Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2003:AE8048

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-06-2003
Datum publicatie
19-06-2003
Zaaknummer
36176
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2003:AE8048
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Aan belanghebbende is voor het jaar 1997 een aanslag in de waterschapsomslag van het Wetterskip Lauwerswâlden (hierna: het waterschap) vastgesteld tot een bedrag van ƒ 53,36, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van het voorlopig Dagelijks Bestuur van het waterschap (hierna: het dagelijks bestuur) is gehandhaafd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2003, 1104 met annotatie van Noordermeer Van Loo
Belastingblad 2003/872
BNB 2003/294 met annotatie van Van Leijenhorst
FED 2003/400
FED 2003/343
WFR 2003/1052
V-N 2003/33.31 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 36.176

13 juni 2003

cl

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 21 april 2000, nr. 794/97, betreffende na te melden aanslag in de waterschapsomslag.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het jaar 1997 een aanslag in de waterschapsomslag van het Wetterskip Lauwerswâlden (hierna: het waterschap) vastgesteld tot een bedrag van ƒ 53,36, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van het voorlopig Dagelijks Bestuur van het waterschap (hierna: het dagelijks bestuur) is gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft de uitspraak van het dagelijks bestuur bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

De Advocaat-Generaal J.W. Ilsink heeft op 23 augustus 2002 geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het Hof, alsmede van de uitspraak op het bezwaarschrift en van de aanslag.

Belanghebbende en het dagelijks bestuur hebben schriftelijk op de conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van de klachten

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

Belanghebbende is in het onderhavige jaar (1997) ter zake van een gebouwde onroerende zaak waarvan hij genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht was, betrokken in de waterschapsomslag van het waterschap. Deze onroerende zaak is gelegen in een vrij lozend gebied.

De Omslagklassenverordening Wetterskip Lauwerswâlden onderscheidt voor gebouwde onroerende zaken twee omslagklassen, te weten klasse 1 voor de - bemalen en vrij lozende - gebieden die wel belang hebben bij de waterschapstaak, en klasse 2 voor de gebieden die geen belang hebben bij de waterschapstaak (hierna: de nulklasse).

Bij zijn besluit niet méér omslagklassen in te stellen, is het voorlopig algemeen bestuur van het waterschap ervan uitgegaan dat de verschillen in hoedanigheid of ligging tussen de gebouwde onroerende zaken welke zijn gelegen in bemalen gebieden respectievelijk in vrij lozende gebieden, leiden tot een verschil in aan die zaken toe te delen kosten van het waterschap - en daarmee tot een verschil in belang bij de waterschapstaak - dat, uitgedrukt in een percentage van de gemiddelde kosten, 138 respectievelijk 69 bedraagt. Bij de berekening van het gemiddelde belang zijn de gebouwde onroerende zaken welke zijn gelegen in gebieden die geen belang hebben bij de waterschapstaak, buiten aanmerking gebleven.

3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat het algemeen bestuur van het waterschap niet op grond van artikel 120, lid 7, van de Waterschapswet verplicht was een aparte omslagklasse in te stellen voor de gebouwde onroerende zaken welke zijn gelegen in vrij lozende gebieden. Tegen dit oordeel richten zich de klachten.

3.3. Bij de beoordeling van de klachten moet het volgende worden vooropgesteld.

3.3.1. Artikel 120, lid 7, van de Waterschapswet luidde voor het onderhavige jaar, voorzover hier van belang, als volgt:

Met betrekking tot de bepaling van de heffingsmaatstaf (...) kan het algemeen bestuur een verordening vaststellen, waarin omslagklassen voor onroerende zaken worden ingesteld om te voorkomen dat verschillen in hoedanigheid of ligging leiden tot onevenredig voor- of nadeel voor de omslagplichtigen.

Ofschoon deze bepaling naar de letter het algemeen bestuur niet verplicht tot het instellen van omslagklassen, dient dat bestuur daartoe wel over te gaan indien en voorzover het ontbreken van omslagklassen leidt tot een willekeurige en onredelijke heffing die de wetgever met het toekennen van de bevoegdheid tot omslagheffing niet kan hebben bedoeld (vgl. ook Kamerstukken II 1988/89, 19 995, nr. 6, blz. 66).

3.3.2. In een uitgave van de Unie van Waterschappen uit april 1994, genaamd Rapport inzake de omslagklassen, wordt betoogd dat sprake is van onevenredig voor- of nadeel waarbij tot het instellen van omslagklassen moet worden overgegaan, als - kort gezegd - het aan aspirant-omslagklassen toe te delen kostenbedrag meer dan 50 percent afwijkt van het gemiddelde kostenbedrag (vgl. onderdeel 2.7 van de conclusie van de Advocaat-Generaal).

3.3.3. In een uitgave van de Unie van Waterschappen uit december 1996, genaamd Evaluatie Waterschapswet, Rapport van de ad hoc-Commissie evaluatie Waterschapswet, wordt voor de vraag wanneer omslagklassen moeten worden ingesteld, verwezen naar het hiervoor in 3.3.2 genoemde rapport (vgl. onderdeel 2.11 van de conclusie van de Advocaat-Generaal).

3.3.4. Bij Wet van 3 juni 1999, Stb. 276, is met ingang van 1 januari 2001 in artikel 120, lid 7, van de Waterschapswet na de hiervoor in 3.3.1 weergegeven volzin een zin ingevoegd, welke luidt:

Voorzover zodanige verschillen leiden tot een verschil in belang van meer dan 50% of van minder dan 25% wordt dat verschil in elk geval aangemerkt als onevenredig onderscheidenlijk niet onevenredig.

Blijkens de Memorie van toelichting op het wetsvoorstel waarin deze bepaling was opgenomen, strekte dit wetsvoorstel ertoe gevolg te geven aan een aantal aanbevelingen tot wetswijziging uit het hiervoor in 3.3.3 genoemde rapport (Kamerstukken II 1998/99, 26 235, nr. 3, blz. 1 en 2).

3.3.5. Uit de tijdens de parlementaire behandeling gegeven toelichting op de hiervoor in 3.3.4 vermelde bepaling blijkt dat het uitgangspunt van de wetgever bleef dat er geen omslagklassen zijn, dat de nadere invulling van het begrip onevenredig voor- of nadeel niet afdeed aan zijn opvatting dat met het instellen van omslagklassen terughoudendheid is te betrachten, maar dat bij een verschil in belang van 50 percent of meer het instellen van een of meer omslagklassen geboden is (vgl. de in de onderdelen 2.12, 2.13 en 2.14 van de conclusie van de Advocaat-Generaal weergegeven wetsgeschiedenis). Gelet op dit een en ander en op het hiervoor in 3.3.4 en 3.3.3 overwogene is aannemelijk dat de wetgever bij het ontwerpen van deze bepaling voor ogen stond hetgeen omtrent de verplichting tot het instellen van omslagklassen was uiteengezet in de hiervoor in 3.3.2 vermelde uitgave van de Unie van Waterschappen uit april 1994. Zulks voert tot de slotsom dat deze bepaling aldus moet worden uitgelegd, dat tot de instelling van omslagklassen moet worden overgegaan indien het aan een aspirant-omslagklasse toe te delen kostenbedrag meer dan 50 percent afwijkt van het gemiddelde kostenbedrag.

3.3.6. Het deel van het waterschapsgebied dat geen belang heeft bij de taakuitoefening van het waterschap, dient bij de beoordeling of omslagklassen moeten worden ingesteld - en dus ook bij de bepaling van het gemiddelde belang - buiten beschouwing te worden gelaten. Het gaat hier immers om objecten waarvan op voorhand vaststaat dat zij, omdat zij zijn gelegen in een gebied dat geen belang heeft bij die voorzieningen, niet in de kosten zullen bijdragen.

3.3.7. De hiervoor in 3.3.4 vermelde bepaling gold nog niet in het onderhavige jaar. De Hoge Raad acht evenwel geen goede grond aanwezig om voor het onderhavige jaar een strengere maatstaf aan te leggen bij de beantwoording van de vraag of het ontbreken van omslagklassen leidt tot een willekeurige en onredelijke heffing die de wetgever met het toekennen van de bevoegdheid tot omslagheffing niet kan hebben bedoeld. De Hoge Raad neemt hierbij in aanmerking dat - ook onder de gelding van artikel 120, lid 7, van de Waterschapswet in de voor het onderhavige jaar geldende tekst - naar de bedoeling van de wetgever aan waterschappen een zekere vrijheid toekwam bij het instellen van omslagklassen en bij de indeling van gebieden in die klassen.

3.4. Uit het hiervoor in 3.3 overwogene volgt dat de klachten falen voorzover zij strekken ten betoge dat bij de beoordeling of omslagklassen moeten worden ingesteld, ook rekening moet worden gehouden met objecten waarvan op voorhand vaststaat dat zij, omdat zij zijn gelegen in een gebied dat geen belang heeft bij die voorzieningen, niet in de kosten zullen bijdragen, en ten betoge dat het waterschap bij een verschil in belang tussen aspirant-omslagklassen onderling van meer dan 50 percent had moeten overgaan tot de instelling van omslagklassen. Opmerking verdient overigens dat het Hof in rechtsoverweging 6.3 terecht de aan de desbetreffende aspirant-omslagklasse toegedeelde kosten heeft vergeleken met de gemiddelde kosten, maar het verschil ten onrechte heeft uitgedrukt in een percentage van de toegedeelde kosten (44 percent) in plaats van in een percentage van de gemiddelde kosten (31 percent).

3.5. De klachten kunnen voor het overige evenmin tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren L. Monné, P.J. van Amersfoort, A.R. Leemreis en C.J.J. van Maanen, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 13 juni 2003.