Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2003:AE2312

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-08-2003
Datum publicatie
11-08-2003
Zaaknummer
36778
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2003:AE2312
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Nr. 36.778 8 augustus 2003 SE gewezen op het beroep in cassatie van X7 te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 30 november 2000, nr. 99/00301, betreffende na te melden aanslag in een baatbelasting van de gemeente Breda. 1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof...

Wetsverwijzingen
Gemeentewet 222
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Grondzaken 2015/494
Belastingblad 2003/988
BNB 2003/341 met annotatie van W.J.N.M. SNOIJINK
FED 2003/426
WFR 2003/1260
FED 2003/563
V-N 2003/38.25 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 36.778

8 augustus 2003

SE

gewezen op het beroep in cassatie van X7 te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 30 november 2000, nr. 99/00301, betreffende na te melden aanslag in een baatbelasting van de gemeente Breda.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is ter zake van het genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van de onroerende zaak j-straat 1 te Breda een aanslag in de baatbelasting binnenstad van de gemeente Breda opgelegd, welke aanslag op verzoek is omgezet in jaarlijkse aanslagen van ƒ 8183,80. Het geschil betreft de aanslag voor het belastingjaar 1996, welke aanslag na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van het hoofd van de afdeling belastingen van de gemeente Breda (hierna: het hoofd) is gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft die uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda (hierna: het College) heeft een verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal J.W. Ilsink heeft op 12 maart 2002 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie en tot vernietiging van de uitspraak van het Hof, de uitspraak van het hoofd en de aanslag.

Het College heeft schriftelijk op deze conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van 's Hofs uitspraak naar aanleiding van de klachten en ambtshalve

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

Op 24 juni 1994 is de gemeente Breda begonnen met de herinrichting van het historische stadshart van Breda. De werkzaamheden hebben omvat de aanleg van sierbestrating, (sier-)verlichting en groenvoorzieningen, het plaatsen van straatmeubilair, het vernieuwen van riolering en de vernieuwing van nutsleidingen door middel van het aanbrengen van mantelbuizen.

Het besluit tot herinrichting van het historische stadshart is op 29 maart 1994 genomen tijdens de vergadering van de raad van de gemeente Breda (hierna: de raad). Op 2 juni 1994 heeft de raad het op de hierbedoelde herinrichting betrekking hebbende bekostigingsbesluit (hierna: het Bekostigingsbesluit) vastgesteld. Ten slotte heeft de raad op 29 februari 1996 de Verordening baatbelasting binnenstad 1996 (hierna: de Verordening) vastgesteld.

3.2.1. De tweede klacht bestrijdt 's Hofs oordeel dat noch uit de tekst van artikel 222 van de Gemeentewet (hierna: de Wet), noch uit de geschiedenis van de totstandkoming ervan volgt dat baatbelasting niet geheven zou kunnen worden bij vervanging van bestaande voorzieningen.

3.2.2. Bij de beoordeling van deze klacht moet het volgende worden vooropgesteld.

Onder het tot stand brengen van voorzieningen in de zin van artikel 222, lid 1, van de Wet is niet enkel te verstaan het tot stand brengen van een voorheen niet bestaande voorziening. Ook een wijziging of vervanging van een bestaande voorziening kan het tot stand brengen van een voorziening in de zin van genoemde wetsbepaling inhouden, mits zulks in een verbetering van de bestaande voorziening resulteert.

Van het tot stand brengen van een voorziening in de zin van artikel 222, lid 1, van de Wet is evenwel geen sprake indien en voorzover de door of met medewerking van de gemeente uitgevoerde werkzaamheden bestaan in onderhoudswerkzaamheden, daaronder mede begrepen het wegwerken van achterstallig onderhoud. Indien, zoals in het onderhavige geval, de door de gemeente uitgevoerde werkzaamheden de herinrichting van een gebied betreffen, is slechts sprake van een als voorziening in de zin van genoemde wetsbepaling aan te merken verbetering en niet van (groot) onderhoud, indien en voorzover door de herinrichting het geheel van voorzieningen in het heringerichte gebied in vergelijking met de toestand waarin dit zich bij de oorspronkelijke inrichting of de laatste herinrichting bevond, wezenlijk veranderd is, waardoor het naar inrichting, aard of omvang een wijziging heeft ondergaan. Indien bij herinrichtingswerkzaamheden zowel (groot) onderhoud als verbetering plaatsvindt, moeten de kosten daarvan worden gesplitst in onderhoudskosten en kosten van verbetering. Slechts de kosten van verbetering kunnen door middel van de heffing van baatbelasting worden verhaald.

3.2.3. Gelet op het hiervoor overwogene faalt belanghebbendes klacht, nu het Hof is uitgegaan van de juiste rechtsopvatting dat ook in geval van vervanging van een bestaande voorziening heffing van baatbelasting mogelijk is.

3.2.4. Het Hof heeft voorts geoordeeld dat voorzover belanghebbende heeft bedoeld te stellen dat bij de voorzieningen sprake is geweest van groot onderhoud en niet van verbetering van bestaande voorzieningen en dat daarom heffing van baatbelasting niet mogelijk is, die stelling moet worden verworpen omdat, gelet op de door het hoofd overgelegde foto's van een deel van het heringerichte gebied voor en na de herinrichting en op de hoogte van de kosten van de herinrichting als vermeld in de toelichting bij de Verordening, gesteld tegenover de door het hoofd berekende kosten van een sobere herinrichting ten bedrage van ƒ 5.940.000, de herinrichting meer heeft behelsd dan groot onderhoud.

Met dit oordeel heeft het Hof geen inzicht in zijn gedachtegang gegeven. Niet duidelijk is of het Hof bij dit oordeel is uitgegaan van de hiervoor onder 3.2.2 uiteengezette regels. Indien dat wel het geval is, is niet duidelijk of en, zo ja, in welke mate het Hof hier (groot) onderhoud aanwezig heeft geoordeeld. Aldus is dit oordeel niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

3.3.1. De vierde klacht richt zich tegen 's Hof oordeel dat voor de toestand waarnaar moet worden beoordeeld of een onroerende zaak is gebaat, de stand van zaken met betrekking tot de uitvoering van de herinrichting niet van belang is. Het Hof heeft de stelling van belanghebbende dat gelet op de deplorabele staat van de j-straat op 1 september 1996 - dit is het tijdstip waarnaar volgens de Verordening moet worden beoordeeld of de onroerende zaken gebaat zijn - , de onroerende zaak niet is gebaat, verworpen.

3.3.2. Ingevolge artikel 222, lid 3, van de Wet dient de beoordeling of een bepaalde onroerende zaak gebaat is, plaats te vinden naar de toestand op een in de belastingverordening te bepalen tijdstip dat is gelegen uiterlijk een jaar nadat de voorzieningen geheel zijn voltooid (hierna: de peildatum). De tekst en de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling laten toe dat de peildatum is gelegen vóór de datum van de algehele voltooiing van de voorzieningen. Ook in een dergelijk geval zal de beoordeling of de onroerende zaak is gebaat, evenwel moeten plaatsvinden naar de omstandigheden op de peildatum (vgl. HR 24 juli 2001, nr. 35981, BNB 2001/328, rechtsoverweging 3.3.2); daarbij is - gelijk het Hof heeft geoordeeld - de stand van zaken met betrekking tot de uitvoering van de herinrichting niet van belang, nu de peildatum slechts het moment is waarnaar moet worden beoordeeld of naar verwachting de herinrichting ook met betrekking tot de j-straat tot stand zal worden gebracht en of deze, na haar voltooiing, ertoe leidt dat belanghebbendes onroerende zaak gebaat zal zijn.

Deze klacht faalt derhalve in zoverre.

3.4. Op grond van het hiervoor onder 3.2.4 overwogene kan 's Hofs uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen. De klachten behoeven voor het overige geen behandeling. De hierin aan de orde gestelde vragen kunnen, voorzover nodig, na verwijzing nog aan de orde komen.

4. Proceskosten

Het College zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof een vergoeding dient te worden toegekend.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof,

verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,

gelast dat de gemeente Breda aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van ƒ 160 (€ 72,60), en

veroordeelt het College in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1288 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de gemeente Breda aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Dit arrest is gewezen door de vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren L. Monné, P.J. van Amersfoort, J.W. van den Berge en A.R. Leemreis, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 8 augustus 2003.