Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2003:AE8840

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11-02-2003
Datum publicatie
11-02-2003
Zaaknummer
01615/02 U
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2003:AE8840
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Uitleveringswet
Uitleveringswet 31
Uitleveringswet 59
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 89
Wetboek van Strafvordering 432
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2003, 93
NBSTRAF 2003/93
JOL 2003, 92
NJ 2003, 540

Uitspraak

11 februari 2003

Strafkamer

nr. 01615/02

SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

inzake het verzoek om uitlevering aan de Republiek Litouwen van:

[de opgeëiste persoon], geboren op [geboortedatum] 1977 te [geboorteplaats] (Litouwen), thans verblijvende in de Penitentiaire Inrichting De Geerhorst te Sittard.

1. De procesgang

1.1. De Hoge Raad verwijst naar zijn arrest van 12 november 2002. In dat arrest heeft de Hoge Raad de uitspraak van de Rechtbank te Groningen van 12 juni 2002 vernietigd. Voorts heeft de Hoge Raad bevolen dat de opgeëiste persoon zal worden opgeroepen te verschijnen ter zitting van de Hoge Raad van 17 december 2002 om te worden gehoord omtrent het verzoek tot zijn uitlevering.

1.2. Ter zitting van de Hoge Raad van 17 december 2002 is de opgeëiste persoon verschenen en is hij gehoord, bijgestaan door zijn raadsvrouwe mr. J.A. van den Bosch, advocaat te 's-Gravenhage, die voor hem het woord tot verdediging heeft gevoerd. Daarbij heeft zij primair de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in zijn vordering tot inbehandelingneming van het uitleveringsverzoek bepleit. Subsidiair heeft zij verzocht om aanhouding van de behandeling van het uitleveringsverzoek in verband met een te korte voorbereidingstijd.

1.3. Vervolgens heeft de Hoge Raad op voormelde zitting beslist dat

- over het verweer strekkend tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie bij eindarrest zal worden beslist en

- de behandeling van de zaak wordt aangehouden tot de zitting van 14 januari 2003.

1.4. Op de zitting van de Hoge Raad van 14 januari 2003 heeft de raadsvrouwe van de opgeëiste persoon het woord gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal van die zitting gehechte pleitnotities en heeft de Advocaat-Generaal Machielse - onder overlegging van een schriftelijke samenvatting - medegedeeld dat naar zijn opvatting de verzochte uitlevering toelaatbaar dient te worden verklaard.

2. Het verzoek tot uitlevering

2.1. Het verzoek tot uitlevering is gedaan bij brief van de Ambassade van de Republiek Litouwen van 8 januari 2002, gericht aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken.

2.2. Het verzoek strekt tot uitlevering van de opgeëiste persoon ter tenuitvoerlegging van een vonnis van 9 april 2001 van een door de Rechtbank te Klaipeda (Litouwen) gewezen vonnis.

2.3. De verzoekende staat heeft bij het verzoek de navolgende stukken overgelegd:

- de Duitse vertaling van een brief van de Procureur-Generaal van de Republiek Litouwen van 7 januari 2002 waarin is opgenomen een overzicht van de feiten waarvoor de uitlevering is verzocht met vermelding van plaats en tijd ervan, de wettelijke omschrijving en de toepasselijke Litouwse strafbepalingen;

- de Duitse vertaling van een voor tenuitvoerlegging vatbare veroordeling, te weten het onder 2.2 genoemde vonnis;

- de Duitse vertaling van een brief van de Procureur-Generaal van de Republiek Litouwen van 15 mei 2002.

Voorts bevinden zich bij de stukken vertalingen in het Nederlands van de hierboven aangeduide stukken.

3. Beoordeling van de gevoerde verweren

3.1.1. Namens de opgeëiste persoon heeft de raadsvrouwe allereerst gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering tot inbehandelingneming van het uitleveringsverzoek omdat iedere procesdeelnemer, met uitzondering van de Hoge Raad, ervan is uitgegaan dat de zaak met de ontoelaatbaarverklaring van de uitlevering door de Groningse Rechtbank is geëindigd. Daartoe heeft de raadsvrouwe aangevoerd (a) dat een medewerker van de strafgriffie van die Rechtbank - desverzocht - aan de toenmalige raadsman van de opgeëiste persoon heeft medegedeeld dat geen cassatieberoep was ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank, (b) dat door die Rechtbank, met kennelijke instemming van de Officier van Justitie, op de voet van art. 89 Sv in verbinding met art. 59 UW een schadevergoeding aan de opgeëiste persoon is toegekend en (c) dat nadien door de Litouwse overheid een nieuw verzoek tot uitlevering van de opgeëiste persoon is gedaan dat momenteel door de Rechtbank te Maastricht wordt behandeld.

3.1.2. Bij de stukken bevindt zich een door de Griffier van de Rechtbank te Groningen en de Officier van Justitie ondertekende akte die inhoudt dat op 21 juni 2002 tegen de op 12 juni 2002 door die Rechtbank gedane uitspraak tot ontoelaatbaarverklaring van de uitlevering door het Openbaar Ministerie beroep in cassatie is ingesteld. Dat beroep is binnen de in art. 31, zesde lid, UW in verbinding met art. 432 Sv aangeduide termijn ingesteld. Op 17 juli 2002, binnen de in art. 31, derde lid, UW genoemde termijn, is bij de Hoge Raad een schriftuur met een middel van cassatie ingediend. Het beroep in cassatie is dus tijdig ingesteld en gevolgd door een tijdig ingediende schriftuur. De Hoge Raad laat in het midden of na de ontoelaatbaarverklaring door gedragingen en beslissingen van de Rechtbank en/of het Openbaar Ministerie het vertrouwen is gewekt dat met de ontoelaatbaarverklaring aan de onderhavige uitleveringsprocedure een einde zou zijn gekomen. Immers een dergelijk vertrouwen kan in elk geval in uitleveringszaken rechtens geen afbreuk doen aan de geldigheid van de behandeling van de zaak door de Hoge Raad. Bij een dergelijke procedure gaat het immers niet alleen om belangen van de procespartijen als hoedanig het Openbaar Ministerie en de opgeëiste persoon zijn aan te merken. Daarbij is ook het belang van de verzoekende staat in het geding. Die mag erop vertrouwen dat niet buiten hem om, nadat op regelmatige wijze een rechtsmiddel is ingesteld tegen een voor hem ongunstige beslissing, een behandeling door een hogere instantie achterwege blijft. Het verweer wordt dus verworpen.

3.2.1. Voorts is namens de opgeëiste persoon aangevoerd dat de verzochte uitlevering ontoelaatbaar dient te worden verklaard omdat in strijd met art. 12, tweede lid sub b, EUV de tekst van de toepasselijke Litouwse wetsartikelen niet is overgelegd.

3.2.2. Dit verweer wordt verworpen omdat de brief van de Procureur-Generaal van de Republiek Litouwen van 7 januari 2002 in het onderhavige geval een toereikende omschrijving bevat van de toepasselijke Litouwse strafbepalingen.

3.3.1. Verder is namens de opgeëiste persoon aangevoerd dat de verzochte uitlevering ontoelaatbaar dient te worden verklaard omdat in strijd met art. 12, tweede lid sub a, EUV niet het origineel of een authentiek afschrift van het Litouwse vonnis is overgelegd, hetgeen te meer klemt omdat uit de Nederlandse vertaling van het vonnis niet blijkt tot welke straf de opgeëiste persoon is veroordeeld, zodat niet kan worden nagegaan of aan het vereiste van art. 2, eerste lid, EUV is voldaan.

3.3.2. Bij de stukken bevindt zich de Duitse vertaling van bedoeld vonnis. Daaruit blijkt dat de opgeëiste persoon tot twee jaren gevangenisstraf is veroordeeld. Dit is bevestigd in voormelde brief van de Procureur-Generaal van de Republiek Litouwen van 7 januari 2002. Daaraan doet niet af dat in de Nederlandse vertaling van het vonnis de bladzijde ontbreekt inzake de vermelding van de straf waartoe de opgeëiste persoon is veroordeeld. Het verweer treft derhalve in zoverre geen doel.

3.4.1. Namens de opgeëiste persoon is aangevoerd dat de verzochte uitlevering ontoelaatbaar behoort te worden verklaard omdat de overgelegde Duitse vertaling van het Litouwse vonnis niet is gewaarmerkt.

3.4.2. Bij de stukken bevindt zich een Nederlandse vertaling van het Litouwse vonnis. Daarmee is voldaan aan de eis van art. 23 EUV, zodat het verweer moet worden verworpen.

3.5.1. Voorts heeft de raadsvrouwe betoogd dat onduidelijk is of de opgeëiste persoon wel of niet is veroordeeld ter zake van art. 232, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht van Litouwen.

3.5.2. Gelet op de Nederlandse vertaling van het overgelegde vonnis, in het bijzonder de daarin opgenomen vermelding van art. 232 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht van Litouwen, en de brief van de Procureur-Generaal van de Republiek Litouwen van 7 januari 2002, is het verweer ongegrond.

4. Beoordeling van het verzoek tot uitlevering

4.1. De Hoge Raad overweegt ten aanzien van de toelaatbaarheid van de verzochte uitlevering als volgt.

4.2. De persoon die is gehoord ter zitting van 17 december 2002 en 14 januari 2003 heeft verklaard dat hij is [de opgeëiste persoon], de persoon op wie het verzoek tot uitlevering betrekking heeft, en dat hij de Litouwse en niet de Nederlandse nationaliteit bezit.

4.3. De stukken voldoen in dit geval, dat zich daardoor kenmerkt dat namens de opgeëiste persoon de wens is uitgesproken dat de zaak niet zal worden aangehouden met het oog op aanvulling van de door de verzoekende Staat overgelegde stukken, aan de strekking van het hier toepasselijke art. 12, tweede lid, EUV.

4.4. De feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd, zijn naar Litouws recht strafbaar krachtens art. 16 en 232 van het Litouwse Wetboek van Strafrecht.

4.5. Naar Nederlands recht zijn die feiten strafbaar op grond van de art. 10a en 2, eerste lid aanhef en onder C, Opiumwet.

4.6. De opgeëiste persoon is veroordeeld tot een vrijheidsstraf van twee jaren.

5. Slotsom

Aangezien de Hoge Raad niet is gebleken van het bestaan van feiten of omstandigheden die aan de toelaatbaarheid van de verzochte uitlevering in de weg zouden staan dient, gelet op de art. 2 en 12 EUV, als volgt te worden beslist.

6. Beslissing

De Hoge Raad verklaart de uitlevering van [de opgeëiste persoon] aan de Republiek Litouwen toelaatbaar.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens, A.J.A. van Dorst, B.C. de Savornin Lohman en E.J. Numann, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 11 februari 2003.

12 november 2002

Strafkamer

nr. 01615/02 U

AG/KD

Hoge Raad der Nederlanden

Tussenarrest

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Rechtbank te Groningen van 12 juni 2002, nummer RK 02/52, op een verzoek van de Republiek Litouwen tot uitlevering van:

[de opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] (Litouwen) op [geboortedatum] 1977, ten tijde van de bestreden uitspraak gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "De Grittenborgh" te Hoogeveen.

1. De bestreden uitspraak

De Rechtbank heeft de gevraagde uitlevering van de opgeëiste persoon aan de Republiek Litouwen niet-toelaatbaar verklaard.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de Officier van Justitie. Deze heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen en de opgeëiste persoon zal oproepen ter zitting van de Hoge Raad teneinde, doende wat de Rechtbank had behoren te doen, opnieuw te oordelen over de toelaatbaarheid van de verzochte uitlevering.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het middel komt op tegen het oordeel van de Rechtbank dat niet kan worden vastgesteld of er voldaan is aan de eis van dubbele strafbaarheid.

3.2. In de bestreden uitspraak van 12 juni 2002 heeft de Rechtbank met betrekking tot de dubbele strafbaarheid als volgt overwogen:

"Uit de overgeleverde Litouwse wetgeving en de verstrekte aanvullende informatie van de Republiek Litouwen is gebleken dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een feit dat in de Republiek Litouwen een strafbaar feit oplevert. De opgeëiste persoon heeft blijkens het vonnis d.d. 9 april 2001 van een rechter van het Umkreisgerichtes Klaipeda Remigijus Preikšaitis getracht een grote hoeveelheid fijngemaakte papaverkapsels en stengels te verkopen.

Uit lijst I van de Opiumwet blijkt dat naar Nederlands recht enkel een bepaalde papaversoort, te weten de soort "Papaver somniferum L.", een strafbaar feit kan opleveren. De Republiek Litouwen voorziet kennelijk in een ruimere strafbaarstelling dan waar het Nederlandse recht in voorziet. De Republiek Litouwen heeft in verband daarmee niet vastgesteld om welke soort papaver het in het onderhavige geval gaat. Nu de soort papaver niet is vastgesteld, kan niet worden vastgesteld dat het betreffende delict naar Nederlands recht strafbaar is. Nu niet vastgesteld kan worden dat is voldaan aan de eis van

dubbele strafbaarheid zal de rechtbank de uitlevering dan ook ontoelaatbaar verklaren."

3.3. De Rechtbank heeft blijkens de onder 3.3 weergegeven overweging haar oordeel mede gebaseerd op de inhoud van een brief van de Litouwse Hoofdofficier van Justitie van de Afdeling voor Internationale Betrekkingen en Rechtshulp van 15 mei 2002. Deze brief houdt, voorzover van belang, in een Nederlandse vertaling het volgende in.

"1. In art. 232¹ van het wetboek van strafrecht van de Republiek Litouwen zijn verdovende en psychotrope middelen gedefinieerd als zijnde planten, preparaten, middelen of stoffen die conform de Litouwse wet op de controle van verdovende en psychotrope middelen zijn opgenomen in de door het Litouwse Ministerie van Volksgezondheid vastgestelde lijsten met verdovende en psychotrope middelen. Deze lijst is opgesteld op basis van de bepalingen van de uniforme overeenkomst over verdovende middelen van 1961, de overeenkomst over psychotrope middelen van 1971 alsook de overeenkomst over de bestrijding van de illegale handel in verdovende en psychotrope middelen van de Organisatie der Verenigde Naties. Wat betreft de papaverkapsels en stengels: deze zijn omschreven in lijst IV van de uniforme overeenkomst over verdovende middelen van 1961, d.w.z. niet omschreven is tot welke soort de papaver behoort. Derhalve is in het expertiseonderzoek naar de bij [de opgeëiste persoon] aangetroffen middelen vastgesteld dat het fijngemaakte papaverkapsels en stengels betroffen."

3.4. Wat betreft de strafbaarheid naar Nederlands recht geldt het volgende. De in art. 2 van de Opiumwet genoemde verboden gelden onder andere ten aanzien van de middelen die voorkomen op lijst I behorende bij de Opiumwet. Op deze lijst zijn onder A blijkens het opschrift vermeld de substanties die voorkomen op lijst I bedoeld in art. 2, eerste lid van het Enkelvoudig verdrag inzake verdovende middelen (New York, 30 maart 1961, Tb. 1963, 81). Eerstgenoemde lijst I vermeldt onder andere "Bolkaf en het concentraat". Volgens een bij die lijst gevoegde voetnoot wordt onder bolkaf verstaan "alle delen van de plant Papaver somniferum L. na het oogsten, met uitzondering van het zaad" en wordt onder concentraat verstaan "het materiaal dat wordt verkregen door bolkaf te onderwerpen aan een behandeling ter concentratie van zijn alkaloïden".

In art. 1 van het Enkelvoudig verdrag inzake verdovende middelen, waarbij zowel Nederland als Litouwen partij is, is opgenomen dat onder "papaver" dient te worden verstaan "de plant van de soort Papaver somniferum L." (sub q) en dat "bolkaf" betekent "alle delen (met uitzondering van de zaden) van de papaver, na het maaien" (sub r).

Uit het bovenstaande volgt dat de Nederlandse strafbaarstelling met betrekking tot papaver is beperkt tot de plant van de soort Papaver somniferum L.

3.5. Blijkens de hiervoor onder 3.3 vermelde brief is de lijst van verboden middelen behorend bij art. 232 van het Litouwse Wetboek van Strafrecht onder meer gebaseerd op het Enkelvoudig Verdrag inzake verdovende middelen.

3.6. Gelet daarop is het uitleveringsverzoek voor geen andere uitleg vatbaar dan dat de handelingen waarvoor de opgeëiste persoon is veroordeeld, betrekking hebben op papaver in de zin van genoemd verdrag, dus om Papaver somniferum L.

3.7. Voorzover het middel strekt ten betoge dat het oordeel van de Rechtbank onbegrijpelijk is, is het terecht voorgesteld.

4. Slotsom

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen kan de bestreden uitspraak niet in stand blijven en moet als volgt worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak;

Beveelt dat de opgeëiste persoon zal worden opgeroepen te verschijnen ter zitting van de Hoge Raad van 17 december 2002 te 12.00 uur om te worden gehoord omtrent het verzoek tot zijn uitlevering.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens en A.J.A. van Dorst, in bijzijn van de waarnemend-griffier L.J.J. Braber, en uitgesproken op 12 november 2002.