Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2003:AE9398

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-01-2003
Datum publicatie
10-01-2003
Zaaknummer
C02/031HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2003:AE9398
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2003, 19
NJ 2003, 165
RvdW 2003, 13
FED 2003/286
JWB 2003/20
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10 januari 2003

Eerste Kamer

Nr. C02/031HR

JMH

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiseres], wonende te [woonplaats],

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. J.A. Meijer,

t e g e n

VOLTA LIMBURG B.V., gevestigd te Landgraaf,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. J. Wuisman.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiseres tot cassatie - verder te noemen: [eiseres] - heeft bij exploit van 25 februari 2000 verweerster in cassatie - verder te noemen: Volta - gedagvaard voor de Kantonrechter te Heerlen. Na wijziging van eis heeft [eiseres] gevorderd Volta primair te veroordelen aan haar terug te betalen het onverschuldigd betaalde bedrag ad ƒ 726,44, alsmede de buitengerechtelijke kosten tot op de dag van dagvaarding begroot op ƒ 3.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente. Subsidiair heeft [eiseres] gevorderd dat, indien mocht komen vast te staan dat zij niet onverschuldigd betaald, de Kantonrechter de gevolgen van de overeenkomst uit hoofde van dwaling wijzigt, in dier voege, dat het betaalde bedrag van ƒ 726,44, vermeerderd met de primair gevorderde kosten en rente, aan [eiseres] wordt terugbetaald.

Volta heeft de vordering bestreden.

De Kantonrechter heeft bij vonnis van 10 januari 2001 de vordering afgewezen.

Tegen dit vonnis heeft [eiseres] hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Maastricht.

Bij vonnis van 18 oktober 2001 heeft de Rechtbank het bestreden vonnis - voor zoveel nodig met aanvulling van gronden - bekrachtigd.

Het vonnis van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het vonnis van de Rechtbank heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Volta heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor Volta mede door mr. J.A.M.A. Sluysmans, advocaat bij de Hoge Raad.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L.A.D. Keus trekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Van 1 november 1989 tot 1 december 1994 huurde [eiseres] van Volta een cv-ketel, staande in de woning aan de [a-straat 1] te [woonplaats]. Over deze periode is haar omzetbelasting over het huurbedrag in rekening gebracht (18,5% van 17 oktober 1989 tot 1 oktober 1992 en 17,5% vanaf 1 oktober 1992) voor een totaalbedrag van ƒ 726,44. [Eiseres] heeft de haar in rekening gebrachte bedragen aan Volta voldaan.

3.2 Voor de Kantonrechter heeft [eiseres] - voor zover in cassatie van belang - primair gevorderd Volta te veroordelen tot terugbetaling van het onverschuldigd betaalde bedrag van ƒ 726,44, en subsidiair de gevolgen van de overeenkomst (van huur en verhuur van de cv-ketel) uit hoofde van dwaling te wijzigen in dier voege dat het betaalde bedrag van ƒ 726,44 aan [eiseres] wordt terugbetaald.

Aan haar vorderingen heeft [eiseres] het volgende ten grondslag gelegd. Art. 11 lid 1 letter b van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB 1968) bepaalt dat verhuur van onroerende zaken is vrijgesteld van heffing van omzetbelasting. De cv-ketel, een bestanddeel van de woning, heeft als een onroerende zaak te gelden, en de verhuurder daarvan is vrijgesteld van heffing van omzetbelasting. [Eiseres] kan derhalve geen omzetbelasting verschuldigd zijn geworden en heeft dan ook te veel betaald. Voor het aldus betaalde is geen rechtsgrond aanwezig. In ieder geval heeft [eiseres] gedwaald. Ten tijde van het aangaan van de overeenkomst had [eiseres] een onjuiste voorstelling van zaken met betrekking tot de (on)mogelijkheid omzetbelasting te heffen over de verhuur van in woningen geplaatste en daardoor onroerend geworden cv-ketels. Als zij geweten had dat zij geen omzetbelasting verschuldigd was, zou zij de overeenkomst niet zijn aangegaan.

De Kantonrechter heeft de vorderingen afgewezen. De Rechtbank heeft het vonnis van de Kantonrechter - met verbetering van gronden - bekrachtigd.

3.3.1 In rov. 4.2 heeft de Rechtbank als volgt overwogen.

"Ten aanzien van de eerste vraag overweegt de rechtbank dat vast staat, als enerzijds gesteld en anderzijds niet betwist, dat hetgeen door Volta aan [eiseres] aan huurpenningen in rekening werd gebracht en hetgeen door [eiseres] aan Volta als zodanig werd betaald overeenstemde met hetgeen terzake - al dan niet stilzwijgend - door partijen was overeengekomen. Het afgesproken bedrag werd door Volta in rekening gebracht en door [eiseres] betaald. Het doet daarbij naar het oordeel van de rechtbank verder niet ter zake, hoe dat bedrag precies was opgebouwd en of daar al of niet BTW bij was inbegrepen. Het betalen van die huurprijs berustte op een verbintenis die [eiseres] bij het aangaan van de huurovereenkomst op zich had genomen en kan alleen daarom al niet als onverschuldigd worden aangemerkt: deze verbintenis uit de huurovereenkomst vormde de rechtsgrond voor het verrichten van de betaling van de overeengekomen huur."

De onderdelen 2 en 3 - onderdeel 1 bevat geen klacht - richten zich tegen deze overweging.

3.3.2 Onderdeel 2 betoogt dat vaststaat dat Volta naast de huurpenningen ook omzetbelasting heeft berekend, en dat de Rechtbank dan ook heeft miskend dat de prijs die [eiseres] aan Volta betaalde bestond uit twee onderdelen: de huurprijs en de in zijn algemeenheid uit hoofde van de wet verschuldigde omzetbelasting. Op grond van het arrest van de Hoge Raad van 8 september 1993, nr. 28993, BNB 1993/308, is de verbintenis, aldus het onderdeel, tot het betalen van omzetbelasting door vernietiging getroffen, zodat [eiseres] de bedragen die zij aan omzetbelasting heeft voldaan als onverschuldigd betaald kan terugvorderen.

In rov. 4.2 ligt besloten het oordeel van de Rechtbank dat de vraag wat te gelden heeft ter zake van het in rekening brengen van omzetbelasting door Volta aan [eiseres], moet worden beantwoord aan de hand van de tussen deze partijen gesloten huurovereenkomst. De Rechtbank heeft kennelijk geoordeeld dat die overeenkomst de rechtsgrond vormde van de door [eiseres] gedane betalingen, ook voorzover deze de haar ter zake van omzetbelasting in rekening gebrachte bedragen omvatten. Anders dan het onderdeel veronderstelt, laat de omstandigheid dat over de verhuur van onroerende zaken geen omzetbelasting verschuldigd is, de door [eiseres] jegens Volta aangegane verbintenis tot betaling van omzetbelasting onaangetast (vgl. HR 15 november 1996, nr. 16 105, NJ 1997, 160). Het onderdeel faalt derhalve.

3.3.3 Onderdeel 3 klaagt over de onbegrijpelijkheid van het eveneens in rov. 4.2 vervatte oordeel dat niet ter zake doet hoe het door Volta in rekening gebrachte bedrag was opgebouwd en of daar al dan niet omzetbelasting bij was inbegrepen. Het onderdeel betoogt dat de Rechtbank te veel vasthoudt aan het begrip "de prijs" en miskent dat ten onrechte aan particulieren als [eiseres] berekende omzetbelasting, niets anders inhoudt dan een te hoge prijs, omdat particulieren omzetbelasting niet kunnen verrekenen.

Het onderdeel faalt. Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft de Rechtbank de overeenkomst tussen partijen aldus opgevat dat [eiseres] zich heeft verbonden tot betaling van een vaste prijs, en dat het al dan niet verschuldigd zijn van omzetbelasting door Volta geen gevolgen heeft voor de verschuldigdheid van deze prijs.

3.4.1 In rov. 4.4 heeft de Rechtbank als volgt overwogen:

"Ten aanzien van de tweede vraag overweegt de rechtbank dat op grond van wat door [eiseres] is aangevoerd niet kan worden geconcludeerd dat zij ten tijde van het aangaan van de huurovereenkomst een verkeerde voorstelling van zaken heeft gehad omtrent het al dan niet verschuldigd zijn van BTW over de huur van de CV-ketel. Uit niets is gebleken dat die vraag op dat moment zelfs maar aan de orde is geweest of bij de overwegingen van [eiseres] een rol heeft gespeeld. Daaraan doet niet af hetgeen later op dit punt ter discussie is gekomen, in jurisprudentie is vastgesteld, of uiteindelijk in nieuw beleid van de Staatssecretaris van Financiën is neergelegd. Op het moment van het sluiten van de overeenkomst tussen [eiseres] en Volta was dat alles nog toekomst. En een onjuiste inschatting van dergelijke toekomstige ontwikkelingen, zo daarvan al sprake is geweest, kan in geen geval grond voor vernietiging, c.q. wijziging van de inhoud van een overeenkomst opleveren."

De onderdelen 4 en 5 richten zich tegen deze overweging.

3.4.2 In onderdeel 4 wordt gesteld dat de bij conclusie van antwoord door Volta overgelegde brief van 2 april 1998 van de Belastingdienst Grote Ondernemingen Maastricht, gericht aan de N.V. Maatschappij voor elektriciteit en gas Limburg, slechts een laatste waarschuwing van de Belastingdienst inhoudt dat aan toepassing van art. 37 Wet OB 1968 de hand zal worden gehouden, en dat die brief niets van doen heeft met de rechtsrelatie tussen [eiseres] en Volta. Het onderdeel betoogt dat voorzover de Rechtbank aan de brief een andere uitleg heeft gegeven, de Rechtbank blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans de gegeven uitleg onbegrijpelijk is.

Het onderdeel kan bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden. Uit de hiervoor opgenomen rov. 4.4 blijkt niet dat de Rechtbank enige betekenis aan genoemde brief heeft toegekend.

3.4.3 Onderdeel 5 bevat twee klachten. De eerste klacht is dat de Rechtbank de vordering van [eiseres] uit hoofde van dwaling ten onrechte heeft afgewezen. Het onderdeel betoogt dat het arrest van de Hoge Raad van 8 september 1993, nr. 28993, BNB 1993/308, betrekking heeft op de periode dat [eiseres] de cv-ketel huurde, en dat zij (en mogelijk ook Volta) daarom bij het aangaan van de huurovereenkomst wel degelijk een verkeerde voorstelling van zaken had met betrekking tot het al dan niet verschuldigd zijn van omzetbelasting.

Het beroep van [eiseres] op dwaling komt erop neer dat zij bij het aangaan van de overeenkomst van een onjuiste voorstelling van zaken is uitgegaan met betrekking tot het al dan niet verschuldigd zijn van omzetbelasting. Dat was niet "een uitsluitend toekomstige omstandigheid" als bedoeld in art. 6:228 lid 2 BW. Voorzover de Rechtbank in rov. 4.4 heeft aangenomen dat van dwaling geen sprake kon zijn, omdat pas ná het sluiten van de onderhavige overeenkomst door de jurisprudentie van de Hoge Raad en het beleid van de Staatssecretaris duidelijk was geworden dat geen omzetbelasting verschuldigd was over de verhuur van de cv-ketel, geeft dat oordeel dan ook blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het onderdeel is in zoverre gegrond. Tot cassatie kan dit evenwel niet leiden. De Rechtbank heeft het beroep van [eiseres] op dwaling niet slechts afgewezen op de grond dat de dwaling een uitsluitend toekomstige omstandigheid betrof, doch heeft aan dat oordeel mede ten grondslag gelegd dat uit niets is gebleken dat [eiseres] bij het aangaan van de overeenkomst een verkeerde voorstelling van zaken had over de verschuldigdheid van omzetbelasting, dat die verschuldigdheid in het geheel niet aan de orde is geweest of een rol heeft gespeeld bij de overwegingen van [eiseres]. Aldus sluit het in rov. 4.4 vervatte oordeel geheel aan bij de tevergeefs bestreden rov. 4.2. De onjuiste voorstelling met betrekking tot de verschuldigdheid van omzetbelasting was derhalve verdisconteerd in de overeenkomst en kon dus niet met succes aan het beroep op dwaling ten grondslag worden gelegd.

3.4.4 De tweede klacht van onderdeel 5 acht onbegrijpelijk de overweging in rov. 4.4 dat uit niets is gebleken dat de vraag over het al dan niet verschuldigd zijn van omzetbelasting bij de overwegingen van [eiseres] een rol heeft gespeeld. Het onderdeel betoogt dat [eiseres] zowel in de inleidende dagvaarding als in de memorie van grieven nadrukkelijk heeft gesteld dat zij de overeenkomst niet zou zijn aangegaan als zij op dat tijdstip zou hebben geweten dat zij ten onrechte ook omzetbelasting zou moeten betalen aan Volta.

De klacht faalt. De enkele omstandigheid dat een partij later wetenschap krijgt van een gegeven of een omstandigheid die voor haar reden zou zijn geweest om een eerder gesloten overeenkomst niet of niet onder dezelfde voorwaarden te hebben gesloten, impliceert geenszins dat voor die partij een beroep op dwaling mogelijk is.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Volta begroot op € 301,33 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R. Herrmann als voorzitter en de raadsheren A.E.M. van der Putt-Lauwers, J.B. Fleers, A. Hammerstein en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 10 januari 2003.