Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2003:AE9658

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
25-02-2003
Datum publicatie
25-02-2003
Zaaknummer
02183/01
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2003:AE9658
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 366, geldigheid: 2003-02-25
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2003, 138
NBSTRAF 2003/138
JOL 2003, 119
NJ 2003, 572

Uitspraak

25 februari 2003

Strafkamer

nr. 02183/01

ES/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 20 april 2001, nummer 20/000500-00, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Indonesiƫ) op [geboortedatum] 1940, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Maastricht van 29 juli 1999, voorzover aan 'Hofs oordeel onderworpen, - de verdachte vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding onder 11, 20, 21, 23, 25, 26, 28 primair, 29 en 30 tenlastegelegde en hem voorts ter zake van 3., 24. en 28. subsidiair telkens opleverende: "valsheid in geschrift", 4. en 5. telkens opleverende: "knevelarij", 6. "als ambtenaar door misbruik van gezag iemand dwingen iets te doen", 7. "medeplichtigheid aan valsheid in geschrift", 16. primair en 17. telkens opleverende: "valsheid in geschrift", 18. en 19. telkens opleverende: "valsheid in geschrift, gepleegd in authentieke akten", 22. primair "medeplegen van valsheid in geschrift, gepleegd in authentieke akten" veroordeeld tot achttien maanden gevangenisstraf. Voorts heeft het Hof de verdachte ontzet van het recht tot het bekleden van ambten voor de duur van vijf jaren.

2. Geding in cassatie

2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.2. De Hoge Raad heeft kennis genomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de Advocaat-Generaal.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof aan het in de tenlastelegging onder 4 en 5 opgenomen bestanddeel "in de uitoefening van zijn bediening" als bedoeld in art. 366 Sr een onjuiste betekenis heeft toegekend, althans dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen dat de verdachte in de uitoefening van zijn bediening handelde.

3.2. Ten laste van de verdachte is - voorzover voor de beoordeling van het middel van belang - bewezenverklaard dat hij:

"4. op enig tijdstip in de periode van 1 januari 1992 tot en met 28 februari 1992 in de gemeente Sittard, als ambtenaar van de burgerlijke stand in de gemeente Sittard, in de uitoefening van zijn bediening, te weten in het kader van verrichtingen en werkzaamheden die hij, verdachte, als ambtenaar van de burgerlijke stand verrichtte ten behoeve van het tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] te sluiten dan wel gesloten huwelijk, als verschuldigd aan een andere ambtenaar of aan enig openbare kas, te weten als verschuldigd aan [betrokkene 5], hoofd vreemdelingendienst van de politie in het district Sittard, of als verschuldigd aan die vreemdelingendienst, van [betrokkene 1] heeft gevorderd en heeft ontvangen een geldbedrag van f 2.500,00 van welk geldbedrag hij, verdachte, wist dat het niet verschuldigd was;

5. op enig tijdstip in de periode van 1 januari 1992 tot en met 28 februari 1992 in de gemeente Sittard, als ambtenaar van de burgerlijke stand in de gemeente Sittard, in de uitoefening van zijn bediening, te weten in het kader van verrichtingen en werkzaamheden die hij, verdachte, als ambtenaar van de burgerlijke stand verrichtte ten behoeve van het tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] te sluiten dan wel gesloten huwelijk, als verschuldigd aan enig openbare kas, te weten als verschuldigd aan de vreemdelingendienst, van [betrokkene 2] heeft gevorderd en heeft ontvangen een geldbedrag van f 2.000,00 van welk geldbedrag hij, verdachte, wist dat het niet verschuldigd was."

3.3. De bewezenverklaring van de feiten 4 en 5 steunt

- voorzover voor de beoordeling van het middel van belang - op de navolgende bewijsmiddelen:

a. de verklaring van [betrokkene 1], inhoudende:

"Ik ben getrouwd geweest met [betrokkene 2]. Eind 1991 is [betrokkene 2] naar Nederland gekomen. [Betrokkene 2] kwam regelmatig haar zus [betrokkene 3] bezoeken. [Betrokkene 3] woonde toen nog bij mij, wij waren echter inmiddels gescheiden. Op een gegeven moment moest [betrokkene 2] Nederland verlaten omdat haar visum was afgelopen. [Betrokkene 2] zei toen tegen mij dat zij geen man kon vinden die met haar wilde trouwen. [Betrokkene 2], [betrokkene 3] en [betrokkene 4] vroegen toen aan mij of ik niet met [betrokkene 2] wilde trouwen. [Betrokkene 2] wilde met een Nederlandse man trouwen zodat zij in Nederland kan blijven. Ik heb toen tegen hun gezegd dat ik wel met [betrokkene 2] wilde trouwen. [Betrokkene 2], [betrokkene 3], [betrokkene 4] en ik zijn toen naar het gemeentehuis te Sittard gegaan. We hebben toen gesproken met [verdachte]. [Betrokkene 2] liet haar paspoort aan [verdachte] zien. [Verdachte] zei, het visum is afgelopen.

[Verdachte] zei dat [betrokkene 2] illegaal in Nederland was en eigenlijk terug moest naar Marokko en daar een nieuw visum moest aanvragen. [Verdachte] zei ik kan dat wel in orde maken. We hebben verteld dat [betrokkene 2] en ik wilde trouwen. [Verdachte] zei dat we hem Fl 2500 moesten geven. Hij zou dat geld dan aan [betrokkene 5] geven. [Betrokkene 5] is de chef van de vreemdelingendienst Sittard. In februari 1992 zijn [betrokkene 2] en ik getrouwd op het gemeentehuis in Sittard. [Verdachte] heeft het huwelijk voltrokken. [Verdachte] zei dat hij naar [betrokkene 5] had gebeld en dat het mij Fl 2500 zou kosten. Ik zei tegen [verdachte] ik heb geen geld. [Verdachte] zei dat ik het dan maar van de bank moest lenen.

[Verdachte] zei tegen mij dat ik over een week de Fl 2500,- aan hem moest geven. Hij zou dat dan aan [betrokkene 5] geven. Hierna heeft [verdachte] het huwelijk voltrokken.

Een paar dagen later ben ik naar de SNS bank in Sittard gegaan en heb daar Fl 2500 geleend. Ik kreeg zonder problemen de Fl 2500,-.

Dezelfde dag ben ik naar het gemeentehuis gegaan en heb [verdachte] de Fl 2500,- gegeven. Ik heb het geld op zijn kantoor aan hem gegeven. Ik had het geld in een enveloppe gestopt. [Verdachte] haalde het geld uit de enveloppe en telde het na. Hij zei dat hij het geld zou afgeven aan [betrokkene 5]."

b. de verklaring van [betrokkene 2], inhoudende:

"Ik ben naar het gemeentehuis te Sittard gegaan om te informeren welke papieren ik precies nodig had om met [betrokkene 1] te trouwen. In het gemeentehuis werden ik geholpen door [verdachte]. [Verdachte] heet van zijn achternaam [...]. [Verdachte] zei tegen mij dat ik alleen maar mijn marokkaanse paspoort nodig had en een geboorteakte uit Marokko. Verder vroeg hij volgens mij geen papieren. Hij zei tegen mij ook dat ik FL 2000,- moest betalen voor de politie om een verblijfsvergunning te krijgen. Ik vond het op dat moment wel veel geld en vroeg hem waar dit voor was. Hij zei mij dat dit voor de politie was. [Verdachte] zei mij dat als ik de FL 2000,- niet zou betalen dan zou ik geen verblijfsvergunning krijgen en dan zou ik terug gestuurd worden naar Marokko. Ik werd daardoor heel bang en dacht dat ik dan terug zou moeten naar Marokko. Ik wilde niet terug naar Marokko maar wilde in Nederland blijven. [Verdachte] zei mij dat ik dit niet met [betrokkene 1] mocht bespreken.

Daarna werd ik thuis gebeld door [verdachte]. Ik was toen alleen thuis. [Verdachte] zei mij toen dat hij het dossier van mij nog niet verzonden had naar de vreemdelingendienst. Hij verzocht tevens of ik naar het gemeentehuis kon komen. Ik ben toen alleen naar het gemeentehuis in Sittard gegaan. Ik werd daar ontvangen door [verdachte]. Ik vroeg hem hoe het met mijn verblijfsvergunning zat. Hij zei toen dat ik dan eerst de FL 2000,- moest betalen voor de politie. (...) Een dag nadat ik de bankbiljetten had gewisseld ben ik samen met [betrokkene 4] naar het gemeentehuis gegaan. Ik ben toen naar de balie daar gegaan. Ik heb toen gevraagd naar [verdachte] en deze kwam eraan en hij heeft ons meegenomen naar de trouwzaal. Ik weet zeker dat het de trouwzaal was. Ik heb daar de enveloppe met de twee briefjes van FL 1000,- aan de [verdachte] gegeven."

3.4. De bestreden uitspraak houdt - voorzover hier van belang - het volgende in:

"Met betrekking tot het onder 4 en 5 bewezenverklaarde heeft de raadsman van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep gepleit voor vrijspraak, daartoe stellende dat, zo al bewezen zou zijn dat verdachte geld heeft gevorderd en ontvangen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] zoals nader omschreven, dit vorderen en innen door de verdachte als ambtenaar van de burgerlijke stand ten behoeve van de vreemdelingendienst niet plaatsvond in de uitoefening van zijn bediening.

Het hof stelt voorop dat de kwestie of het handelen van verdachte werd gedekt door een formele bevoegdheid en verdachte derhalve in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening was, gelet op de delictsomschrijving van artikel 366 van het Wetboek van Strafrecht, niet aan de orde is.

Het hof is voorts van oordeel dat voor de vraag of het bewezenverklaarde handelen van verdachte plaatsvond in de uitoefening van zijn bediening doorslaggevend is of verdachte door de burgers, zoals in casu [betrokkene 1] en [betrokkene 2] werd gezien en ook redelijkerwijs gezien kon worden als een ambtenaar die geld vorderde en ontving ten behoeve van de Vreemdelingendienst. Het hof is van oordeel dat, gelet op de indruk die verdachte op burgers, te weten in casu [betrokkene 1] en [betrokkene 2] maakte, dit inderdaad het geval is. Het verweer van de raadsman wordt mitsdien verworpen."

3.5. Art. 366 Sr luidt:

"De ambtenaar die in de uitoefening van zijn bediening, als verschuldigd aan hemzelf, aan een ander ambtenaar of aan enige openbare kas, vordert of ontvangt of bij een uitbetaling terughoudt hetgeen hij weet dat niet verschuldigd is, wordt, als schuldig aan knevelarij, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie."

3.6. Volgens de Memorie van Toelichting behelst deze bepaling het volgende, voorzover hier van belang:

"Tot het wezen der knevelarij wordt vereischt:

1. dat de ambtenaar iets vordert of ontvangt hetgeen hij wist niet verschuldigd te zijn;

2. dat hij dit in de uitoefening zijner bediening doet;

3. dat hij het heeft doen voorkomen alsof het gevorderde of ontvangene werkelijk verschuldigd was, hetzij aan hem zelven, hetzij aan een ander ambtenaar, hetzij aan eene openbare kas."

(Smidt III, p. 70)

3.7. Aan de orde is de vraag wat in de genoemde bepaling moet worden verstaan onder de woorden "in de uitoefening van zijn bediening". De Hoge Raad heeft zich over die vraag uitgesproken bij arrest van 17 oktober 1892, W 6275. Onder verwijzing naar onder meer dat arrest neemt het middel tot uitgangspunt dat de verdachte de vordering tot betaling niet deed "in de uitoefening van zijn bediening" aangezien niet is kunnen blijken dat de verdachte "belast was met het innen van leges voor een huwelijk noch dat het innen van geld ten behoeve van de vreemdelingendienst tot zijn takenpakket behoorde". Daarmee wordt het standpunt ingenomen dat de ambtenaar om strafbaar te zijn gedragingen moet hebben verricht die rechtstreeks voortvloeien uit de aan zijn ambt verbonden taakuitoefening en bevoegdheden.

3.8. Noch uit de tekst van art. 366 Sr noch uit de geschiedenis van de totstandkoming van die bepaling valt af te leiden dat de daar bedoelde gedragingen slechts strafbaar zijn in het in het middel voorgestane geval.

Een redelijke uitleg van die bepaling brengt mee dat met de bewoordingen "in de uitoefening van zijn bediening" niet de eis wordt gesteld dat de gedragingen van de ambtenaar rechtstreeks voortvloeien uit de aan zijn ambt verbonden taakuitoefening en bevoegdheden, maar dat zijn ambt hem tot het verrichten van die gedragingen in staat stelt.

3.9. Blijkens de gebezigde bewijsmiddelen heeft het Hof het volgende als vaststaand aangenomen.

[Betrokkene 1] en [betrokkene 2], die niet de Nederlandse nationaliteit bezit, hebben zich tot de verdachte als ambtenaar van de burgerlijke stand gericht in verband met hun voorgenomen huwelijk. In die hoedanigheid heeft de verdachte geconstateerd dat [betrokkene 2] niet rechtmatig in Nederland verbleef en heeft hij het doen voorkomen dat hij tegen betaling van fl 2.500,- voor een legale verblijfsstatus van [betrokkene 2] zou kunnen zorgen. Zonder dat [betrokkene 1] er iets van mocht weten, vroeg hij met hetzelfde doel ook nog van [betrokkene 2] de betaling van een bedrag van fl 2.000,-. [Betrokkene 1] en [betrokkene 2] hebben de bedragen ieder afzonderlijk aan de verdachte betaald.

3.10. In het licht van die vaststellingen, waaruit kan volgen dat de verdachte van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] de onverplichte betalingen heeft gevorderd en ontvangen terwijl zijn hoedanigheid van ambtenaar van de burgerlijke stand hem daartoe in staat stelde, getuigt het oordeel van het Hof dat de verdachte "in de uitoefening van zijn bediening" was in de betekenis die art. 366 Sr daaraan geeft, niet van een onjuiste rechtsopvatting. Dit oordeel is voorts niet onbegrijpelijk.

3.11. Het middel faalt.

4. Beoordeling van de overige middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

6. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens, A.M.J. van Buchem-Spapens, J.P. Balkema en B.C. de Savornin Lohman, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 25 februari 2003.