Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2003:AD5359

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
17-01-2003
Datum publicatie
17-01-2003
Zaaknummer
C01/167HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2003:AD5359
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2003, 36
JWB 2003/21
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 januari 2003

Eerste Kamer

Nr. C01/167HR

JMH

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

VIDEOLAND ARNHEM-ZUID B.V., gevestigd te Arnhem,

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. J. Groen,

t e g e n

[Verweerder], wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

niet verschenen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - heeft bij exploit van 28 januari 1999 eiseres tot cassatie - verder te noemen: Videoland - gedagvaard voor de Kantonrechter te Arnhem en gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, Videoland te veroordelen:

1. [verweerder] toe te laten tot de bedongen arbeid onder verbeurte van een dwangsom van ƒ 500,-- per dag voor iedere dag dat Videoland na betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis niet zal voldoen aan het bevel tot toelating tot de bedongen arbeid;

2. om aan [verweerder] te betalen (a) ƒ 29.057,27 bruto wegens loon, (b) ƒ 14.528,64 bruto wegens de wettelijke verhoging over voormeld bedrag, (c) een bedrag van ƒ 2.637,24 wegens brutoloon vanaf 1 januari 1999 tot de dag waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn beëindigd, (d) de wettelijke verhoging ad 50% onder de 2c genoemde bedragen, (e) een bedrag van ƒ 7.643,-- netto wegens maaltijdvergoeding, (f) de wettelijke rente over de sub 2a tot en met 2e genoemde bedragen vanaf de dag der dagvaarding en (g) de buitengerechtelijke kosten ad 15% over alle voormelde bedragen.

Videoland heeft de vorderingen bestreden.

Na een tussenvonnis van 18 oktober 1999 heeft de Kantonrechter bij eindvonnis van 31 januari 2000 Videoland veroordeeld om aan [verweerder] te betalen (a) een bedrag van ƒ 29.057,27 bruto wegens achterstallig loon over de periode 1 augustus 1996 tot en met december 1998, (b) een bedrag van ƒ 2.906,-- bruto wegens de wettelijke verhoging ex art. 7:625 lid 1 BW, (c) een bedrag van ƒ 2.637,24 bruto per maand vanaf 1 januari 1999 tot en met 15 februari 1999, (d) de wettelijke verhoging over het onder 2c toegewezene, met dien verstande dat dat alleen geldt voor zover de betalingstermijn daadwerkelijk wordt c.q. is overschreden en met inachtneming van de in art. 7:625 lid 1 BW genoemde percentages, (e) een bedrag van ƒ 7.643,-- netto wegens maaltijdvergoeding, (f) de wettelijke rente over de sub 2a tot en met 2e genoemde bedragen, en (g) de buitengerechtelijke kosten ad 15% over het sub 2a tot en met 2e toegewezene. Het meer of anders gevorderde heeft de Kantonrechter afgewezen.

Tegen dit eindvonnis heeft Videoland hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Arnhem.

Bij vonnis van 1 maart 2001 heeft de Rechtbank het vonnis van de Kantonrechter van 31 januari 2000 bekrachtigd.

Het vonnis van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het vonnis van de Rechtbank heeft Videoland beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding en de herstelexploiten zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

Tegen de niet verschenen [verweerder] is verstek verleend.

Videoland heeft de zaak doen toelichten door haar advocaat.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L.A.D. Keus strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van de middelen

De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt Videoland in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op nihil.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R. Herrmann als voorzitter en de raadsheren J.B. Fleers, D.H. Beukenhorst, O. de Savornin Lohman en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer O. de Savornin Lohman op 17 januari 2003.