Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2003:AE9649

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11-02-2003
Datum publicatie
11-02-2003
Zaaknummer
02151/01
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2003:AE9649
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 278, geldigheid: 2003-02-11
Wetboek van Strafvordering 279, geldigheid: 2003-02-11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2003, 100
NBSTRAF 2003/100
JOL 2003, 89
NJ 2003, 390

Uitspraak

11 februari 2003

Strafkamer

nr. 02151/01

HJH/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 4 mei 2001, nummer 20/001784-00, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Hongarije) op [geboortedatum] 1948, zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Maastricht van 20 augustus 1999 - de verdachte ter zake van "handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III" en "handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie" veroordeeld tot vier maanden gevangenisstraf met verbeurdverklaring en onttrekking aan het verkeer zoals in het arrest omschreven.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.W. Koevoets, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot verwijzing van de zaak naar een aangrenzend hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel bevat de klacht dat het Hof de nietigheid van de dagvaarding in hoger beroep ten onrechte gedekt heeft geacht door de omstandigheid dat ter terechtzitting in hoger beroep een door de verdachte uitdrukkelijk gemachtigde advocaat is verschenen als bedoeld in art. 279 Sv.

3.2.1. Het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 21 april 2001 houdt voorzover hier van belang in dat de verdachte niet ter terechtzitting is verschenen en voorts:

"Bij wijze van preliminair verweer voert de raadsman het navolgende aan:

De dagvaarding in hoger beroep is niet op juiste wijze betekend aan mijn cliënt en dient mitsdien nietig te worden verklaard. Mijn cliënt woont te [plaats A], [plaatsnaam], aan de [b-straat 1]. De dagvaarding in hoger beroep is op 7 februari 2001 aangeboden op het adres Pompstationweg 32 te 's -Gravenhage, zijnde de Scheveningse gevangenis. De dagvaarding is blijkens de akte van uitreiking niet uitgereikt op laatstgenoemd adres omdat degene die zich op dat adres bevond de brief niet in ontvangst wilde nemen. Vervolgens is op 16 februari 2001 de dagvaarding in hoger beroep uitgereikt aan de waarnemend griffier van de rechtbank te 's-Hertogenbosch en als gewone brief verzonden aan het adres Pompstationweg 32 te 's-Gravenhage. Mijn cliënt stond ten tijde van de aanbieding en uitreiking van de dagvaarding in hoger beroep weliswaar op laatstgenoemd adres ingeschreven, doch hij verbleef daar niet meer. Hij is op 4 augustus 1999 vervroegd in vrijheid gesteld. De dagvaarding in hoger beroep is ten onrechte niet (mede) uitgereikt op het adres van mijn cliënt te [plaats A]. Mijn cliënt is vermoedelijk niet op de hoogte van de zitting van heden. Ik heb nog geprobeerd contact met hem te krijgen maar dat is helaas niet gelukt. Ik heb wel contact gehad met de Brusselse advocaat van mijn cliënt.

In juli 2000 heb ik voor het laatst contact gehad met mijn cliënt. Ik heb toen met hem afgesproken dat ik het openbaar ministerie te zijner tijd zou verzoeken om een vrijgeleide, zodat hij in hoger beroep bij de behandeling van de zaak aanwezig kon zijn. Ik heb de advocaat-generaal bij brief van 20 februari 2001 verzocht om mijn cliënt een vrijgeleide te verstrekken. De door het openbaar ministerie verstrekte vrijgeleide is echter niet aan mijn cliënt, maar aan mij gericht.

De advocaat-generaal deelt mede:

Naar aanleiding van het schriftelijk verzoek van de raadsman van verdachte heb ik bij brief van 5 april 2001 aan de verdachte, die in Nederland als ongewenst vreemdeling is aangemerkt, een vrijgeleide verstrekt ten behoeve van het bijwonen van de zitting van heden. Ik heb de raadsman gevraagd naar het adres van de verdachte, maar deze wilde eerst contact met zijn cliënt alvorens hij diens adres zou verstrekken. De vrijgeleide is om die reden gericht aan de verdachte, doch toegezonden aan het adres van de raadsman. In de aanhef van de brief staat per abuis de naam van de raadsman vermeld. Uit de inhoud van de brief blijkt evenwel duidelijk dat de vrijgeleide betrekking heeft op de verdachte [verdachte].

Mijns inziens is de dagvaarding in hoger beroep op de juiste wijze betekend. De dagvaarding is betekend op het laatst bekende adres van verdachte, alwaar hij ook stond ingeschreven. Het door de raadsman thans genoemde adres van verdachte in België heb ik niet in het dossier aangetroffen, zodat er geen sprake is van een verdachte van wie de woon- of verblijfplaats in het buitenland bekend is.

Het hof trekt zich terug voor beraad in raadkamer.

Na beraad in raadkamer deelt de voorzitter mede:

Onder de voorliggende stukken bevindt zich een faxbericht d.d. 19 april 2001, afkomstig van de gemeentelijk basisadministratie van de gemeente Sittard, waarin wordt medegedeeld dat de verdachte met ingang van 6 maart 1998 is vertrokken naar de gemeente 's-Gravenhage. Blijkens een faxbericht van de gemeentelijke basisadministratie van de gemeente 's-Gravenhage van 19 april 2001 staat de verdachte sedert 6 maart 1998 ingeschreven op het adres

Pompstationweg 32 te 2597 JW te 's-Gravenhage. Aan dit faxbericht van de gemeente 's-Gravenhage is een geel handgeschreven briefje gehecht, gericht aan 'zittingsvoorber.', ondertekend met 'LV' en gedateerd 27 maart 2001. Op dit briefje staat vermeld dat de Pompstationweg te Den Haag het adres van de Scheveningse gevangenis betreft. Tevens wordt in dit briefje verzocht om na te gaan wanneer de verdachte aldaar vertrokken is en wordt vermeld dat de raadsman van verdachte, mr. Koevoets, is gebeld en dat deze zal terugbellen over het juiste adres. Tenslotte is aan dit faxbericht gehecht een ongedateerd handgeschreven briefje waarin staat vermeld:

"VI: 4-9-99" en adres:

[b-straat 1], te [plaatsnaam] ([plaats A]) België, PC: [...]." Het hof stelt vast dat het adres van de verdachte in België zich in het dossier bevindt. De voorzitter verzoekt de advocaat-generaal om een toelichting op de herkomst en inhoud van de voornoemde handgeschreven stukken.

De advocaat-generaal deelt mede:

Het briefje van 27 maart 2001 heb ik geschreven en is gericht aan de afdeling zittingsvoorbereiding van het ressortsparket. Uit VIPS-controle was gebleken dat verdachte sedert 1999 niet meer gedetineerd was. De raadsman van verdachte wilde mij het adres van de verdachte in het buitenland niet verstrekken. Vervolgens is er op mijn verzoek contact opgenomen met de penitentiaire inrichting Scheveningen. Aldaar werd medegedeeld dat de verdachte in [plaats A] woonachtig zou zijn. Het door de penitentiaire inrichting opgegeven adres van verdachte in [plaats A] zoals vermeld op het handgeschreven briefje, is het adres dat hij aldaar vier jaar geleden - bij zijn intake - heeft opgegeven. Dit stuk was mij tevoren niet bekend en is kennelijk eerst korte tijd geleden aan het dossier toegevoegd.

De raadsman van verdachte voert aan - zakelijk weergegeven -:

Mijn cliënt heeft steeds in [plaats A] gewoond. Ik handhaaf mijn preliminair verweer. De betekening van de dagvaarding in hoger beroep is niet op juiste wijze geschied, nu er ten tijde van de betekening sprake was van een, ook voor justitie, bekend adres van mijn cliënt in het buitenland en betekening niet mede op dat adres heeft plaatsgehad. Ik ben van mening dat de appeldagvaarding om deze reden nietig dient te worden verklaard.

Desgevraagd deelt de raadsman van verdachte mede - zakelijk weergegeven -:

Ik ben door de verdachte uitdrukkelijk gevolmachtigd om hem ter terechtzitting te verdedigen (opm. griffier: de raadsman toont de schriftelijke machtiging aan het hof). Ik treed heden op als bepaaldelijk gevolmachtigd advocaat.

Het hof stemt daarmee in. Het hof trekt zich vervolgens terug voor beraad in raadkamer.

Na beraad in raadkamer deelt de voorzitter als beslissing van het hof op het preliminair verweer van de raadsman, strekkende tot nietigheid van de dagvaarding in hoger beroep, mede:

Een eventuele nietigheid van de dagvaarding in hoger beroep wordt gedekt door het feit dat de raadsman verdachte heden ter terechtzitting optreedt als bepaaldelijk gemachtigde raadsman zoals bedoeld in artikel 279, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering. De behandeling van een zaak tegen de verdachte die zijn advocaat tot zijn verdediging heeft gemachtigd, geldt ingevolge het bepaalde in het tweede lid van voornoemd artikel als een procedure op tegenspraak. Het hof ziet mitsdien geen aanleiding voor een nietigverklaring van de dagvaarding in hoger beroep. Het preliminair verweer van de raadsman wordt verworpen.

3.2.2. Bij zijn arrest heeft het Hof een herhaald verweer, strekkende tot nietverklaring van de dagvaarding in hoger beroep, wederom verworpen met een beroep op het verschijnen ter terechtzitting van de gemachtigde raadsman.

3.3. De regeling van art. 279 Sv komt daarop neer dat, wanneer een advocaat ter terechtzitting heeft verklaard dat hij door de aldaar niet verschenen verdachte uitdrukkelijk is gemachtigd tot het voeren van de verdediging, en de rechter met een behandeling van de zaak buiten tegenwoordigheid van de verdachte heeft ingestemd, de raadsman alle hem bij de wet toegekende rechten en bevoegdheden kan uitoefenen, dus met inbegrip van de bevoegdheden bedoeld in art. 331, eerste lid, Sv. In deze gevallen geldt de behandeling van de zaak naar luid van het tweede lid van art. 279 Sv als een procedure op

tegenspraak, hetgeen - naar uit de wetsgeschiedenis als bedoeling van de wetgever blijkt - meebrengt dat het instellen van een rechtsmiddel binnen veertien dagen na de einduitspraak dient te geschieden.

3.4. In deze zaak is de vraag aan de orde of, in het geval dat de verdachte niet ter terechtzitting is verschenen, de aanwezigheid aldaar van een gemachtigde raadsman de nietigheid van de dagvaarding dekt.

3.5.1. Vooropgesteld zij dat de betekeningsvoorschriften strekken tot bescherming van het belang dat zoveel mogelijk wordt voorkomen dat een verdachte buiten zijn schuld onbekend blijft met het feit dat een tegen hem lopende strafzaak ter terechtzitting aanhangig is gemaakt, dientengevolge niet verschijnt en daardoor in zijn verdediging kan worden benadeeld.

3.5.2. Art. 278 Sv houdt in dat de rechter de geldigheid van de uitreiking van de dagvaarding aan de niet verschenen verdachte onderzoekt en dat, indien blijkt dat de dagvaarding niet op rechtsgeldige wijze is uitgereikt, de rechter de nietigheid daarvan uitspreekt. Slechts indien de dagvaarding op geldige wijze is betekend en de rechter het zelf niet wenselijk acht dat de verdachte alsnog ter terechtzitting verschijnt en de rechter evenmin aanleiding ziet om een eventueel verzoek van de verdachte om schorsing van de behandeling toe te wijzen, kan ingevolge art. 280 Sv, na verstekverlening, de behandeling van de zaak worden voortgezet, waarbij de vraag aan de orde komt of, en zo ja onder welke voorwaarden de wel verschenen raadsman de verdediging kan voeren.

3.5.3. Uit de wetsgeschiedenis van de Wet van 15 januari 1998, Stb. 33, waarbij het huidige art. 279 Sv in het Wetboek van Strafvordering is gevoegd, blijkt dat de wetgever in de eerste plaats beoogde een regeling met betrekking tot de verdediging in verstekzaken tot stand te brengen die zou voldoen aan de eisen van art. 6 EVRM (Kamerstukken II 1996-1997, 24 692, nr. 3, blz. 9, 10).

3.5.4. Genoemde wetsgeschiedenis bevat geen aanknopingspunt voor de opvatting, dat de wetgever aan art. 279 Sv een zo vergaande werking heeft willen geven, dat het bestaande hiervoor onder 3.5.2 weergegeven stelsel voortaan in die zin zou moeten worden begrepen, dat in het geval dat de verdachte niet, maar een gemachtigde raadsman wel ter terechtzitting aanwezig is, op grond van laatstgenoemde omstandigheid een onderzoek naar de geldigheid van de betekening van de dagvaarding zou kunnen uitblijven.

3.5.5. Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat onjuist is de opvatting dat het verschijnen ter terechtzitting van een gemachtigde raadsman de nietigheid van de dagvaarding wegens een betekeningsgebrek dekt.

3.6. Het voorgaande brengt mee dat het Hof, dat er geen blijk van heeft gegeven naar aanleiding van het desbetreffende verweer de geldigheid van de appèldagvaarding te hebben onderzocht, de verwerping van het verweer strekkende tot nietigverklaring van de appèldagvaarding niet naar de eis der wet met redenen heeft omkleed.

3.7. Voorzover het middel daarover klaagt is het terecht voorgesteld.

4. Slotsom

Het voorgaande brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, de overige middelen geen bespreking behoeven en als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt het bestreden arrest;

Verwijst de zaak naar het Gerechtshof te Arnhem opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens, A.M.J. van Buchem-Spapens, A.J.A. van Dorst en W.A.M. van Schendel, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 11 februari 2003.