Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2003:AF0749

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-01-2003
Datum publicatie
10-01-2003
Zaaknummer
R02/042HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2003:AF0749
In cassatie op : ECLI:NL:GHARN:2002:AO5915
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 288
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2003, 7
NJ 2003, 195 met annotatie van P. van Schilfgaarde
RvdW 2003, 8
TvI 2003, p. 89 met annotatie van G.H. Lankhorst
JWB 2003/8
JOR 2003/97
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10 januari 2003

Eerste Kamer

Nr. R02/042HR

RM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Verzoeker], wonende te [woonplaats],

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: mr. J.H.M. van Swaaij.

1. Het geding in feitelijke instanties

Naar aanleiding van een door verzoeker tot cassatie - verder te noemen: [verzoeker] - ter griffie van de Rechtbank te Almelo ingediend verzoekschrift heeft de Rechtbank aldaar bij tussenvonnis van 19 maart 2002 ten aanzien van [verzoeker] de voorlopige toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uitgesproken.

Bij eindvonnis van 23 april 2002 heeft de Rechtbank het verzoek van [verzoeker] tot definitieve toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling afgewezen.

Tegen het eindvonnis van 23 april 2002 heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Arnhem.

Na mondelinge behandeling heeft het Hof bij arrest van 6 juni 2002 het eindvonnis van de Rechtbank bekrachtigd.

Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De conclusie van de Advocaat-Generaal D.W.F. Verkade strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten die zijn vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.1-2.3.

3.2 De Rechtbank heeft het verzoek van [verzoeker] tot definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling afgewezen. Het Hof heeft het vonnis van de Rechtbank bekrachtigd. Het Hof heeft daartoe (in rov. 3.3) - na te hebben vermeld welke schulden zijn ontstaan na het sluiten van de winkel van [verzoeker] - onder meer overwogen:

"[Verzoeker] behoorde destijds te begrijpen dat zijn ontucht en het risico dat deze in zijn omgeving bekend zou worden desastreuze gevolgen zou hebben voor de exploitatie van zijn buurtwinkel, de omzet zou wegvagen en hem zou laten achterblijven met onbetaalbare bedrijfsschulden. Niettemin heeft hij door het plegen van ontucht deze risico's genomen.

Daarom is hij ten aanzien van het onbetaald laten, c.q. ontstaan van deze schulden niet te goeder trouw geweest."

3.3 Het middel keert zich tegen het hiervoor in 3.2 weergegeven oordeel van het Hof met een rechts- en een motiveringsklacht. Het betoogt dat de gedachte achter de maatstaf van de "goede trouw" in art. 288 lid 2, aanhef en onder b, F. niet berust op afstraffing van een gebrek aan moraliteit, doch erop neerkomt dat het weinig zinvol is de schuldsaneringsregeling toe te passen op iemand van wie men, gelet op zijn financiële verleden, niet kan verwachten dat hij zich daaraan houdt en in staat is zich ten opzichte van schuldeisers in financieel opzicht naar behoren te gedragen. In het bijzonder is vereist, aldus het middel, dat het gedrag van de schuldenaar in een direct/rechtstreeks (causaal) verband staat met het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden, waarbij sprake moet zijn geweest van een zekere desbewustheid bij de schuldenaar. Buiten deze gevallen kan volgens het middel in beginsel niet worden gezegd dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van schulden niet te goeder trouw is geweest, in het bijzonder niet in een geval waarin het ontstaan of onbetaald laten van schulden slechts een zijdelings gevolg is geweest van niet in de financiële sfeer gelegen gedrag van de schuldenaar. In het onderhavige geval heeft het Hof - zo betoogt het middel - dit een en ander miskend en aldus blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, althans zijn oordeel niet naar behoren gemotiveerd.

3.4 Het middel gaat uit van een onjuiste rechtsopvatting en kan daarom niet tot cassatie leiden. In de eerste plaats houdt de in art 288 lid 2, onder b, bedoelde gedragsmaatstaf van de goede trouw immers niet in dat alleen gedragingen "in de financiële sfeer" grond kunnen opleveren voor afwijzing van het verzoek. Bij de beantwoording van de vraag of de schuldenaar te goeder trouw was, zal de rechter alle relevante omstandigheden die betrekking hebben op het gedrag van de schuldenaar in verband met het ontstaan of onbetaald laten van schulden, in zijn oordeel mogen betrekken. In de tweede plaats is, anders dan het middel verlangt, voor het ontbreken van goede trouw bij de schuldenaar niet noodzakelijk dat deze "desbewust" schulden heeft laten ontstaan of onbetaald heeft gelaten. De omstandigheid dat - zoals hier naar het kennelijke oordeel van het Hof het geval is - ernstige misdragingen van de schuldenaar tot gevolg hebben dat deze buiten staat raakt zijn schulden te voldoen, of dat nieuwe schulden zijn ontstaan, kan, mede in verband met de overige omstandigheden van het geval, waaronder met name de verwijtbaarheid van de gedragingen en de aard en omvang van de schulden, grond zijn om aan te nemen dat de schuldenaar niet te goeder trouw was in de zin van voormeld artikel.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president R. Herrmann als voorzitter en de raadsheren J.B. Fleers, A.G. Pos, A. Hammerstein en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 10 januari 2003.