Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2003:AE9387

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
28-02-2003
Datum publicatie
06-03-2003
Zaaknummer
C01/152HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2003:AE9387
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2003, 260
NBSTRAF 2003/260
JOL 2003, 123
NJ 2003, 643
RvdW 2003, 43
JWB 2003/85

Uitspraak

28 februari 2003

Eerste Kamer

Nr. C01/152HR

AT

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie), gevestigd te 's-Gravenhage,

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. G. Snijders,

t e g e n

1. [Verweerster 1], gevestigd te [vestigingsplaats],

2. [Verweerder 2], wonende te [woonplaats], België,

3. [Verweerder 3], wonende te [woonplaats], België,

4. [Verweerster 4], wonende te [woonplaats],

VERWEERDERS in cassatie,

advocaat: mr. E. Grabandt.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerders in cassatie - verder te noemen: [verweerder] c.s. - hebben bij exploit van 15 juni 1999 eiser tot cassatie - verder te noemen: de Staat - en de Officier van Justitie te Roermond mr. E.E. van der Bijl - verder te noemen: de Officier van Justitie - in kort geding gedagvaard voor de Rechtbank te 's-Gravenhage. [verweerder] c.s. hebben gevorderd:

a. aan de Staat en de Officier van Justitie op te dragen [verweerder] c.s. en hun raadslieden in de gelegenheid te stellen aanwezig te zijn bij de uitvoering van het in de inleidende dagvaarding genoemde rechtshulpverzoek, in het bijzonder door aan de Staat en de Officier van Justitie op te dragen onverwijld de identiteit van [verweerder] c.s., alsmede de noodzaak van hun aanwezigheid om de rechten van de verdediging ten volle te kunnen uitoefenen, aan de Canadese autoriteiten kenbaar te maken;

b. aan de Staat en de Officier van Justitie op te dragen met alle middelen te bevorderen dat de uitvoering van het rechtshulpverzoek zal worden uitgesteld tot nader order, althans voor een termijn die aan [verweerder] c.s. en hun raadslieden de mogelijkheid biedt zich nader voor te bereiden op hun aanwezigheid bij de uitvoering van het rechtshulpverzoek.

De Staat en de Officier van Justitie hebben de vorderingen bestreden.

De President heeft bij vonnis van 18 juni 1999 [verweerder] c.s. niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen gericht tegen de Officier van Justitie en de vorderingen voor het overige afgewezen en [verweerder] c.s. veroordeeld in de kosten van het geding in eerste aanleg.

Tegen dit vonnis hebben [verweerder] c.s. hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage. Bij memorie van grieven hebben zij hun vordering tegen de Officier van Justitie ingetrokken.

Bij arrest van 29 maart 2001 heeft het Hof het bestreden vonnis vernietigd voor wat betreft de daarin opgenomen veroordeling van [verweerder] c.s. in de proceskosten en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de Staat veroordeeld in de kosten van de eerste instantie. Voorts heeft het Hof de Staat veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof heeft de Staat beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[Verweerder] c.s. hebben geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor [verweerder] c.s. mede door mr. J.P. Heering, advocaat bij de Hoge Raad.

De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, tot bekrachtiging van het vonnis van de President voor zover dit vonnis in hoger beroep is vernietigd, en tot veroordeling van [verweerder] c.s. in de kosten van het geding in hoger beroep en cassatie. De conclusie is aan dit arrest gehecht.

De advocaat van [verweerder] c.s. heeft bij brief van 31 oktober 2002 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie moet worden uitgegaan van het navolgende.

3.1.1 (i) Tegen [verweerder] c.s. als verdachten is een gerechtelijk vooronderzoek geopend naar valsheid in geschrift bij het verkrijgen van EU-exportrestituties bij uitvoer van kaas naar de Verenigde Staten van Amerika. Nadien heeft de Officier van Justitie te Roermond in het parallel lopend strafrechtelijk opsporingsonderzoek een rechtshulpverzoek aan Canada gedaan. Daarbij is onder meer verzocht een aantal getuigen onder ede te horen en een tweetal met name genoemde Nederlandse politiefunctionarissen toe te staan bij de getuigenverhoren aanwezig te zijn en aan hen afschriften van de op te maken processen-verbaal ter hand te stellen. Het rechtshulpverzoek vermeldt niet wie de raadslieden van [verweerder] c.s. zijn en bevat evenmin een verzoek [verweerder] c.s. en/of hun raadslieden bij de verhoren toe te laten.

(ii) De rechter te Canada heeft [verweerder] c.s. niet-ontvankelijk verklaard in hun verzoek het getuigenverhoor uit te stellen, opdat zij en/of hun raadslieden daarbij aanwezig zouden kunnen zijn.

(iii) De getuigen zijn overeenkomstig het verzoek van de Officier van Justitie in Canada onder ede gehoord, buiten aanwezigheid van [verweerder] c.s. en/of hun raadslieden.

3.1.2 [Verweerder] c.s. hebben de Staat in kort geding gedagvaard voor de President van de Rechtbank te 's-Gravenhage. De vorderingen strekten ertoe, kort samengevat, de Staat op te dragen aan de Canadese autoriteiten kenbaar te maken zowel de identiteit van [verweerder] c.s. en hun raadslieden, als de noodzaak dat [verweerder] c.s. en/of hun raadslieden in de gelegenheid worden gesteld aanwezig te zijn bij de getuigenverhoren om de rechten van de verdediging ten volle te kunnen uitoefenen. De President heeft de vorderingen tegen de Staat afgewezen. Daarbij heeft de President onder meer overwogen dat de verdediging in het kader van het gerechtelijk vooronderzoek in de gelegenheid zal zijn de getuigen (zo nodig opnieuw) te doen horen.

3.1.3 Tegen het vonnis van de President hebben [verweerder] c.s. zes grieven gericht. In hoger beroep hebben [verweerder] c.s. hun vorderingen tegen de Staat gehandhaafd, hoewel de getuigenverhoren in Canada inmiddels hadden plaatsgevonden.

3.1.4 Voorzover in cassatie van belang, hebben [verweerder] c.s., naar het Hof in rov. 4 van zijn arrest heeft vermeld, aan hun vorderingen ten grondslag gelegd dat het rechtshulpverdrag tussen Nederland en Canada, de beginselen van een goede procesorde, de gewekte verwachtingen tijdens overleg tussen raadslieden, Rechter-Commissaris en Officier van Justitie alsmede art. 6 EVRM meebrengen dat de Staat de Canadese autoriteiten op de hoogte stelt van de identiteit van de raadslieden van [verweerder] c.s. en van hun verzoek bij de onder ede te houden verhoren aanwezig te zijn. Volgens [verweerder] c.s. handelde de Staat jegens hen onrechtmatig door in het rechtshulpverzoek niet (zo) zeker (mogelijk) te stellen dat de verdediging bij die verhoren aanwezig zou zijn.

3.1.5 Het Hof heeft de onder 3.1.2 weergegeven vorderingen niet toewijsbaar geoordeeld, omdat de getuigenverhoren in Canada reeds hadden plaatsgevonden. In verband met de proceskostenveroordeling in eerste aanleg hebben [verweerder] c.s. volgens het Hof belang behouden bij hun hoger beroep. Het Hof heeft grief III en grief IV (gedeeltelijk) verworpen. Deze verwerping is in cassatie niet meer aan de orde. Het Hof heeft de grieven I, II en IV - grief IV gedeeltelijk - gegrond bevonden. Het Hof heeft geoordeeld dat de President de vorderingen van [verweerder] c.s. ten onrechte heeft afgewezen en heeft het vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling in eerste aanleg vernietigd en de Staat veroordeeld in de proceskosten van beide instanties. De grieven V en VI heeft het Hof buiten behandeling gelaten.

3.2.1 Bij de beoordeling van het middel is van belang art. 6, derde lid, aanhef en onder d, EVRM.

Deze bepaling luidt:

"Everyone charged with a criminal offence has the following minimum rights:

(...)

d. to examine or have examined witnesses against him and to obtain the attendance and examination of witnesses on his behalf under the same conditions as witnesses against him;".

3.2.2 Voorts is van belang het - voor Nederland op 1 mei 1992 in werking getreden - Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Canada inzake wederzijdse rechtshulp in strafzaken van 1 mei 1991 (Trb. 1991, 85), hierna: het Verdrag.

Dit Verdrag houdt onder meer de volgende bepalingen in:

- Art. 5, tweede lid:

"Verzoeken om rechtshulp bevatten, indien van toepassing, tevens het volgende:

a. de identiteit, de nationaliteit en de woon- of verblijfplaats van de persoon of personen op wie het onderzoek of de vervolging betrekking heeft;

b. een mededeling of onder ede of belofte afgelegde verklaringen worden verlangd;

(...)".

- Art. 7:

"Een verzoek wordt voortvarend en in overeenstemming met het recht van de aangezochte Staat uitgevoerd. De in het verzoek aangegeven procedures worden gevolgd, ook indien deze de aangezochte Staat onbekend zijn, behalve voor zover de wetten van de aangezochte Staat zulks verbieden."

- Art. 9:

"1. Wanneer wordt verzocht een persoon een getuigenverklaring te laten afleggen, kan de verzoekende Staat verlangen dat de verklaring door die persoon wordt afgelegd onder ede of belofte. Hiertoe wordt die persoon, indien nodig, gedagvaard om te verschijnen en te verklaren volgens de wet van de aangezochte Staat.

2. Ongeacht of wordt verzocht de getuigenverklaring door een persoon te laten afleggen onder ede of belofte:

(...)

b. kan de aangezochte Staat toestaan dat de verdachte, de raadsman van de verdachte en bevoegde autoriteiten van de verzoekende Staat, als vermeld in het verzoek, bij de tenuitvoerlegging van het verzoek aanwezig zijn;

c. staat de bevoegde autoriteit van de aangezochte Staat toe dat aan de persoon die is opgeroepen om te getuigen vragen worden gesteld door iedere persoon wie het is toegestaan aanwezig te zijn bij de tenuitvoerlegging van het verzoek;

(...)".

De Toelichtende Nota bij de brief van de Minister van Buitenlandse Zaken, waarbij het Verdrag ter stilzwijgende goedkeuring aan de Staten-Generaal is aangeboden, houdt onder meer in:

"Artikel 9 regelt het op verzoek van de verzoekende Staat horen van getuigen in de aangezochte Staat. (...) Het verhoor vindt volgens het nationale recht van de aangezochte Staat plaats, door en onder leiding van de autoriteiten van de aangezochte Staat. Zij alleen zijn ook verantwoordelijk voor het verloop ervan.

De verzoekende Staat kan verzoeken dat de getuige onder ede of belofte wordt gehoord. (...)

Het tweede lid, geeft mogelijkheden voor een zekere participatie van de verzoekende Staat in het verhoor van de getuige. Het bepaalde onder c komt tegemoet aan het volgens het in Canada geldende common law bestaande recht op "cross examination""

(Staten-Generaal, 1991-1992, 22 489 (R 1426), nrs. 184 en 1, blz. 6).

3.3 Het Hof heeft zijn oordeel dat de President de vorderingen van [verweerder] c.s. ten onrechte heeft afgewezen, gegrond op overwegingen die op het volgende neerkomen.

Het onthouden van de mogelijkheid aan de verdediging om aanwezig te zijn bij de getuigenverhoren waarbij getuigen hun verklaring onder ede (onderstreping van het Hof) afleggen in aanwezigheid (en mede op vragen) van opsporingsambtenaren, is in strijd met de in art. 6 EVRM (en met name het derde lid, onder d) gestelde eisen van fair trial, doordat de verdediging bij het verhoor niet aanwezig is geweest en van haar kant geen vragen aan de getuige heeft kunnen (doen) stellen (rov. 6.1). Getuigen verklaren naar aanleiding van aan hen gestelde vragen. Verklaringen van getuigen, afgelegd op vragen van opsporingsambtenaren, zonder dat de verdediging de gelegenheid heeft gekregen aspecten te doen belichten die zij van belang acht, zijn eenzijdig. De in het Nederlandse systeem van strafvordering aan een getuige geboden mogelijkheid om zijn in het opsporingsonderzoek tegenover een opsporingsambtenaar niet onder ede afgelegde verklaring later, hetzij in het gerechtelijk vooronderzoek, hetzij ter terechtzitting - telkens onder leiding van een rechter (van wie mag worden verwacht dat hij minder eenzijdig ondervraagt dan een opsporingsambtenaar) - te nuanceren of daarop terug te komen, acht het Hof te zeer beperkt indien de getuige zich bij een later verhoor, onder druk van het verwijt meineed te plegen, gebonden voelt aan zijn eerdere in het opsporingsonderzoek onder ede afgelegde verklaring (rov 6.2). Uit art. 9, tweede lid onder b, van het Verdrag leidt het Hof af dat de verdediging bij de getuigenverhoren aanwezig had kunnen zijn, indien daarom in het rechtshulpverzoek was verzocht. Nu in dit geval de Officier van Justitie ervoor heeft gekozen de te horen getuigen hun verklaringen onder ede te doen afleggen, behoorde de verdediging in de gelegenheid te worden gesteld bij de verhoren aanwezig te zijn. De Staat had daarom zijn medewerking aan die aanwezigheid niet mogen weigeren (rov. 6.3).

3.4.1 Onderdeel b van het middel bestrijdt het onder 3.3 weergegeven oordeel van het Hof met de klacht dat het Hof heeft miskend dat aan de eisen van art. 6 EVRM genoegzaam wordt voldaan indien de verdediging in enig stadium van het strafgeding de gelegenheid heeft gehad om de getuigen te (doen) ondervragen, ook als de getuigen in het kader van een rechtshulpverzoek in het buitenland onder ede zijn gehoord, en dat het Hof daarom heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, althans zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd.

3.4.2 Vooropgesteld moet worden dat art. 9 van het Verdrag Nederland als de verzoekende Staat niet verplicht bij een rechtshulpverzoek als het onderhavige te verzoeken de verdachte en/of zijn raadsman bij de verzochte getuigenverhoren tegenwoordig te doen zijn teneinde de getuigen te (doen) ondervragen, zomin als deze bepaling de verdachte en/of zijn raadsman het recht daarop toekent.

Zodanig (algemeen) recht om in het kader van het (parallel) opsporingsonderzoek bij getuigenverhoren aanwezig te zijn kan de verdediging ook niet ontlenen aan bepalingen van het Wetboek van Strafvordering of enige andere regel van Nederlands recht.

3.4.3 Het bepaalde in art. 6, derde lid, aanhef en onder d, EVRM behelst de waarborg dat de verdachte in enig stadium van het strafgeding een behoorlijke en adequate gelegenheid wordt geboden om getuigen à charge te onder-vragen of te doen ondervragen.

3.4.4 Uit het vorenstaande vloeit voort dat het antwoord op de vraag of genoemde verdragsbepaling is geschonden in beginsel een beoordeling van de gehele strafprocedure vergt en dus in het algemeen niet op voorhand, dat wil zeggen reeds in een aan het eindonderzoek ter terechtzitting voorafgaand stadium van het geding, kan worden beantwoord.

3.4.5 Het Hof heeft het zojuist in 3.4.4 overwogene op zichzelf niet miskend, zoals volgt uit hetgeen het Hof in rov. 6.2 ten aanzien van "het Nederlandse systeem van strafvordering" heeft overwogen, zoals hiervoor weergegeven in 3.3.

3.4.6 Het hof heeft evenwel geoordeeld dat het in het parallel lopende strafrechtelijk opsporingsonderzoek in Canada onder ede afleggen van getuigenverklaringen in aanwezigheid (en mede op vragen) van Nederlandse opsporingsambtenaren, zonder dat de verdediging de gelegenheid is geboden om bij dat getuigenverhoor aanwezig te zijn en aan de getuigen vragen te (doen) stellen, in strijd is met de in art. 6, derde lid, aanhef en onder d, EVRM gestelde eisen van "fair trial" (rov. 6.1). Dit oordeel is onjuist, aangezien de enkele omstandigheid dat in een voorstadium van het strafgeding een verhoor onder ede in het buitenland heeft plaatsgevonden buiten aanwezigheid van de verdediging, een en ander zoals zojuist vermeld, nog niet meebrengt dat de verdachte onherstelbaar is beknot in het hem door art. 6, derde lid, aanhef en onder d, EVRM toegekende recht om die getuigen in enige latere fase van het strafgeding te ondervragen of te doen ondervragen.

3.5 Onderdeel b is in zoverre gegrond. De bestreden uitspraak kan derhalve niet in stand blijven. Bij deze stand van zaken behoeft het middel voor het overige geen bespreking meer.

3.6. De Hoge Raad zal de zaak zelf afdoen. Uit het voorgaande volgt dat de grieven I en II en grief IV, voorzover door het Hof gegrond bevonden, alsnog moeten worden verworpen. Grief V en grief VI kunnen op de gronden als in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.13 en 3.14 vermeld niet tot vernietiging van het vonnis leiden.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak voorzover daarbij het vonnis van de President van de Rechtbank te 's-Gravenhage van 18 juni 1999 wat betreft de veroordeling van [verweerder] c.s. in de proceskosten in eerste aanleg is vernietigd en de Staat in die proceskosten is veroordeeld;

bekrachtigt voormeld vonnis, voorzover in hoger beroep vernietigd;

veroordeelt [verweerder] c.s. in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van de Staat begroot op € 2.529,82;

veroordeelt [verweerder] c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot aan deze uitspraak begroot op € 362,17 aan verschotten en € 1.590,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de president W.E. Haak als voorzitter en de raadsheren F.H. Koster, A.J.A. van Dorst, E.J. Numann en W.A.M. van Schendel, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 28 februari 2003.