Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2003:AE6414

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
25-04-2003
Datum publicatie
25-04-2003
Zaaknummer
37683
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2003:AE6414
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PW 2003, 21650 met annotatie van R.E.C.M. Niessen
BNB 2003/225 met annotatie van R.E.C.M. Niessen
FED 2003/263
Belastingadvies 2003/9.3
FED 2004/77
WFR 2003/767
V-N 2003/23.11 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 37.683

25 april 2003

AB

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 18 september 2001, nr. BK-99/01758, betreffende na te melden aan X te Z opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en na te melden beschikking.

1. Aanslag, beschikking, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het jaar 1997 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 271.312. De Inspecteur heeft, gelijktijdig met het vaststellen van die aanslag, het bedrag van de oudedagsreserve bij het einde van het jaar 1997 vastgesteld op ƒ 60.382. De aanslag en de beschikking zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft de uitspraken van de Inspecteur vernietigd, de aanslag verminderd tot een, berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 179.224, en het bedrag van de oudedagsreserve bij het einde van het jaar 1997 vastgesteld op ƒ 20.000. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

De Staatssecretaris heeft een conclusie van repliek ingediend.

De Advocaat-Generaal Th. Groeneveld heeft op 18 juni 2002 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van 's Hofs uitspraak en bevestiging van de uitspraak van de Inspecteur.

3. Beoordeling van het middel

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende dreef een onderneming in de vorm van een eenmanszaak. Op 16 december 1998 heeft hij B B.V. (hierna: de B.V.) opgericht. Bij een overeenkomst van 27 mei 1998 heeft belanghebbende van de B.V. in oprichting een lijfrente bedongen tegen een koopsom van ƒ 132.470. Op 16 december 1998 heeft belanghebbende zijn onderneming in de B.V. ingebracht onder het beding van de op 27 mei 1998 overeengekomen lijfrente.

3.2. Het Hof is in het voetspoor van partijen ervan uitgegaan dat de koopsom voor de lijfrente op 27 mei 1998 is betaald, en heeft geoordeeld dat deze, gelet op het bepaalde in artikel 45b, lid 2, van de Wet op de inkomstenbelasting 1994 (tekst 1997; hierna: de Wet), in het onderhavige jaar (1997) als premie voor een lijfrente in aanmerking kan worden genomen.

3.3. Onderdeel 1 van het middel betoogt dat, gelet op het bepaalde in artikel 45, lid 7, letter a, onder 2°, van de Wet, en gelet op het feit dat de overdracht van de onderneming in 1998 heeft plaatsgevonden, de ruimte voor aftrek van de premie voor een zogenoemde stakingslijfrente bepaald wordt door de afnemingen van de fiscale oudedagsreserve in 1998 en niet door de afneming wegens onvoldoende ondernemingsvermogen in 1997. Voorts betoogt dit onderdeel dat een en ander tevens betekent dat een lijfrente als hier aan de orde slechts kan worden bedongen in het jaar van overdracht dan wel binnen zes maanden na afloop van dat jaar, en dat belanghebbende derhalve geen recht heeft op aftrek van lijfrentepremies als persoonlijke verplichting, waarbij het onderdeel kennelijk het oog heeft op aftrek als persoonlijke verplichting in 1997 van het in 1998 als koopsom voor de stakingslijfrente betaalde bedrag.

3.4. Artikel 45b, lid 2, van de Wet bepaalt dat, mits aan zekere voorwaarden is voldaan, premies voor lijfrenten welke binnen zes maanden na afloop van het kalenderjaar ten laste van de belastingplichtige zijn betaald of verrekend, worden aangemerkt als premies voor lijfrenten welke zijn betaald of verrekend in het kalenderjaar.

3.5. Met betrekking tot artikel 45b, lid 2, van de Wet is in de Nota van Wijziging, Kamerstukken II, 1990/91, 21 198, nr. 10, blz. 18, opgemerkt:

"Het tweede lid houdt verband met het feit dat in artikel 45a, tweede en derde lid, de maximale lijfrentepremie-aftrek is gerelateerd aan het persoonlijke inkomen en in het vijfde lid van genoemd artikel aan de stakingswinst. Aangezien veelal pas na afloop van het kalenderjaar vast zal staan hoeveel het inkomen of de winst is, terwijl voor het einde van het desbetreffende jaar de lijfrentepremies moeten worden betaald, is bepaald dat een premiebetaling die plaatsvindt binnen een periode van zes maanden na afloop van het desbetreffende kalenderjaar op verzoek nog in aanmerking wordt genomen in het desbetreffende kalenderjaar. Dit geeft de belastingplichtige de tijd aan de hand van zijn inkomen te bepalen wat hij in aftrek mag brengen; hij kan daarmee dan rekening houden bij de bepaling van het te storten bedrag. Een soortgelijke bepaling kwam reeds voor in artikel 19 van de Wet op de inkomstenbelasting 1994, welk artikel thans vervalt."

3.6. Gelet op voormelde wetsgeschiedenis is de opvatting dat artikel 45b, lid 2, van de Wet toelaat dat premies voor lijfrenten welke in het jaar van staking in verband met het met of bij die staking behaalde bedrag van de winst worden betaald, kunnen worden aangemerkt als premies voor lijfrenten welke zijn betaald of verrekend in het voorafgaande kalenderjaar, onjuist.

3.7. Nu blijkens overweging 4.7 van 's Hofs uitspraak voor het Hof uiteindelijk niet meer in geschil was dat in 1997 geen staking heeft plaatsgevonden, kan gelet op het hiervoor overwogene de betaling in 1998 van een bedrag als koopsom voor een in verband met de overdracht van de onderneming in 1998 van de B.V. bedongen stamrecht niet tot aftrek in 1997 leiden, tenzij belanghebbendes door het Hof buiten behandeling gelaten beroep op het gelijkheidsbeginsel zou opgaan. Mitsdien kan 's Hofs uitspraak niet in stand blijven, en moet verwijzing volgen. Het middel behoeft verder geen behandeling.

Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof een vergoeding dient te worden toegekend.

Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissingen omtrent de heffingsrente en het griffierecht, en

verwijst het geding naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.

Dit arrest is gewezen door de vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren L. Monné, P.J. van Amersfoort, A.R. Leemreis en C.J.J. van Maanen, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 25 april 2003.