereisten van art. 629 lid 2 Rv. is voldaan en dat in voorkomend geval de contractuele vervoerder zou moeten worden gedagvaard voor een ander gerecht dan de wettelijke vervoerders. De hiervóór in 3.4 besproken strekking van het artikel - bescherming van de derde cognossementhouder tegen onduidelijke forumkeuzebedingen en tegen de noodzaak te procederen in een niet bij de vervoerovereenkomst betrokken land - noopt niet tot aanvaarding van een dergelijk stelsel.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt Aegon c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Rendite c.s. begroot op € 2.721,42 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R. Herrmann als voorzitter en de raadsheren J.B. Fleers, H.A.M. Aaftink, D.H. Beukenhorst en A. Hammerstein, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 14 februari 2003.