Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2003:AE8165

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
01-07-2003
Datum publicatie
01-07-2003
Zaaknummer
00095/02 H
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2003:AE8165
Terugverwijzing naar: ECLI:NL:GHSHE:2004:AO3222
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

1 juli 2003 Strafkamer nr. 00095/02 H SM Hoge Raad der Nederlanden Arrest op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 22 december 2000, nummer 21/000908-00, ingediend door mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, namens: [aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1953, ten tijde van de aanvrage gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Lelystad" te Lelystad. 1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd...

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 457, geldigheid: 2003-07-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2003, 283
NBSTRAF 2003/283

Uitspraak

1 juli 2003

Strafkamer

nr. 00095/02 H

SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 22 december 2000, nummer 21/000908-00, ingediend door mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, namens:

[aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1953, ten tijde van de aanvrage gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Lelystad" te Lelystad.

1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd

1.1. Het Hof heeft in hoger beroep de aanvrager ter zake van "moord" veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf jaren.

1.2. De Hoge Raad heeft bij arrest van 20 november 2001 het tegen 's Hofs arrest ingestelde cassatieberoep verworpen.

2. De procesgang in herziening

2.1. Voor de procesgang tot het tussenarrest van 5 november 2002 wordt naar dat arrest verwezen.

2.2. Ter uitvoering van het bij voormeld tussenarrest bevolen onderzoek heeft de Raadsheer-Commissaris de

getuige-deskundige dr. G.A.A. Schoon gehoord. Het van dat verhoor opgemaakte proces-verbaal van 20 december 2002 bevindt zich bij de stukken. Nadien heeft dr. Schoon een brief van 28 december 2002 aan de Raadsheer-Commissaris gezonden, die zich eveneens bij de stukken bevindt.

2.3. De Advocaat-Generaal Wortel heeft vervolgens opnieuw een conclusie genomen en daarbij geconcludeerd dat de aanvrage zal worden afgewezen.

2.4. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar, met bijlagen, van mr. Boksem op de aanvullende conclusie van de Advocaat-Generaal.

2.5. Vervolgens heeft mr. Boksem een schriftelijke nadere toelichting, met bijlagen, in het geding gebracht, terwijl mr. G.G.J. Knoops, advocaat te Amsterdam, namens de aanvrager nog een aanvullend verzoek tot herziening van 29 april 2003, met producties, heeft gedaan. Bij brief van 2 mei 2003 van mr. Knoops is nog een aantal producties overgelegd.

2.6. Mr. Knoops heeft ter terechtzitting van de Hoge Raad van 27 mei 2003 het (aanvullend) herzieningsverzoek (nader) mondeling toegelicht; daarbij zijn producties in het geding gebracht.

3. De bewezenverklaring en de bewijsvoering

3.1. Ten laste van de aanvrager is bewezenverklaard dat:

"hij op of omstreeks 23 september 1999 in de gemeente Deventer opzettelijk en met voorbedachten rade [het slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, de hals van die [slachtoffer] dichtgedrukt/dichtgetrokken/dichtgeknepen (gehouden) en die [slachtoffer] met een mes één of meermalen in de borst gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden."

3.2.1. Deze bewezenverklaring steunt op de inhoud van de bewijsmiddelen, die zich als volgt laten samenvatten.

(i) Bewijsmiddelen 1.a. tot en met 1.f. en 2

- Bevindingen van de arts-patholoog die het lichaam van het slachtoffer heeft onderzocht. Die bevindingen houden in dat het slachtoffer is overleden ten gevolge van messteken in de borststreek, die toegebracht kunnen zijn met een aan één zijde snijdend mes, terwijl ook samendrukkend geweld ter plaatse van de hals levensbedreigend is geweest.

- Bevindingen omtrent de plaats van het delict, te weten de woning van het slachtoffer. Tot die bevindingen behoort dat er geen braaksporen zijn aangetroffen. De voordeur was in het slot getrokken en de achterdeur was met een slot en een knip afgesloten. Het tijdstip van overlijden ligt waarschijnlijk op 23 september 1999, niet ver na 20.36 uur. Dat is afgeleid uit een opengeslagen televisiegids die op een tafel in de serre lag, de omstandigheid dat de krant van de volgende dag nog bij de post lag, en de omstandigheid dat het slachtoffer niet is verschenen op een afspraak die zij voor de volgende dag om 10.00 uur had gemaakt. Voorts wees het geheugen van een in de woning aanwezig telefoontoestel uit dat het slachtoffer op 23 september 1999 om 20.36 uur voor het laatst een telefoongesprek heeft gevoerd.

- De verklaring van een getuige die de politie in kennis heeft gesteld van het aantreffen van een mes, onder aan een trap van het door hem bewoonde appartementencomplex, alsmede een verklaring van een verbalisant betreffende de wijze waarop hij dit mes heeft veiliggesteld.

(ii) Bewijsmiddelen 3 en 4

- De resultaten van een geuridentificatieproef, waarbij een speurhond heeft waargenomen dat een van het mes genomen geurmonster overeenkwam met geurdragers die de aanvrager had vastgehouden.

- Een schrijven waarin dr. G.A.A. Schoon, wetenschappelijk medewerkster bij de Rijksuniversiteit Leiden, vakgroep diergedrag, commentaar heeft geleverd op de mogelijkheid van 'geurcontaminatie' bij het veiligstellen van voorwerpen en de wijze waarop een op het herkennen van geuren getrainde hond zal reageren bij een volgens de regels uitgevoerde geuridentificatieproef. Het voorbereiden van het materiaal voor de geuridentificatieproef en het uitvoeren van die proef hebben volgens dit schrijven conform de regels plaatsgevonden.

- Een verklaring die dr. G.A.A. Schoon, als getuige-deskundige ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd.

(iii) Bewijsmiddelen 5 tot en met 8

- Resultaten van door de politie verricht onderzoek naar aanleiding van de gegevens in het geheugen van het in de woning van het slachtoffer aangetroffen telefoontoestel. Daarbij is gebleken dat het - mobiele - nummer 06-[...], met welke aansluiting het laatste gesprek was gevoerd, in gebruik was bij de aanvrager. Voorts is gebleken dat het signaal voor dit gesprek is doorgegeven door een basisstation aan de Nieuwstraat te Deventer. De werking van dit basisstation is onderzocht en dat onderzoek wees uit dat het basisstation slechts een beperkt gebied bestrijkt. De aanvrager moet zich daarom in, dan wel niet ver buiten Deventer hebben bevonden toen hij dit gesprek voerde.

- Tot de bewijsmiddelen die op dit telefoongesprek betrekking hebben behoort een geschrift, opgesteld door R. Steens, inhoudende dat het verzorgingsgebied van het opstelpunt aan de Nieuwstraat te Deventer beperkt is, dat onder normale omstandigheden een telefoongesprek over een per auto afgelegde route vrijwel altijd door een naburig opstelpunt zal worden afgehandeld, dat is onderzocht of signalen op de GSM-frequentie vanuit het opstelpunt aan de Nieuwstraat te Deventer tot de omgeving van 't Harde kunnen reiken en dat dit onderzoek heeft uitgewezen dat het buitengewoon onwaarschijnlijk is dat de signalen over die afstand kunnen worden ontvangen.

- Tot deze bewijsmiddelen behoren voorts een verklaring die R. Steens als getuige-deskundige ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd, alsmede een verklaring van de aanvrager, eveneens afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep, inhoudende dat hij op 23 september 1999 omstreeks 20.36 uur met het slachtoffer heeft gebeld.

(iv) Bewijsmiddel 9a

- Een rapport van de Regiopolitie IJsselland, Divisie C.R.O.D., Bureau Financiële Recherche, inhoudende dat het slachtoffer een testament heeft gemaakt waarbij zij haar gehele nalatenschap, afgezien van een aantal legaten, heeft bestemd voor een op te richten stichting, terwijl de aanvrager is benoemd tot voorzitter van die stichting en tot executeur-testamentair. Voorts vermeldt dit rapport dat de penningmeester van de stichting heeft verklaard dat de aanvrager na het overlijden van het slachtoffer enkele malen opmerkingen heeft gemaakt over de aanschaf van goederen met geld van de stichting. Onder meer heeft de aanvrager gesproken over het uit de stichting kopen van een huisje op Malta of in Spanje. Ook heeft de aanvrager volgens dit rapport handelingen verricht die afwijken van hetgeen gebruikelijk is; zo heeft hij ten behoeve van de afwikkeling van de nalatenschap een privé-rekening geopend omdat de stichting niet bij de Kamer van Koophandel was ingeschreven, ofschoon de aanvrager ruim de tijd had gehad de stichting in te schrijven. Er is pas een bankrekening ten name van de stichting geopend nadat een lijfrenteverzekeraar te kennen had gegeven het geld niet op die privé-rekening te willen storten.

3.2.2. In de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht zijn voorts nog overwegingen ten aanzien van het bewijs opgenomen. Ten dele strekken die overwegingen tot verwerping van verweren betreffende de rechtmatigheid van de bewijsgaring. Daarbij heeft het Hof onder meer uiteengezet waarom het, anders dan de verdediging, van oordeel is dat de voorbereiding en uitvoering van de geuridentificatieproef betreffende het mes zodanig zijn verlopen dat de resultaten tot het bewijs kunnen bijdragen.

Voorts heeft het Hof overwogen:

"[het slachtoffer] is in haar woning te Deventer om het leven gebracht. Aan en in de woning is geen schade vastgesteld die er op zou kunnen wijzen dat iemand zich op een gewelddadige wijze de toegang tot de woning heeft verschaft. Het hof concludeert hieruit dat de dader en het slachtoffer [het slachtoffer] elkaar hebben gekend en dat de dader met goedvinden van het slachtoffer haar woning is binnengekomen. Vaststaat dat verdachte [aanvrager] en het slachtoffer elkaar door de zakelijke relatie die tussen hen beiden bestond goed kenden.

Blijkens het sectieverslag waren er steekletsels in de borst zoals door steken met een mes kunnen zijn veroorzaakt en blijkens het verslag zijn die steekletsels zonder meer dodelijk verlopende letsels. De steekletsels zijn veroorzaakt door degene die het slachtoffer met het mes heeft gestoken.

Korte tijd na het vermoedelijke tijdstip van levensberoving en op korte afstand van de woning is in Deventer een mes gevonden en in beslag genomen. Aard en formaat van het inbeslaggenomen mes zijn zodanig dat daarmee de steekletsels kunnen zijn toegebracht. Door het ingestelde en op juiste wijze uitgevoerde geuronderzoek van het mes staat vast dat het mes de lichaamsgeur van verdachte draagt. Verdachte heeft dus in Deventer dit mes bij zich gehad.

Verdachte heeft op een tijdstip gelegen zeer kort voor het vermoedelijke tijdstip van overlijden, terwijl hij, zoals uit het daaromtrent gedane onderzoek overtuigend is gebleken, in Deventer was of zich in de onmiddellijke omgeving van Deventer bevond, met het slachtoffer getelefoneerd. Dit gesprek heeft 16 seconden geduurd. Het is het laatste telefoongesprek dat door het slachtoffer is gevoerd.

Voor de overtuiging dat verdachte het telastegelegde heeft begaan acht het hof nog van belang dat verdachte na het overlijden van [het slachtoffer] het beheer zou krijgen over een aanzienlijk geldbedrag alsmede dat hij zich na het overlijden van [het slachtoffer] heeft uitgelaten over een privé-besteding van een aanzienlijk geldbedrag te weten de koop van een huis in het buitenland.

Op grond van de in het onderzoek van de zaak aanwezig bevonden bewijsmiddelen en het hiervoor overwogene in aanmerking nemende, acht het hof unaniem het aan verdachte telastegelegde wettig en overtuigend bewezen als hierna te vermelden."

4. De grondslag van de aanvrage

De aanvrager beroept zich in de aanvrage en de daarop nadien gegeven aanvullingen op een aantal omstandigheden, met betrekking waartoe wordt gesteld dat deze op zichzelf of in verband met het vroeger geleverde bewijs met de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht niet bestaanbaar schijnen in dier voege dat daardoor het ernstig vermoeden ontstaat dat het onderzoek van de zaak zou hebben geleid tot vrijspraak.

5. Beoordeling van de aanvrage

5.1.1. Als grondslag voor een herziening kan, voorzover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2°, van art. 457 Sv slechts dienen een door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheid die bij het onderzoek op de terechtzitting de rechter niet is gebleken en die het ernstig vermoeden wekt dat, ware zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid tot vrijspraak van de veroordeelde.

5.1.2. De hier bedoelde grondslag voor een herzieningsaanvrage - hierna als novum aan te duiden - kan slechts een omstandigheid van feitelijke aard betreffen. Een mening, overtuiging of gevolgtrekking kan in het algemeen niet als een omstandigheid van feitelijke aard worden aangemerkt. Dat brengt mee dat het oordeel van een deskundige in beginsel - behoudens bijzondere omstandigheden - slechts als een novum kan gelden voorzover daarbij wordt uitgegaan van feiten en/of omstandigheden van feitelijke aard welke niet bekend waren dan wel niet geacht kunnen worden bekend te zijn geweest aan de rechter die de uitspraak waarvan herziening wordt gevraagd heeft gewezen.

5.2. Voor wat de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheden betreft zal de Hoge Raad eerst ingaan op die welke verband houden met de geuridentificatieproef en met de relatie tussen het steekwapen en het delict.

5.3. De geuridentificatieproef

5.3.1. Ter uitvoering van het tussenarrest van 5 november 2002 heeft de Raadsheer-Commissaris de getuige-deskundige Schoon gehoord.

5.3.2. Bij het verhoor van de getuige-deskundige bleek dat zij, zoals zij ook in haar nadien aan de Raadsheer-Commissaris gezonden brief van 28 december 2002 nogmaals heeft benadrukt, met een door mr. Boksem ter terechtzitting van de Hoge Raad van 24 september 2002 bedoelde uitlating heeft beoogd te wijzen op het belang van een eenduidige relatie tussen het mes en het delict in verband met de rol die de uitslag van de geuridentificatieproef speelt in de bewijslevering in haar geheel. Aan de (enkele) omstandigheid dat de uitkomst van de geuridentificatieproef met een bepaalde mate van waarschijnlijkheid een relatie legt tussen het mes en de aanvrager mag, zo kan haar opvatting worden samengevat, niet de gevolgtrekking worden verbonden dat daarmee ook een verband is gelegd tussen het mes en (de dader van) het delict. Vorenstaande standpunten heeft zij naar de kern genomen ook in haar brief van 8 april 2003 (productie 1 bij het aanvullend verzoek tot herziening) neergelegd. Die brief houdt, voorzover hier van belang in:

"(...) op het moment dat ik mijn verklaring bij het Hof Arnhem gaf, had ik een onvolledig beeld over het mes. Met mijn huidige informatie was ik tijdens mijn verklaring ingegaan op de relatie mes-proef. Ik zou het Hof erop hebben geattendeerd dat de diagnostische waarde van de proef mede wordt bepaald door de relevantie van het uitgangspunt (in deze zaak dus het mes). Mijn evaluatie (...) van de technische aspecten van de proef verandert er niet door, maar het gewicht dat aan de proef mag worden toegekend in de zaak moet daardoor kritisch worden bekeken (...)."

5.3.3. Het verhoor van de getuige-deskundige Schoon door de Raadsheer-Commissaris heeft geen aanknopingspunt opgeleverd voor het oordeel dat de geuridentificatieproef, anders dan waarvan het Hof zou zijn uitgegaan, niet op technisch juiste wijze en niet volgens de toepasselijke regels zou zijn uitgevoerd.

Voorts moet het Hof, mede gelet op de inhoud van het hem ter beschikking staande dossier, waaronder de in het voorbereidend onderzoek door de deskundige Schoon aan de politie verstrekte documentatie omtrent geuridentificatieproeven, geacht worden op de hoogte te zijn geweest van het door die deskundige in de herzieningsprocedure - in verband met de bewijswaarde van de geuridentificatieproef - benadrukte element van het bestaan van een relatie tussen het mes en het delict.

5.3.4. Hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de slotsom dat hetgeen in de aanvrage en de daarop gegeven aanvullingen is aangevoerd met betrekking tot de geuridentificatieproef niet als novum kan worden aangemerkt.

5.4. De relatie tussen het steekwapen en het delict

5.4.1. Blijkens de gebezigde bewijsmiddelen en de door het Hof gegeven nadere bewijsoverweging heeft het Hof de relatie tussen het mes en het delict afgeleid uit de omstandigheden dat korte tijd na het vermoedelijke tijdstip van levensberoving en op korte afstand van de woning van het slachtoffer een mes is gevonden en dat aard en formaat van dat inbeslaggenomen mes zodanig zijn dat daarmee de steekletsels kunnen zijn toegebracht.

Die laatste omstandigheid heeft het Hof blijkens de gebezigde bewijsmiddelen afgeleid uit het verslag van de arts-patholoog dr. R. Visser, waar dat verslag inhoudt dat de aard van de op het slachtoffer aangetroffen huidperforaties, waarvan enkele met een torpedovorm, kan passen bij een éénsnijdend mes.

Het moet er, gelet op de aan het Hof ter beschikking staande gegevens, voor worden gehouden dat het Hof bij de beoordeling van de waarde voor het bewijs van de resultaten van de geuridentificatieproef met betrekking tot die relatie tussen mes en delict tevens in zijn beschouwingen heeft betrokken dat twee van de op de blouse van het slachtoffer aangetroffen bloedvlekken de vorm hadden van het lemmet van een mes en dat - blijkens relatering door de verbalisanten Van Veen en Laarman in een proces-verbaal van 17 januari 2000 - sporenonderzoek heeft uitgewezen dat de vorm van het aangetroffen mes daarmee overeenkomt.

Voorts beschikte het Hof over een rapport van het NFI van 21 februari 2000, dat als conclusie inhoudt dat de beschadigingen in de blouse van het slachtoffer kunnen zijn veroorzaakt door een zeer scherprandig voorwerp.

5.4.2. In zijn aanvullende conclusie heeft de Advocaat-Generaal er melding van gemaakt dat hij het desbetreffende mes nader heeft doen onderzoeken door het NFI op aanwezigheid van menselijk DNA-houdend materiaal. Zoals in die conclusie is uiteengezet heeft de Advocaat-Generaal daartoe aanleiding gezien op grond van hem door het NFI verstrekte informatie dat er sinds zeer korte tijd technieken beschikbaar zijn, die ten tijde van het voorbereidend onderzoek in deze zaak nog niet beschikbaar waren en die het mogelijk maken op voorwerpen minieme hoeveelheden lichaamsmateriaal te traceren, en daaruit voldoende zogenaamde DNA-merkers te verkrijgen om een betrouwbaar DNA-profiel op te stellen.

Het rapport van het NFI van 27 februari 2003 houdende de uitkomst van dat onderzoek is aan het dossier toegevoegd. Uit dat rapport blijkt, zakelijk weergegeven, het volgende. Alsnog is vastgesteld dat zich enkele sporen op het lemmet van het mes bevinden waaruit DNA-profielen konden worden verkregen, dat één van de sporen het DNA-profiel van een individu oplevert en voorts dat een ander spoor een zogenaamd 'mengprofiel' oplevert, dat bestaat uit het DNA-profiel van datzelfde individu en een andere persoon. De twee bij deze individuen behorende DNA-profielen stemmen niet overeen met het reeds in het voorbereidend onderzoek vervaardigde DNA-profiel van het slachtoffer.

5.4.3. De vraag dient zich aan of, zoals in het aanvullend verzoek tot herziening van 29 april 2003 wordt betoogd, de in het NFI-rappport van 27 februari 2003 vervatte onderzoeksresultaten - die destijds aan het Hof niet bekend konden zijn - als een novum moeten worden aangemerkt.

Bij de beantwoording van die vraag moet worden vooropgesteld dat de relatie tussen het aangetroffen mes en het delict een wezenlijke schakel vormt in de door het Hof gebezigde bewijsconstructie, meer in het bijzonder omdat die relatie bepalend is voor de aan de resultaten van de geuridentificatieproef toe te kennen bewijswaarde. Tegen die achtergrond roept het thans bekend geworden gegeven dat op het mes, ook met de meest geavanceerde technieken, zoals die thans beschikbaar zijn, geen enkel lichaamsspoor is te vinden dat tot het slachtoffer valt te herleiden, afgewogen tegen de bewijsconstructie en hetgeen de stukken voor het overige omtrent die relatie inhouden - waarbij nog opmerking verdient dat een deskundigenbericht omtrent de overeenkomst van de op de blouse aangetroffen bloedsporen en het lemmet van het aangetroffen mes niet voorhanden is - zodanige twijfel op ten aanzien van de vraag of dat mes in verband kan worden gebracht met het delict, dat het ernstige vermoeden rijst dat, ware het Hof met dat nieuwe gegeven bekend geweest, het de verdachte zou hebben vrijgesproken van hetgeen hem was tenlastegelegd. Daaraan doet op zichzelf niet af dat het Hof ermee bekend was dat, naar blijkt uit het NFI-rapport van 21 februari 2000, op het mes geen bloedsporen zijn aangetroffen.

6. Slotsom

Uit hetgeen hiervoor onder 5 is overwogen volgt dat de aanvrage gegrond is, dat de gronden waarop zij steunt voor het overige geen bespreking behoeven en dat als volgt moet worden beslist.

7. Beslissing

De Hoge Raad:

Verklaart de aanvrage tot herziening gegrond;

Beveelt, voorzover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van voormeld arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 22 december 2000;

Verwijst de zaak naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch opdat de zaak op de voet van art. 467 Sv opnieuw zal worden behandeld en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren F.H. Koster, G.J.M. Corstens, E.J. Numann en W.A.M. van Schendel, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 1 juli 2003.

5 november 2002

Strafkamer

nr. 00095/02 H

SB

Hoge Raad der Nederlanden

Tussenarrest

op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 22 december 2000, ingediend door mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, namens:

[aanvrager], geboren op [geboortedatum] 1953 te [geboorteplaats], wonende te [woonplaats].

1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd

1.1. Het Hof heeft in hoger beroep de aanvrager ter zake van "moord" veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf jaren.

1.2. De Hoge Raad heeft bij arrest van 20 november 2001 het tegen 's Hofs arrest ingestelde cassatieberoep verworpen.

2. De procesgang in herziening

2.1. De aanvraag tot herziening is met een drietal bijlagen op 7 januari 2002 bij de Hoge Raad ingediend.

Op 16 mei 2002 heeft mr. Boksem een aanvulling met bijlage op het verzoek tot herziening ingediend. Voorts zijn bij de Hoge Raad ingekomen:

(i) een brief van de aanvrager van 8 januari 2002;

(ii) een faxbericht met een productie van het Algemeen Schriftkundig Bureau E. & W. Waisvisz van 8 april 2002;

(iii) een brief met bijlage van mr. Boksem van 9 april 2002.

2.2. De aanvraag is behandeld ter openbare terechtzitting van de Hoge Raad van 24 september 2002. Aldaar heeft mr. Boksem de aanvraag mondeling toegelicht onder overlegging van een achttal bijlagen.

2.3. De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad op de voet van art. 465 Sv een nader onderzoek zal bevelen, met name met betrekking tot hetgeen de in de bewijsmiddelen genoemde dr. G.A.A. Schoon heeft verklaard en zal menen te kunnen verklaren in het licht van feiten die haar destijds niet bekend zijn geweest, en iedere verdere beslissing op de aanvraag zal aanhouden.

2.4. De Hoge Raad heeft kennis genomen van het schriftelijke commentaar met bijlage van mr. Boksem op de conclusie van de Advocaat-Generaal.

3. De bewezenverklaring

3.1. Ten laste van de aanvrager is bewezenverklaard dat:

"hij op of omstreeks 23 september 1999 in de gemeente Deventer opzettelijk en met voorbedachten rade [het slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, de hals van die [slachtoffer] dichtgedrukt/dichtgetrokken/dichtgeknepen (gehouden) en die [slachtoffer] met een mes één of meermalen in de borst gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden."

3.2. Deze bewezenverklaring steunt - samengevat - onder meer op:

(i) de resultaten van een geurproef die op een inbeslaggenomen mes is uitgevoerd (bewijsmiddel 3a);

(ii) een brief van dr. G.A.A. Schoon, wetenschappelijk medewerkster bij de Rijksuniversiteit Leiden, vakgroep diergedrag, van 11 januari 2000 betreffende die geurproef (bewijsmiddel 3b);

(iii) een ter terechtzitting als getuige-deskundige afgelegde verklaring van voornoemde Schoon, eveneens betreffende die geurproef (bewijsmiddel 4).

4. De grondslag van de aanvraag

De aanvrager beroept zich op een zestal omstandigheden als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv. De in dat artikelonderdeel genoemde grond voor herziening betreft, voorzover hier van belang, een omstandigheid die bij het onderzoek op de terechtzitting de rechter niet was gebleken en die op zichzelf of in verband met de vroeger geleverde bewijzen met de uitspraak niet bestaanbaar schijnt in dier voege dat ernstig vermoeden ontstaat dat ware zij bekend geweest het onderzoek der zaak zou hebben geleid tot vrijspraak van de veroordeelde.

5. Beoordeling van de aanvraag

Het vijfde onderdeel van de aanvraag betreft de geurproef die op het inbeslaggenomen mes is uitgevoerd. In verband met hetgeen de raadsman ten aanzien van de onder 3.2 onder (ii) en (iii) vermelde bewijsmiddelen heeft aangevoerd acht de Hoge Raad, alvorens verder te beslissen, nader onderzoek nodig ter beantwoording van de vraag op grond van welke feiten de getuige-deskundige dr. G.A.A. Schoon tot haar in die bewijsmiddelen neergelegde oordeel is gekomen.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

Alvorens op de aanvraag te beslissen, beveelt een onderzoek als hiervoor onder 5 omschreven door het horen van de getuige-deskundige dr. G.A.A. Schoon, en draagt dit op aan de daartoe uit zijn midden benoemde raadsheer-commissaris mr. W.A.M. van Schendel, die dit onderzoek op de daartoe in de wet voorgeschreven wijze zal verrichten op nader te bepalen plaats en tijd;

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren F.H. Koster, G.J.M. Corstens, E.J. Numann en W.A.M. van Schendel, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 5 november 2002.