Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2003:AE8849

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
28-01-2003
Datum publicatie
28-01-2003
Zaaknummer
01674/01 P
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2003:AE8849
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 407
Wetboek van Strafvordering 511g
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

28 januari 2003

Strafkamer

nr. 01674/01 P

SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 14 december 2000, nummer 20/002209-98 O.W.V., op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:

[betrokkene], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch van 26 maart 1998 bevestigd "voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen".

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr. G.G.J. Knoops, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen en de zaak zal verwijzen naar een aangrenzend hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

3. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

3.1.1. De stukken van het geding houden, voorzover thans van belang, ter zake van de procesgang het volgende in.

(i) De betrokkene heeft blijkens de daarvan opgemaakte akte hoger beroep ingesteld tegen het onder 1 vermelde vonnis.

(ii) Ter terechtzitting van 26 oktober 2000 heeft het Hof het onderzoek geschorst, met de bepaling dat de raadsman van de betrokkene vóór 9 november 2000 de formele en materiële verweren schriftelijk aan het Hof en de Advocaat-Generaal bij het Hof dient te doen toekomen en dat de Advocaat-Generaal bij het Hof vóór 23 november 2000 schriftelijk op deze verweren dient te reageren.

(iii) Bij faxbericht van 8 november 2000 heeft de raadsman een 'memorie van grieven' in het geding gebracht, waarin onder het hoofd "I. Formele Grieven" wordt aangevoerd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM en wegens strijd met beginselen van een goede procesorde en onder het hoofd "II. Materiële Grieven" wordt betoogd dat de vordering gedeeltelijk moet worden afgewezen.

(iv) Bij geschrift van 22 november 2000 heeft de Advocaat-Generaal bij het Hof geantwoord op de hiervoor genoemde memorie van grieven.

(v) De zaak is ter terechtzitting van het Hof van 30 november 2000 behandeld.

3.1.2. De bestreden uitspraak houdt onder meer in:

"Het hoger beroep onder dit parketnummer moet, zoals kan worden afgeleid uit de memorie van grieven van 8 november 2000, onder II.4., alsmede uit het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep van 30 november 2000, worden geacht uitdrukkelijk te zijn beperkt tot de beslissing van de rechtbank met betrekking tot de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist, heeft uitsluitend betrekking op het deel van het hoger beroep dat aan het oordeel van het hof is onderworpen."

Voorts houdt de bestreden uitspraak in dat het beroep op niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie wordt verworpen. De beslissing luidt als onder 1 weergegeven.

3.2. Op de procedure in hoger beroep ter zake van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel is van toepassing art. 511g Sv. Het tweede lid van die bepaling luidt, voorzover hier van belang:

"Titel II van het derde Boek is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:

(...)

b. de behandeling van de vordering waarvan beroep is ingesteld voorafgegaan kan worden door een schriftelijke voorbereiding op de wijze als door het gerechtshof te bepalen;

(...)."

Krachtens art. 511g, tweede lid, Sv is derhalve onder meer art. 407 Sv van overeenkomstige toepassing.

Art. 407, eerste lid, Sv luidt:

"1. Het hooger beroep kan slechts tegen het vonnis in zijn geheel worden ingesteld."

3.3. Het Hof heeft klaarblijkelijk toepassing gegeven aan het bepaalde in art. 511g, tweede lid onder b, Sv en aan de behandeling van de vordering waarvan beroep een schriftelijke voorbereiding vooraf laten gaan. Het Hof heeft - kennelijk mede op grond van de inhoud van de door de raadsman van de betrokkene in het kader van die schriftelijke voorbereiding overgelegde 'memorie van grieven' - de omvang van de behandeling in hoger beroep van de ontnemingsvordering alsnog beperkt geacht tot het beroep op niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Dit oordeel van het Hof geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het bepaalde in art. 407, eerste lid, Sv, dat op het hoger beroep ter zake van de ontnemingsvordering van overeenkomstige toepassing is, brengt mee dat in hoger beroep een nieuwe behandeling en beoordeling van de gehele zaak plaatsvindt. De wettelijke regeling van de mogelijkheid die behandeling te doen voorafgaan door een schriftelijke voorbereiding doet daaraan niet af.

3.4. Het vorenstaande brengt mee dat het Hof ten onrechte niet naar aanleiding van de vordering en van het onderzoek ter terechtzitting heeft beraadslaagd over de vraag of de in art. 36e Sr bedoelde maatregel moet worden opgelegd en zo ja, op welk bedrag de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel is te schatten. De bestreden uitspraak kan derhalve niet in stand blijven.

3.5. De betrokkene heeft op 22 december 2000 beroep in cassatie ingesteld. De zaak is ter terechtzitting van de Hoge Raad van 11 juni 2002 voor de eerste keer behandeld, hetgeen ertoe leidt dat de Hoge Raad uitspraak doet nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep.

Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. De rechter naar wie de zaak zal worden teruggewezen zal die overschrijding,indien aan de betrokkene een betalingsverplichting wordt opgelegd, bij de vaststelling van de hoogte daarvan dienen te betrekken.

4. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, de middelen geen bespreking behoeven en als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak;

Wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens en W.A.M. van Schendel, in bijzijn van de waarnemend-griffier I.W.P. Verboon, en uitgesproken op 28 januari 2003.