Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2003:AF0197

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
06-06-2003
Datum publicatie
06-06-2003
Zaaknummer
35372
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2003:AF0197
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2003/315 met annotatie van Mr. B. Sio
FED 2003/329
WFR 2003/1008
NTFR 2003/1057 met annotatie van Eeltink
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 35.372

6 juni 2003

EC

gewezen op het beroep in cassatie van B.V. X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 7 mei 1999, nr. 643/97, betreffende na te melden naheffingsaanslag.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 1992 tot en met 15 oktober 1996 een naheffingsaanslag in de accijns, de milieuheffing, de voorraadheffing, de verbruiksbelasting en de regulerende energieheffing opgelegd ten bedrage van ƒ 111.163 aan enkelvoudige belasting, met een verhoging van de nageheven belasting van honderd percent, van welke verhoging de Inspecteur bij het vaststellen van de aanslag kwijtschelding heeft verleend tot op vijfentwintig percent. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij gezamenlijke uitspraak de naheffingsaanslag en de beschikking betreffende de verhoging gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof

Het Hof heeft de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de naheffingsaanslag verminderd tot een naheffingsaanslag van ƒ 111.163 aan enkelvoudige belasting zonder verhoging. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.

Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris heeft, daartoe in de gelegenheid gesteld, schriftelijk gereageerd op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 5 april 2001, zaak nr. C-325/99 (G. van de Water), Jur. 2001, blz. I-2729, BNB 2001/204.

De Advocaat-Generaal J.W. Ilsink heeft op 30 september 2002 geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van de middelen

3.1.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1.2. In 1988 heeft de voormalige inspecteur der invoerrechten en accijnzen te Q aan belanghebbende op haar verzoek vergunning verleend om met vrijstelling van accijns minerale oliën te betrekken, bestemd om te worden gebruikt voor de aandrijving van enkele in de vergunning met name genoemde, aan belanghebbende toebehorende schepen, waaronder het schip genaamd C, of als scheepsbehoefte aan boord van deze schepen. Na de inwerkingtreding van de Wet op de accijns (op 1 januari 1992) is aan belanghebbende - ook met betrekking tot C - ambtshalve een vernieuwde vergunning verleend, die was gebaseerd op artikel 66, lid 1, aanhef en letter a, van de Wet op de accijns (hierna: de Wet) juncto artikel 19 van het Uitvoeringsbesluit accijns (hierna: het Besluit).

3.1.3. In december 1996 werd tijdens een administratieve controle door ambtenaren van het douanekantoor Q geconstateerd dat C in het onderhavige tijdvak niet had gevaren. Het schip had afgemeerd gelegen op een vaste ligplaats en was gebruikt om aan boord ijs te fabriceren. Belanghebbende had minerale oliën die haar met vrijstelling van accijns waren geleverd, gebruikt om de zich aan boord bevindende generatoren te doen aandrijven die voor de productie van het ijs noodzakelijk waren.

3.1.4. De Inspecteur heeft bij de onderwerpelijke naheffingsaanslag de accijns, de milieuheffing, de voorraadheffing, de verbruiksbelasting en de regulerende energieheffing (hierna tezamen ook aangeduid als de accijns; ter zake van deze overige heffingen zijn de voor deze zaak van belang zijnde bepalingen van de Wet van toepassing) nageheven, die verschuldigd waren voor de in vermeld tijdvak aan belanghebbende geleverde minerale oliën die zij bestemd had voor C. Daarbij heeft hij voor de berekening van de belasting de in het onderhavige tijdvak geldende tarieven voor laagbelaste olie gehanteerd, bedoeld in artikel 27, lid 3, van de Wet.

3.2.1. Het Hof heeft, na overwogen te hebben dat niet in geschil is dat de vrijstelling als bedoeld in artikel 66, lid 1, aanhef en letter a, van de Wet niet van toepassing is nu C niet werd gebruikt om te varen, geoordeeld dat de voor de onderwerpelijke minerale oliën verschuldigde accijns en andere heffingen terecht van belanghebbende zijn nageheven, nu deze zich als vergunninghouder accijnsvrij minerale oliën liet leveren, en niet van de leverancier, nu van die leverancier in de context van de onderwerpelijke zogeheten bunkerregeling niet kan worden gezegd dat hij degene is die de minerale oliën gebruikt.

3.2.2. Tegen dit oordeel richt zich middel I met het betoog dat er - anders dan waarvan het Hof kennelijk uitgaat - geen rechtsgrond is voor het aan belanghebbende opleggen van de naheffingsaanslag. Ingevolge artikel 51, lid 1, van de Wet is, aldus het middel, in een geval als het onderhavige slechts de vergunninghouder van de accijnsgoederenplaats van waaruit de minerale oliën met toepassing van de vrijstelling zijn geleverd, aansprakelijk voor de accijns en andere heffingen, welke worden geheven ter zake van de uitslag. De Wet biedt niet de mogelijkheid om degene aan te spreken die de minerale oliën na de uitslag heeft afgenomen.

3.3.1. Krachtens artikel 1 van de Wet wordt de accijns geheven ter zake van de uitslag en van de invoer van onder meer minerale oliën. Hetzelfde geldt voor de andere in de onderwerpelijke naheffingsaanslag begrepen heffingen. Artikel 51 van de Wet bepaalt dat de accijns ter zake van de uitslag wordt geheven van de vergunninghouder van de accijnsgoederenplaats, die deze op aangifte moet voldoen (artikel 53 van de Wet).

3.3.2. Indien een afnemer van minerale oliën beschikt over een vergunning als bedoeld in artikel 19, lid 1, letter a, van het Besluit, mag de vergunninghouder van een accijnsgoederenplaats hem de oliën leveren onder vrijstelling van accijns. Daarbij geldt onder meer als voorwaarde dat hij aan de vergunninghouder van de accijnsgoederenplaats te kennen geeft de oliën te zullen gebruiken overeenkomstig de in de aanhef van voormeld artikel 19, lid 1, vermelde doeleinden (artikel 19, lid 1, letter b, van het Besluit).

Zo die afnemer de oliën niettemin aanwendt voor een ander doel, is de vrijstelling niet van toepassing en wordt accijns verschuldigd ter zake van uitslag. In 1992 was de afnemer in dat geval op grond van artikel 87, lid 1, van de Wet gehouden tot betaling van die accijns, indien hij wist of redelijkerwijs kon weten dat de vrijstelling voor een dergelijk gebruik niet gold. Sedert 1 januari 1993 geldt hetzelfde, zij het op de voet van artikel 2f, tweede gedeelte - nu die bepaling blijkens de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II 1992/93, 22 697, nr. 3, blz. 29) de voortzetting is van artikel 87, lid 1, van de Wet (tekst 1992) en niet blijkt dat de wetgever met die bepaling een beperktere of juist ruimere heffing voor ogen stond dan voortvloeit uit artikel 87 - juncto artikel 51a, aanhef en letter f, van de Wet.

Hieraan doet, anders dan het middel betoogt, niet af dat de ter zake van uitslag verschuldigde accijns ingevolge artikel 51 van de Wet wordt geheven van de vergunninghouder van de accijnsgoederenplaats. Artikel 2f juncto artikel 51a, aanhef en letter f, van de Wet beoogt evenals het vroegere artikel 87, lid 1, beoogde dat de afnemer de accijns verschuldigd wordt ongeacht de toepassing van artikel 51 van de Wet. Derhalve faalt middel I.

3.3.3. Op dezelfde gronden faalt middel II dat ervan uitgaat dat belanghebbende tot aan het moment waarop de vergunning met betrekking tot gebruik aan boord van C uitdrukkelijk werd ingetrokken, met vrijstelling van accijns betrokken minerale oliën aan boord van dat schip voor de vermelde doeleinden kon aanwenden, ook al zou er op zichzelf genomen geen vrijstelling voor die aanwending mogelijk zijn. De hiervóór bedoelde verschuldigdheid doet zich immers juist ook voor indien sprake is van een vergunning om de goederen met vrijstelling te mogen betrekken.

3.3.4. Het Hof heeft niet aannemelijk geacht dat belanghebbende, een op zeevarend Z gevestigde onderneming, niet op de hoogte zou zijn geweest van de wettelijke omstandigheden waarin, en de wettelijke voorwaarden waaronder vrijstelling van accijns mogelijk was. Onder meer dit oordeel wordt in middel IV bestreden met het betoog dat bekendheid met (de bedoeling van) de wetgeving niet kan worden toegedicht uitsluitend op basis van de vestigingsplaats van de ondernemer, terwijl ook het belang van de vestigingsplaats van de belanghebbende noch in de stukken van het geding noch tijdens de mondelinge behandeling van het beroep aan de orde is geweest.

In zoverre slaagt het middel. Mede gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van de onderwerpelijke vrijstelling en op het ambtshalve verlenen van de vergunning aan belanghebbende, is zonder nadere redengeving, die ontbreekt, niet begrijpelijk het enkel op grond van de omstandigheid dat belanghebbende een ondernemer is die is gevestigd op Z, gebaseerde oordeel dat belanghebbende wist dan wel redelijkerwijs kon weten dat hij de goederen gebruikte voor een doel waarvoor de vrijstelling niet gold.

3.4.1. Het Hof heeft geoordeeld dat van schending door de Inspecteur van enig beginsel van behoorlijk bestuur geen sprake is. Ervan uitgaande dat de vergunning om met vrijstelling van accijns minerale oliën te betrekken voor gebruik aan boord van - onder meer - C indertijd, in 1988, op grond van de toenmalige wettelijke bepalingen terecht is verleend en dat de Inspecteur de vergunning in 1992 geheel op eigen initiatief opnieuw heeft verleend, bestrijdt middel IV gemeld oordeel van het Hof met het betoog dat door het vernieuwen van de vergunning in 1992 onder de geschetste omstandigheden onmiskenbaar het vertrouwen is gewekt dat de vergunning ook met betrekking tot C in overeenstemming met de wettelijke bepalingen is verleend, zodat ook voor de minerale oliën die belanghebbende bestemde voor C, geen belastingen verschuldigd zijn geworden.

3.4.2. De stukken van het geding laten geen andere conclusie toe dan dat belanghebbende bij het verzoek om de vergunning voor C in 1988 bij de desbetreffende vraag van het aanvraagformulier de indruk heeft gewekt, dat het om een schip met een motor voor de aandrijving ging, terwijl dit in werkelijkheid niet zo was en dat zij niet heeft medegedeeld dat de minerale oliën waarvoor zij vrijstelling vroeg, werden aangewend voor de aandrijving van generatoren die werden gebruikt om aan boord van C ijs te vervaardigen. Voorts heeft het Hof niet aannemelijk geacht dat belanghebbende telefonisch inlichtingen heeft verstrekt, die bij de Inspecteur de gedachte hebben doen postvatten dan wel kunnen doen postvatten dat het ging om een niet-varend schip waarvoor minerale oliën niet met vrijstelling konden worden betrokken.

Onder deze omstandigheden kan de conclusie geen andere zijn dan dat belanghebbende aan de Inspecteur informatie onthield welke voor hem van belang was bij de beoordeling van de aanvraag, ongeacht of de wettelijke bepalingen in 1988 de vrijstelling in het onderhavige geval wel of niet mogelijk maakten en ongeacht de wetenschap van belanghebbende met betrekking tot de juiste betekenis en de draagwijdte van de wettelijke bepalingen. Op grond hiervan wordt middel IV in zoverre tevergeefs voorgesteld en behoeft middel III, dat ervan uitgaat dat tot 1992 wel vrijstelling kon worden genoten voor het beschreven gebruik van de minerale oliën, geen behandeling.

3.5. Het hiervóór in 3.3.4 overwogene brengt mee dat 's Hofs uitspraak niet in stand kan blijven. Verwijzing moet volgen.

4. Proceskosten

De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissingen omtrent het griffierecht en de proceskosten,

verwijst het geding naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,

gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van ƒ 340 (€ 154,29), en

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op ƒ 4260 (€ 1933,10) voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Dit arrest is op 6 juni 2003 vastgesteld door de vice-president G.J. Zuurmond als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, D.G. van Vliet, B. Bavinck en J.W. van den Berge, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en op die datum in het openbaar uitgesproken.