Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2003:AF1006

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14-02-2003
Datum publicatie
14-02-2003
Zaaknummer
36751
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2003:AF1006
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2003/176
BNB 2003/141
FED 2003/126
FED 2003/125
FED 2003/227
Belastingadvies 2003/4.8
Belastingadvies 2003/4.12
WFR 2003/347
WFR 2003/347, 1
V-N 2003/12.16
V-N 2003/12.14

Uitspraak

Nr. 36.751

14 februari 2003

EC

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 9 november 2000, nr. BK-99/02231, betreffende na te melden aan X te Z (België) opgelegde voorlopige aanslag in de premie arbeidsongeschiktheidsverzekering.

1. Voorlopige aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het jaar 1998 een voorlopige aanslag opgelegd in de premie arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen naar een premie-inkomen van f 84.000, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft de uitspraak van de Inspecteur alsmede de voorlopige aanslag vernietigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

De Staatssecretaris heeft een conclusie van repliek ingediend.

De Advocaat-Generaaal P.J. Wattel heeft op 30 september 2002 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

Belanghebbende heeft de Belgische nationaliteit en woont in België. Hij oefent in België het beroep van advocaat uit en is als zodanig geregistreerd als zelfstandige en verzekerd op grond van de Belgische socialeverzekeringswetten. Voor de toepassing van hoofdstuk II van Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich verplaatsen (hierna: de Verordening) moeten de in België verrichte werkzaamheden worden aangemerkt als anders dan in loondienst verricht.

Belanghebbende is tevens directeur en enig aandeelhouder van een in Nederland gevestigde besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, van welke vennootschap hij loon geniet. Het loon is in Nederland onderworpen aan de heffing van inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen, aangezien voor deze beide heffingen belanghebbendes werkzaamheden worden aangemerkt als in loondienst verrichte werkzaamheden.

Te oordelen naar Nederlands nationaal recht is belanghebbende verzekerd krachtens de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (hierna: de WAZ).

3.2. Voor het Hof was in geschil of door de Verordening wordt bewerkstelligd dat belanghebbende in het onderhavige jaar niet is onderworpen aan de WAZ en mitsdien niet premieplichtig is op grond van die wet.

Het Hof heeft geoordeeld dat de door belanghebbende in Nederland verrichte werkzaamheden voor de toepassing van de WAZ en daarom ook voor de toepassing van hoofdstuk II van de Verordening moeten worden aangemerkt als niet in loondienst verrichte werkzaamheden, hetgeen meebrengt dat op grond van artikel 13, lid 1, en artikel 14bis, lid 2, van de Verordening belanghebbende niet is onderworpen aan de WAZ.

3.3. Het middel voert aan dat 's Hofs oordeel niet strookt met het aan de Verordening ten grondslag liggende beginsel van eenheid van toepasbare wetgeving. Dat oordeel zou, aldus het middel, ertoe leiden dat ook buiten de in artikel 14quater en 14septies van de Verordening geregelde gevallen, waarin een uitzondering is gemaakt op evenbedoeld beginsel, een persoon aan de wetgeving van meer dan één lidstaat onderworpen kan zijn. Nu zulks wat Nederland betreft het gevolg zou zijn van een in de Verordening niet voorziene omstandigheid, te weten dat de socialezekerheidswetten in Nederland voor dezelfde werkzaamheden uiteenlopende definities kennen van het begrip 'werkzaamheden in loondienst', staat het middel voor dat voor de toepassing van de Verordening, zoals deze luidde in 1998, de afwijkende definitie in de WAZ moet worden genegeerd.

3.4. Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 30 januari 1997, De Jaeck, C-340/94, BNB 1997/308, volgt dat voor de toepassing van artikel 14quater van de Verordening, zoals deze gold tot 1999, onder een persoon die "werkzaamheden anders dan in loondienst" uitoefent, dient te worden verstaan degene die als zodanig wordt beschouwd voor de toepassing van de socialezekerheidswetgeving van de lidstaat op het grondgebied waarvan deze werkzaamheden worden uitgeoefend. Met het Hof leidt de Hoge Raad uit dit arrest, dat zag op een geval van een persoon die wat betreft zijn woonland, aard en plaats van zijn werkzaamheden in omstandigheden verkeerde die vergelijkbaar zijn met die van belanghebbende, af dat wat betreft artikel 14quater, letter b, van de Verordening de nationale kwalificatie ook dan doorwerkt naar de toepassing van de Verordening indien zulks - als gevolg van de omstandigheid dat een persoon voor dezelfde werkzaamheden krachtens de nationale wetgeving zowel als werknemer als als zelfstandige wordt beschouwd - ertoe leidt dat de betrokken persoon voor risico's die worden verzekerd door een of meer socialezekerheidswetten niet, en voor risico's die worden verzekerd door een of meer andere socialezekerheidswetten, wel verzekerd is in de lidstaat waar de betrokken werkzaamheden worden uitgeoefend. Voorzover het middel uitgaat van een andere uitlegging van artikel 14quater, letter b, van de Verordening in de voor 1998 geldende tekst, faalt het derhalve.

3.5. Het Hof heeft geoordeeld dat onder de WAZ de door belanghebbende in Nederland verrichte werkzaamheden niet anders kunnen worden aangemerkt dan als niet in loondienst verricht. Voorzover het middel dit oordeel bestrijdt met een beroep op het in de toelichting bij de Regeling premieheffing WAZ beschreven beleid, faalt het eveneens. Indien dit beleid de regels van de WAZ opzij zou zetten, zou het gemeenschapsrecht zich daarbij weliswaar aansluiten, doch noch uit het nationale recht noch uit het gemeenschapsrecht volgt dat de regels van de WAZ inderdaad opzij worden gezet door evenbedoeld beleid.

4. Proceskosten

De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep ongegrond, en

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 644 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J. Zuurmond als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, D.G. van Vliet, P. Lourens en J.W. van den Berge, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en uitgesproken in het openbaar op 14 februari 2003.

Van de Staat wordt ter zake van het door de staatssecretaris van Financiën ingestelde beroep in cassatie een griffierecht geheven van € 348.