Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2003:AD5797

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11-04-2003
Datum publicatie
11-04-2003
Zaaknummer
36729
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2003:AD5797
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Europees bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

De Hoge Raad verzoekt het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen uitspraak te doen over de volgende vragen:

1. Moet een personenauto die aan een natuurlijk persoon ter beschikking is gesteld door zijn werkgever en door hem zowel voor beroepsdoeleinden als voor particuliere doeleinden wordt gebruikt, worden aangemerkt als een persoonlijk goed in de zin van artikel 1, lid 2, letter c, van Verordening(EEG) nr. 918/83 van de Raad van 28 maart 1983 betreffende de instelling van een communautaire regeling inzake douanevrijstellingen?

2. Moet het bepaalde in artikel 3, letter a, van die verordening, inhoudende dat een goed ten minste zes maanden vóór de datum waarop een belanghebbende zijn normale verblijfplaats in het derde land van herkomst heeft opgegeven in zijn bezit is geweest, aldus worden uitgelegd dat de belanghebbende die een zaak, al dan niet tegen een vergoeding, in het kader van het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van de eigenaar van de zaak ter beschikking heeft gekregen, die zaak bezit in de zin van voormelde bepaling?

3. Is het voor het antwoord op vraag 2 van belang of de belanghebbende gedurende de gehele periode van zes maanden het recht heeft de personenauto te kopen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2003/208
FED 2003/341
FED 2003/229
WFR 2003/680
V-N 2003/21.16 met annotatie van Redactie
NTFR 2003/685 met annotatie van Schellekens
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 36.729

11 april 2003

whk

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 19 oktober 2000, nr. 98/02379, betreffende na te melden ten aanzien van X te Z gegeven beschikking inzake vrijstelling van belasting van personenauto's en motorrijwielen.

1. Beschikking, bezwaar en geding voor het Hof

Ten aanzien van belanghebbende is door de Inspecteur op 4 maart 1998 een beschikking gegeven inhoudende de weigering vrijstelling van belasting van personenauto's en motorrijwielen te verlenen voor een door belanghebbende vanuit Oostenrijk naar Nederland overgebrachte personenauto, welke beschikking, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft deze uitspraak vernietigd en aan belanghebbende vergunning verleend om de personenauto van het merk Audi, type A-4 Avant, chassisnummer 002 met het Oostenrijkse kenteken aa-00bb (hierna: de personenauto) met voorwaardelijke vrijstelling van belasting van personenauto's en motorrijwielen (hierna: BPM) te registreren in het krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aangehouden register van opgegeven kentekens.

De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal J.W. Ilsink heeft op 17 oktober 2001 geconcludeerd tot aanhouding van het cassatieberoep en tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

Belanghebbende is in Oostenrijk in loondienst werkzaam geweest voor A GmbH (hierna: de werkgever). Gedurende de periode vanaf 18 oktober 1996 tot en met 14 december 1997 heeft de werkgever aan belanghebbende de personenauto ter beschikking gesteld, zowel voor persoonlijk gebruik als voor gebruik ten behoeve van zijn werkzaamheden voor de werkgever. Gedurende die periode was de werkgever eigenaar van de personenauto en had belanghebbende met uitsluiting van ieder ander de personenauto volledig tot zijn beschikking. In verband met zijn overplaatsing naar Nederland heeft belanghebbende op 15 december 1997 gebruik gemaakt van het hem bij de ingebruikname van de personenauto toegekende voorkeurskooprecht en de auto gekocht van de werkgever.

In januari 1998 heeft belanghebbende zijn normale verblijfplaats in Oostenrijk verlaten en op 10 februari 1998 heeft hij bij de gemeente Q aangifte gedaan van zijn vestiging in Q.

De Inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat de met betrekking tot de heffing van belasting van personenauto's en motorrijwielen geldende, zogeheten verhuisboedelvrijstelling te dezen toepassing mist.

3.2.1. Op de voet van artikel 1, lid 2, van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 (hierna: de Wet) is ter zake van de registratie van een personenauto of een motorrijwiel in het krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aangehouden register van opgegeven kentekens belasting van personenauto's en motorrijwielen verschuldigd.

3.2.2. Op de voet van artikel 14 van de Wet juncto artikel 4, lid 1, van het Uitvoeringsbesluit belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 (hierna: het Besluit) - voorzover te dezen van belang - wordt vrijstelling van deze belasting verleend voor uit een ander land afkomstige personenauto's en motorrijwielen, indien ter zake van het in het vrije verkeer brengen daarvan aanspraak op vrijstelling van rechten bij invoer bestaat, of zou bestaan indien de vervoermiddelen uit een ander land dan een lidstaat van de Europese Gemeenschap in het vrije verkeer zouden zijn gebracht, onder de daarbij gestelde voorwaarden en beperkingen. Indien, zoals in het onderhavige geval, het vervoermiddel wordt binnengebracht vanuit het vrije verkeer van een lidstaat, wordt de vrijstelling ingevolge artikel 4, lid 4, in verbinding met artikel 2, lid 2, van het Besluit op verzoek door de inspecteur verleend bij voor bezwaar vatbare beschikking.

3.2.3. Het vorenstaande betekent dat vrijstelling wordt verleend van de ter zake van de registratie van uit het buitenland, ook uit een andere lidstaat, komende personenauto's en motorrijwielen verschuldigde belasting, indien bij het brengen ervan in het vrije verkeer vrijstelling van rechten bij invoer zou gelden op de voet van Verordening (EEG) nr. 918/83 van de Raad van 28 maart 1983 betreffende de instelling van een communautaire regeling inzake douanevrijstellingen, Publicatieblad EG 1983, nr. L 105 (zoals nader gewijzigd; hierna: de Verordening).

3.2.4. In aanmerking genomen artikel 2 van de Verordening wordt derhalve vrijstelling van belasting van personenauto's en motorrijwielen verleend voor een uit het buitenland afkomstige automobiel voor particulier gebruik in de zin van artikel 1, lid 1, letter c, van de Verordening, die in Nederland wordt binnengebracht door een natuurlijke persoon die zijn normale verblijfplaats naar Nederland overbrengt, mits het vervoermiddel ten minste zes maanden vóór de datum waarop de belanghebbende zijn normale verblijfplaats in het land van herkomst heeft opgegeven, bij hem in bezit en gebruik is geweest in de zin van artikel 3, aanhef en letter a, van de Verordening en mits deze bestemd is om voor hetzelfde doel te worden gebruikt in zijn nieuwe normale verblijfplaats (artikel 3, aanhef en letter b).

3.3.1. Het Hof heeft geoordeeld dat, gelet op de in artikel 1, lid 2, letter c, van de Verordening gegeven definitie van het begrip "persoonlijk goed" en in aanmerking nemende hetgeen onder de vaststaande feiten is overwogen, de personenauto in ieder geval ten tijde van belanghebbendes verhuizing naar Nederland een persoonlijk goed van belanghebbende in de zin van die bepaling was. Vervolgens heeft het Hof onderzocht of belanghebbende dit goed ten minste zes maanden vóór de datum waarop hij zijn normale verblijfplaats in Oostenrijk heeft opgegeven in bezit had in de zin van artikel 3, letter a, van de Verordening. Het Hof heeft geoordeeld dat dit begrip "bezit" een communautair begrip is, dat, nu het niet nader wordt toegelicht in de Verordening, gelet op onder meer het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 14 mei 1985, Van Dijk's Boekhuis, nr. 139/84, Jur. 1985, blz. 1405, BNB 1985/353, dient te worden uitgelegd aan de hand van het spraakgebruik.

Daartoe heeft het Hof in aanmerking genomen dat gedurende de periode 18 oktober 1996 tot en met 15 december 1997:

* belanghebbende de auto volledig en feitelijk tot zijn beschikking had;

* de werkgever, naar belanghebbende onweersproken heeft gesteld, geen andere werknemers kon aanwijzen als (mede-)gebruiker van de auto;

* de auto - naar het Hof aannemelijk acht - om economische en administratieve redenen was opgenomen in het wagenpark van de werkgever, en

* de werkgever bij de ingebruikname van de auto aan belanghebbende het voorkeurskooprecht heeft verleend.

Dit een en ander, tezamen en in onderlinge samenhang beschouwd en gelet op het hiervóór overwogene, bracht het Hof tot het oordeel dat een situatie is ontstaan die de situatie van de "auto voor zichzelf houden" zozeer nabij komt dat volgens de in het maatschappelijk verkeer gangbare opvatting sprake is van bezit van de personenauto vanaf 18 oktober 1996. Ten slotte heeft het Hof geoordeeld dat, nu de verkrijging door belanghebbende van de eigendom van de personenauto op 15 december 1997 geen verandering heeft gebracht in zijn bezit ervan, belanghebbende de personenauto gedurende meer dan zes maanden vóór de datum waarop hij zijn normale verblijfplaats in Oostenrijk heeft opgegeven in bezit had in de zin van artikel 3, letter a, van de Verordening.

3.4.1. Tegen deze oordelen richten zich de middelen met het betoog dat het Hof de begrippen "persoonlijke goederen", bedoeld in artikel 1, lid 2, letter c, van de Verordening, en "bezit', bedoeld in artikel 3, letter a, van de Verordening niet juist heeft uitgelegd.

3.4.2. Volgens middel I had het Hof moeten onderzoeken of de personenauto niet slechts op het moment van de verhuizing, maar ook zes maanden daaraan voorafgaand een "persoonlijk goed" van belanghebbende was. Onder persoonlijke goederen worden, aldus het middel, ingevolge artikel 1, lid 2, letter c, van de Verordening verstaan goederen die voor het persoonlijke gebruik of de behoeften van het huishouden dienen, in het bijzonder ook automobielen voor particulier gebruik. Van een dergelijke automobiel is in dit geval volgens het middel geen sprake, nu de personenauto tot 15 december 1997 - dus minder dan zes maanden vóór het tijdstip van de verhuizing - zowel privé als zakelijk werd gebruikt en eigendom was van de werkgever en aan belanghebbende als werknemer ter beschikking was gesteld. De personenauto die een werkgever aan zijn werknemer ter beschikking stelt en die niet uitsluitend privé wordt gebruikt, kan, aldus het middel, niet worden aangemerkt als een persoonlijk goed van die werknemer in de zin van de Verordening.

3.4.3. Middel II trekt in twijfel of het begrip "bezit", dat een communautair begrip is, moet worden uitgelegd aan de hand van het spraakgebruik. Onder "bezit" moet een situatie worden verstaan die de eigendom zeer nabij komt, aldus het middel, met andere woorden afgezien van de juridische titel van eigendom geldt de bezitter feitelijk als eigenaar. Hiervan was met betrekking tot de personenauto geen sprake, althans tot 15 december 1997. In dat kader wordt in het middel gewezen op de navolgende omstandigheden:

* de auto stond op naam van de werkgever;

* de auto gold als "Firmen-PKW" en had als kenteken "b-ccc-0";

* de auto behoorde tot het wagenpark van de werkgever;

* de werkgever betaalde de verzekering, het onderhoud en de reparaties van de auto;

* de waardeveranderingen waren niet voor risico van belanghebbende;

* belanghebbende had niet de bevoegdheid tot vervreemding van de auto.

Deze omstandigheden tezamen en in onderlinge samenhang beschouwd zouden slechts de conclusie rechtvaardigen, aldus middel II, dat belanghebbende tot 15 december 1997 "de auto voor zijn werkgever heeft gehouden" en deze niet in bezit had in de zin van artikel 3, letter a, van de Verordening.

3.5.1. Op grond van artikel 2 van de Verordening wordt vrijstelling verleend ingeval persoonlijke goederen in het vrije verkeer worden ingevoerd door een natuurlijke persoon die zijn normale verblijfplaats overbrengt. Ingevolge artikel 3 van de Verordening is de vrijstelling beperkt tot persoonlijke goederen die - behoudens in bijzondere gevallen - ten minste zes maanden vóór, kort gezegd, het tijdstip van de verhuizing in bezit zijn geweest van die natuurlijke persoon. Ongetwijfeld houden deze bepalingen in samenhang gezien in dat de vrijstelling geldt voor goederen die als persoonlijk goed ten minste zes maanden in bezit zijn geweest van een belanghebbende.

3.5.2. Allereerst doet zich de vraag voor of een goed dat zowel voor beroepsdoeleinden als voor particuliere doeleinden wordt gebruikt is aan te merken als een persoonlijk goed. Steun voor een bevestigend antwoord op deze vraag zou kunnen worden ontleend aan het bepaalde in artikel 5 van Richtlijn nr. 83/181/EEG van de Raad van 28 maart 1983, houdende bepaling van de werkingssfeer van artikel 14, lid 1, sub d, van Richtlijn 77/388/EEG met betrekking tot de vrijstelling van de belasting over de toegevoegde waarde voor de definitieve invoer van bepaalde goederen, Publicatieblad EG 1983, nr. L 105. Deze richtlijn bevat met betrekking tot de invoer in het vrije verkeer van persoonlijke goederen in het kader van de overbrenging van de normale verblijfplaats in hoofdzaak dezelfde definities - onder meer die van het begrip persoonlijke goederen - en voorwaarden als de Verordening. In artikel 5 van die richtlijn wordt bepaald dat voertuigen voor gemengd gebruik die voor handels- of beroepsdoeleinden worden gebruikt, door de lidstaten van de vrijstelling kunnen worden uitgesloten. Hieruit zou kunnen worden afgeleid dat de richtlijngever ervan uitgaat dat voertuigen die zowel voor persoonlijke als voor zakelijke doeleinden worden gebruikt, als persoonlijke goederen moeten worden aangemerkt. Het is de vraag of hetzelfde geldt voor de Verordening. Hierbij is ook de vraag of sprake is van een gebruik voor hetzelfde doel indien een auto die in de vroegere verblijfplaats zowel voor zakelijke doeleinden ten behoeve van een ander als voor eigen privé-doeleinden werd gebruikt, in de nieuwe verblijfplaats niet langer voor eerstbedoeld doel zal worden gebruikt.

3.5.3. Voorts rijst in deze zaak de vraag welke betekenis moet worden gehecht aan "bezit" in de zin van artikel 3, letter a, van de Verordening. Omvat dit begrip mede het geval dat over de betrokken zaak kan worden beschikt krachtens een rechtsverhouding met een ander, die de eigenaar is en die de zaak in het kader van zijn bedrijf ter beschikking heeft gesteld, waarbij toestemming is verleend voor particulier gebruik? Ook rijst de vraag of het daarbij verschil maakt of in de gehele periode van zes maanden betrokkene het recht had tot aankoop van de zaak over te gaan.

3.6. Aangezien hetgeen hiervóór in 3.5.2 en 3.5.3 is overwogen vragen van uitlegging van communautaire bepalingen betreft, zal de Hoge Raad op de voet van artikel 234 EG aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen verzoeken om een prejudiciële beslissing inzake na te melden vragen.

4. Beslissing

De Hoge Raad verzoekt het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen uitspraak te doen over de volgende vragen:

1. Moet een personenauto die aan een natuurlijk persoon ter beschikking is gesteld door zijn werkgever en door hem zowel voor beroepsdoeleinden als voor particuliere doeleinden wordt gebruikt, worden aangemerkt als een persoonlijk goed in de zin van artikel 1, lid 2, letter c, van Verordening(EEG) nr. 918/83 van de Raad van 28 maart 1983 betreffende de instelling van een communautaire regeling inzake douanevrijstellingen?

2. Moet het bepaalde in artikel 3, letter a, van die verordening, inhoudende dat een goed ten minste zes maanden vóór de datum waarop een belanghebbende zijn normale verblijfplaats in het derde land van herkomst heeft opgegeven in zijn bezit is geweest, aldus worden uitgelegd dat de belanghebbende die een zaak, al dan niet tegen een vergoeding, in het kader van het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van de eigenaar van de zaak ter beschikking heeft gekregen, die zaak bezit in de zin van voormelde bepaling?

3. Is het voor het antwoord op vraag 2 van belang of de belanghebbende gedurende de gehele periode van zes maanden het recht heeft de personenauto te kopen?

De Hoge Raad houdt iedere verdere uitspraak aan en schorst het geding, totdat het Hof van Justitie naar aanleiding van het vorenstaande verzoek uitspraak zal hebben gedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J. Zuurmond als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, D.G. van Vliet, P. Lourens en J.W. van den Berge, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 11 april 2003.