Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2003:AF0400

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
16-05-2003
Datum publicatie
16-05-2003
Zaaknummer
37441
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2003:AF0400
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2003/318 met annotatie van B. Sio
FED 2003/301
WFR 2003/893, 1
FutD 2003-0940
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 37.441

16 mei 2003

whk

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 19 juni 2001, nr. P00/1744, betreffende na te melden naheffingsaanslag in de accijns van overige alcoholhoudende producten.

1. Naheffingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is met dagtekening 14 januari 2000 en onder kenmerk 22932A/99 een naheffingsaanslag in de accijns van overige alcoholhoudende producten opgelegd ten bedrage van ƒ 94.175 aan enkelvoudige belasting, welke aanslag na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de naheffingsaanslag verminderd tot ƒ 94.174. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft de zaak doen toelichten door mr. P.J. Kouwenberg, advocaat te Hilversum.

De Advocaat-Generaal J.W. Ilsink heeft op 30 september 2002 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1.1. In cassatie kan, gelet op 's Hofs uitspraak en de stukken van het geding, van het volgende worden uitgegaan.

3.1.2. Belanghebbende exploiteert sedert 1988 een groothandel in wijnen onder de naam A. De feitelijke werkzaamheden in de onderneming worden nagenoeg uitsluitend verricht door haar echtgenoot, die daarvoor een arbeidsbeloning ontvangt.

3.1.3. Het openbaar ministerie te Rotterdam heeft bij schrijven van 10 februari 1998 het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, agentschap LASER, regio T, te S (hierna: Laser) op de voet van artikel 117, lid 1, van het Wetboek van Strafvordering gemachtigd een in 1993 in het kader van een strafvervolging in beslag genomen en vervolgens in opslag gehouden partij ethylalcohol te vervreemden of, indien vervreemding niet mogelijk is, te vernietigen. Daarbij werd vermeld dat het om accijnsgoederen ging, die op het moment van inbeslagneming niet in de Nederlandse accijnsheffing betrokken waren.

3.1.4. In augustus 1998 heeft Laser de partij ethylalcohol - in totaal 17.530 liter - aan de echtgenoot van belanghebbende verkocht en geleverd. Op 22 september 1998 heeft Laser aan de echtgenoot hiervoor een factuur uitgereikt voor een bedrag van ƒ 13.072,50 met de omschrijving 'in beslag genomen sterke drank'. Belanghebbende noch haar echtgenoot beschikte over een vergunning voor een accijnsgoederenplaats bedoeld in artikel 39 van de Wet op de accijns (hierna: de Wet).

3.1.5. In een door de Inspecteur aan het Hof overgelegde interne notitie van Laser, gedateerd 3 september 1998, wordt vermeld dat het hier ging om een in beslag genomen partij van 877 tankjes alcohol 96%, in totaal 17.530 liter en voorts:

'bij aflevering d.d. 28 augustus 1998 zijn 10 tankjes kapot (breuk);

deze partij alcohol wordt verkocht onder de voorwaarde, dat deze alcohol gebruikt wordt voor de auto industrie'.

Tevens wordt in deze notitie opgemerkt dat het in rekening te brengen bedrag ƒ 13.072,50 is, met de toevoeging dat het betreft 17.430 liter á ƒ 0,75 per liter.

3.1.6. De echtgenoot van belanghebbende heeft een deel van de door hem gekochte ethylalcohol aangewend voor de vervaardiging van jenever althans alcoholhoudende drank, die door hem werd verpakt in vaatjes en flessen. Een deel daarvan heeft hij vervolgens verkocht.

3.1.7. In de loop van 1999 is bij belanghebbende onderzoek gedaan naar de gang van zaken met betrekking tot de van Laser gekochte partij ethylalcohol. Naar aanleiding van dit onderzoek werd aan de Inspecteur onder meer gerapporteerd dat in het pand waarin de onderneming van belanghebbende werd uitgeoefend nog een groot deel van de gekochte alcohol aanwezig was en dat voorts 913 flessen jenever waren aangetroffen met een alcoholgehalte van 39,8 %, welke jenever was vervaardigd uit alcohol die afkomstig was van de van Laser gekochte partij. Voorts werd bericht dat van de van Laser gekochte partij in totaal 2950 liter alcohol was verdwenen. Aangenomen werd dat daarvan jenever was vervaardigd. In het rapport werd het 'accijnsnadeel' als volgt berekend:

2950 liter x 96,3% = 2840,85 liter x ƒ 33,15 per liter = ƒ 94.175.

3.1.8. De Inspecteur heeft bij de onderwerpelijke naheffingsaanslag van een hoeveelheid van 2950 liter alcohol wegens het voorhanden hebben van een accijnsgoed dat niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet in de heffing is betrokken, accijns van overige alcoholhoudende producten nageheven naar het in artikel 13 van de Wet (tekst tot 1 januari 2002) vermelde tarief.

3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat de aankoop van de hiervóór in 3.1.3 vermelde partij alcohol is geschied binnen het kader van de onderneming van belanghebbende, dat deze die partij voorhanden heeft gehad in de zin van artikel 2f van de Wet en dat niet in geschil is dat de accijns van de alcohol niet was geheven. Naar 's Hofs oordeel brengt het vorenstaande - gelet op artikel 51a, aanhef en letter f, van de Wet - mee dat belanghebbende terecht door de Inspecteur is aangemerkt als belastingplichtige voor de accijns.

3.3.1. Het middel slaagt voorzover het betoogt dat, nu de goederen zijn betrokken van een staatsorgaan, belanghebbende de van Laser gekochte accijnsgoederen niet voorhanden heeft gekregen in de zin van de artikelen 2f en 52a, aanhef en letter d, van de Wet.

3.3.2. Accijnsgoederen die door de Staat in het handelsverkeer worden gebracht, moeten, gelet op de zorgvuldigheid die van de Staat mag worden verwacht, worden geacht overeenkomstig de bepalingen van de Wet in de heffing te zijn betrokken. Derhalve is niet juist 's Hofs ofs oordeel dat belanghebbende de goederen voorhanden heeft gekregen in de zin van artikel 2f van de Wet.

Hieraan doet niet af dat bij het sluiten van de koopovereenkomst tussen Laser en de echtgenoot van belanghebbende aan de orde is geweest dat laatstgenoemde aan deze goederen een bepaalde bestemming zou geven. Of dit als voorwaarde van de overeenkomst heeft te gelden en zo ja, of deze voorwaarde al dan niet is nageleefd en, zo dat niet het geval is, welke gevolgen daaraan zijn verbonden, staat niet ter beoordeling van de belastingrechter maar van de burgerlijke rechter, zo daartoe een geding aanhangig wordt gemaakt.

3.3.3. Op grond van het vorenstaande kan 's Hofs uitspraak niet in stand blijven. Het middel behoeft voor het overige geen behandeling. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.

4. Proceskosten

De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof behoudens de beslissingen omtrent het griffierecht en de proceskosten, alsmede de uitspraak van de Inspecteur,

vernietigt de naheffingsaanslag,

gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van f 315 (€ 142,94), en

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1449 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J. Zuurmond als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, D.G. van Vliet, C.B. Bavinck en J.W. van den Berge, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 16 mei 2003.