Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2003:AE8406

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
31-01-2003
Datum publicatie
31-01-2003
Zaaknummer
37793
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2003:AE8406
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene Ouderdomswet
Algemene Ouderdomswet 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2003/152 met annotatie van P. KAVELAARS
Belastingadvies 2003/3.9
FED 2003/97
WFR 2003/276
V-N 2003/9.18 met annotatie van Redactie
USZ 2003/113
NTFR 2003/263 met annotatie van mr. J.C.L.M. Fijen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 37.793

31 januari 2003

EC

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 24 oktober 2001, nr.97/00809, betreffende na te melden aan X te Z (België), opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het jaar 1994 een aanslag in de inkomstenbelasting/premieheffing volksverzekeringen opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, onder herstel van een bij de verrekening van dividendbelasting gemaakte fout, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de aanslag verminderd met het bedrag van de daarin begrepen premie volksverzekeringen ten bedrage van ƒ 13.455. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

De Staatssecretaris heeft een conclusie van repliek en belanghebbende een conclusie van dupliek ingediend.

De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 29 augustus 2002 geconcludeerd tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende was in 1994 niet ingezetene van Nederland. Hij was in dat jaar directeur/ grootaandeelhouder van een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid en hij heeft als zodanig in Nederland werkzaamheden zonder beloning voor die vennootschap verricht.

3.2. Het Hof heeft, in cassatie onbestreden, geoordeeld dat aangezien belanghebbende met de vennootschap was overeengekomen dat hij voor zijn werkzaamheden ten behoeve van de vennootschap geen beloning zou ontvangen, welke afspraak ten uitvoer is gelegd, hij zijn werkzaamheden niet in dienstbetrekking verrichtte. Het heeft daaraan de gevolgtrekking verbonden dat belanghebbende in het jaar 1994, enkel beoordeeld naar nationaal recht, niet verplicht verzekerd en derhalve ook niet premieplichtig was voor de Nederlandse volksverzekeringen. Voorts heeft het Hof geoordeeld dat de bepalingen over de toepasselijke socialezekerheidswetgeving in Titel II van EG-Verordening 1408/71 (hierna: de Verordening) uitsluitend aanknopen bij beroepswerkzaamheden van de betrokkene, en dat daarvan bij belanghebbende geen sprake is, aangezien hij voor zijn werkzaamheden geen vergoeding ontvangt.

3.3. In de toelichting op het cassatiemiddel wordt betoogd dat dit laatste oordeel onjuist is omdat belanghebbende wel degelijk in de zin van bijlage I bij de Verordening anders dan in dienstbetrekking zijn beroepswerkzaamheden uitoefende, derhalve is aan te merken als zelfstandige in de zin van artikel 1, sub a (ii) van de Verordening, en als zodanig op grond van de "sterke werking" van de Verordening verzekerd is in Nederland. Dit brengt dan, aldus het middel, mee dat belanghebbende op grond van artikel 6, lid 1, letter a, van de Algemene Ouderdomswet en vergelijkbare bepalingen in de overige volksverzekeringswetten verplicht verzekerd is voor de volksverzekeringen.

3.4. Voor het antwoord op de vraag of belanghebbende is te beschouwen als werknemer of als zelfstandige in de zin van artikel 1, letter a, van de Verordening en uit dien hoofde ingevolge artikel 2, lid 1, van de Verordening valt binnen haar personele werkingssfeer, is de omstandigheid dat belanghebbende voor zijn in Nederland verrichte werkzaamheden geen beloning ontving, in zoverre van belang dat hij daardoor, zoals het Hof met juistheid heeft geoordeeld, niet als werknemer verzekerd is in het kader van het Nederlandse stelsel van sociale zekerheid. Uit het arrest van het Hof van Justitie van 30 januari 1997, De Jaeck, C-390/94, BNB 1997/308, volgt dat hij mitsdien voor de toepassing van titel I van de Verordening evenmin als werknemer kan worden beschouwd.

Blijkens het bepaalde in artikel 1, letter a, onder ii, van de Verordening kan belanghebbende echter als zelfstandige binnen de personele werkingssfeer van de Verordening vallen indien hij beantwoordt aan de definitie gegeven in Bijlage I bij de Verordening. Ingevolge het in die Bijlage onder j bepaalde wordt als zelfstandige in de zin van artikel 1, letter a, onder ii, van de Verordening aangemerkt degene die anders dan in dienstbetrekking zijn beroepswerkzaamheden uitoefent. In hetgeen het Hof heeft vastgesteld in de onderdelen 2.2 en 2.3 van zijn uitspraak ligt besloten dat belanghebbende in het onderhavige jaar werkzaamheden verrichtte als directeur van een besloten vennootschap. Zulke werkzaamheden dragen een beroepsmatig karakter. Dit is niet anders indien voor die werkzaamheden geen loon wordt ontvangen. Er bestaat dan ook geen reden om, zoals het Hof heeft gedaan, op grond van het niet ontvangen door belanghebbende van een vergoeding voor zijn werkzaamheden, aan die werkzaamheden het karakter van beroepswerkzaamheden in de zin van voormelde Bijlage te ontzeggen.

Uit het vorenstaande volgt dat - naar redelijkerwijs niet voor twijfel vatbaar is - belanghebbende krachtens het bepaalde in artikel 2, lid 1, in samenhang met artikel 1, letter a onder ii, van de Verordening binnen de personele werkingssfeer van de Verordening valt. Aan deze conclusie staat, anders dan het Hof heeft geoordeeld, het arrest van het Hof van Justitie van 23 oktober 1986, Van Roosmalen, 300/84, Jurispr. 1986, blz. 3097, niet in de weg. Dat arrest betrof immers de uitlegging van het begrip zelfstandige in de zin van artikel 1, letter a, onder iv, van de Verordening, welke bepaling ziet op personen die vrijwillig zijn verzekerd en waarin niet wordt verwezen naar Bijlage I bij de Verordening.

3.5. Nu belanghebbende binnen de personele werkingssfeer van de Verordening valt, is krachtens het bepaalde in artikel 13, lid 2, letter b, van de Verordening op hem, wegens het in Nederland uitoefenen van werkzaamheden anders dan in loondienst, de socialezekerheidswetgeving van Nederland van toepassing, tenzij in verband met de omstandigheden van het onderhavige geval de artikelen 14 tot en met 17 van de Verordening iets anders zouden uitwijzen. Uit 's Hofs uitspraak en de gedingstukken blijkt niet van feiten of omstandigheden waaraan de gevolgtrekking kan worden verbonden dat die uitzondering zich voordoet. Nu het Hof voorts heeft vastgesteld dat belanghebbende in het onderhavige jaar geen inkomsten had uit andere arbeidsverhoudingen dan die met de vennootschap waarvan hij directeur was, en dat belanghebbende in zijn woonstaat, België, geen werkzaamheden verrichtte welke hem aldaar deden vallen onder het socialezekerheidsregime voor zelfstandigen, moet van het tegendeel worden uitgegaan.

3.6. De uit de Verordening voortvloeiende toepasselijkheid van de Nederlandse socialezekerheids-wetgeving op belanghebbende brengt mee dat hij in Nederland als verplicht verzekerde voor de volksverzekeringen heeft te gelden. Weliswaar voldoet belanghebbende niet aan de in het Nederlandse stelsel voor die verzekeringsplicht geldende voorwaarde dat hij ingezetene van Nederland is, doch uit het arrest van het Hof van Justitie van 3 mei 1990, Kits van Heijningen, 2/89, Jurispr. 1990, blz. I-1735, blijkt dat deze voorwaarde niet tot gevolg mag hebben dat een persoon op wie krachtens de Verordening het Nederlandse socialezekerheidsstelsel van toepassing is, buiten de werkingssfeer van de desbetreffende Nederlandse socialeverzekeringswetten zou vallen. Belanghebbende moet derhalve niettegenstaande het feit dat hij niet in Nederland woont, als een in Nederland verzekerde voor de volksverzekeringen worden beschouwd. Met het aldus verzekerd zijn is binnen het Nederlandse stelsel, waartoe behoort de Wet van 29 april 1998, Stb. 1998, 267, het onderworpen zijn aan premieplicht mede gegeven.

Het middel treft derhalve doel. 's Hofs uitspraak moet worden vernietigd. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht, en

verklaart het bij het Hof tegen de uitspraak van de Inspecteur ingestelde beroep ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J. Zuurmond als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, D.G. van Vliet, P. Lourens en J.W. van den Berge, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 31 januari 2003.