Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2003:AA4725

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
31-01-2003
Datum publicatie
31-01-2003
Zaaknummer
C98/053HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2003:AA4725
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet arbeid mijnbouw Noordzee 10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2003, 75
NJ 2005, 337 met annotatie van Th.M. de Boer
RvdW 2003, 29
JAR 2003, 71
JAR 2003/71
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

31 januari 2003

Eerste Kamer

Nr. C98/053HR

MD

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Ex-werknemer], wonende te [woonplaats], Bondsrepubliek Duitsland,

EISER tot cassatie,

advocaat: mr E. van Staden ten Brink,

t e g e n

de vennootschap naar Schots recht UNIVERSAL OGDEN SERVICES LTD, gevestigd te Aberdeen, Schotland, Verenigd Koninkrijk van Groot Brittannië en Noord Ierland,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr C.J.J.C. van Nispen.

1. De procedure

De Hoge Raad verwijst naar zijn arrest van 4 februari 2000 voor een samenvatting van het geding in feitelijke instanties en het geding in cassatie tussen eiser tot cassatie - verder te noemen: [ex-werknemer] - en verweerster in cassatie - verder te noemen: UOS - voorafgaande aan genoemd arrest.

Bij arrest van 27 februari 2002, zaak C-37/00, heeft het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, uitspraak doende op de door de Hoge Raad in zijn genoemd arrest aan dit Hof gestelde vragen, voor recht verklaard:

1) Arbeid die een werknemer op vaste of drijvende installaties die zich op of boven het aan een verdragsluitende staat toebehorend deel van het continentaal plat bevinden, in het kader van de exploratie en/of exploitatie van de natuurlijke rijkdommen ervan verricht, moet voor de toepassing van artikel 5, sub 1, van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, zoals gewijzigd bij het Verdrag van 9 oktober 1978 inzake de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, bij het Verdrag van 25 oktober 1982 betreffende de toetreding van de Helleense Republiek en bij het Verdrag van 26 mei 1989 betreffende de toetreding van het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek, worden aangemerkt als arbeid verricht op het grondgebied van die staat.

2) Artikel 5, sub 1, Executieverdrag moet aldus worden uitgelegd dat ingeval de werknemer de uit zijn arbeidsovereenkomst voortvloeiende verplichtingen in meerdere verdragsluitende staten vervult, de plaats waar hij gewoonlijk zijn arbeid verricht in de zin van deze bepaling, de plaats is waar of van waaruit hij, rekening houdend met alle omstandigheden van het concrete geval, feitelijk het belangrijkste deel van zijn verplichtingen jegens zijn werkgever vervult.

Betreft het een arbeidsovereenkomst ter uitvoering waarvan de werknemer voor zijn werkgever dezelfde werkzaamheden in meer dan één verdragsluitende staat verricht, dan moet in beginsel rekening worden gehouden met de volledige duur van de arbeidsverhouding om de plaats te bepalen waar de betrokkene gewoonlijk zijn arbeid verrichtte in de zin van deze bepaling.

Bij gebreke van andere criteria is deze plaats de plaats waar de werknemer het grootste deel van zijn arbeidstijd heeft doorgebracht.

Dit is slechts anders, indien het voorwerp van het betrokken geschil, gelet op de feitelijke gegevens van het concrete geval, nauwere aanknopingspunten heeft met een andere plaats van arbeid, in welk geval die plaats relevant is voor de toepassing van artikel 5, sub 1, Executieverdrag.

Kan de nationale rechterlijke instantie aan de hand van de door het Hof geformuleerde criteria niet de plaats bepalen waar de arbeid gewoonlijk wordt verricht, in de zin van artikel 5, sub 1, Executieverdrag, dan heeft de werknemer de keus om zijn werkgever op te roepen hetzij voor het gerecht van de plaats waar zich de vestiging bevindt die hem in dienst heeft genomen, hetzij voor de gerechten van de verdragsluitende staat op het grondgebied waarvan de werkgever zijn woonplaats heeft.

3) Het op het hoofdgeding toepasselijke nationale recht heeft geen invloed op de uitlegging van het begrip plaats waar de werknemer gewoonlijk zijn arbeid verricht in de zin van artikel 5, sub 1, Executieverdrag, dat het voorwerp van de tweede vraag vormt.

De zaak is voor partijen nader schriftelijk toegelicht door hun advocaten en voor UOS mede door mr. S.J. Schaafsma, advocaat bij de Hoge Raad.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot verwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing.

2. Beoordeling van het middel

2.1 In zijn onder 1 vermelde tussenarrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat onderdeel 1 gegrond is: de Rechtbank had ambtshalve moeten onderzoeken of de Kantonrechter krachtens het EEX bevoegd is van de vordering van [ex-werknemer] kennis te nemen. Ter beoordeling staan derhalve thans de onderdelen 2 en 3.

2.2 Onderdeel 2 strekt ten betoge dat (a) [ex-werknemer] geacht moet worden sedert zijn indiensttreding in 1987 bij UOS zijn arbeid gewoonlijk te hebben verricht op het Nederlands deel van het continentaal plat, en (b) de door [ex-werknemer] op dit deel van het continentaal plat verrichte werkzaamheden voor de toepassing van art. 5 sub 1 EEX moeten worden aangemerkt als in Nederland verrichte werkzaamheden zodat de Rechtbank tot de slotsom had moeten komen dat de Kantonrechter op grond van die bepaling bevoegd is om van de vordering van [ex-werknemer] kennis te nemen. Ter zake van dit onderdeel heeft de Hoge Raad prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (HvJEG) voorgelegd. Bij zijn onder 1 vermelde arrest heeft het HvJEG, uitspraak doende op de door de Hoge Raad gestelde vragen, voor recht verklaard als hiervóór onder 1 vermeld.

2.3 Uit de beantwoording van de gestelde vragen volgt dat indien [ex-werknemer] gewoonlijk zijn arbeid verrichtte op vaste of drijvende installaties die zich op of boven het aan Nederland toebehorende deel van het continentaal plat bevonden in het kader van de exploratie en/of exploitatie van de natuurlijke rijkdommen ervan, de Nederlandse rechter op grond van art. 5 sub 1 EEX bevoegd is kennis te nemen van het geschil, behoudens indien moet worden geoordeeld dat het voorwerp van het onderhavige geschil, gelet op de feitelijke gegevens van het concrete geval, nauwere aanknopingspunten heeft met een andere plaats van arbeid. Bij de vaststelling waar [ex-werknemer] gewoonlijk zijn arbeid verricht is, naar blijkt uit de antwoorden van het HvJEG, beslissend waar [ex-werknemer] feitelijk het grootste deel van zijn arbeidstijd heeft doorgebracht; daarbij moet de volledige duur van zijn arbeidsverhouding met UOS in aanmerking worden genomen. Bij de vaststelling van de plaats waar [ex-werknemer] het grootste deel van zijn arbeidstijd heeft doorgebracht, dient rekening te worden gehouden met alle omstandigheden van het concrete geval.

2.4 Nu evenwel, naar blijkt uit hetgeen de Hoge Raad in de tweede alinea van rov. 4.1 van zijn voormelde tussenarrest heeft overwogen, niet vaststaat of [ex-werknemer] gedurende de periode van juli 1987 tot en met 30 september 1993 het grootste deel van zijn arbeidstijd heeft doorgebracht op vaste of drijvende installaties die zich op of boven het aan Nederland toebehorende deel van het continentaal plat bevonden in het kader van de exploratie en/of exploitatie van de natuurlijke rijkdommen ervan en nu voor de beantwoording van deze vraag een onderzoek van feitelijke aard nodig is waarvoor in cassatie geen plaats is, zal verwijzing moeten volgen.

Indien evenvermelde vraag bevestigend moet worden beantwoord, is de Nederlandse rechter in beginsel bevoegd. Vervolgens zal moeten worden onderzocht of het voorwerp van het geschil, gelet op de feitelijke gegevens van het concrete geval, nauwere aanknopingspunten heeft met een andere plaats van arbeid, dat wil zeggen een plaats op het grondgebied van een andere verdragsluitende staat dan Nederland. Zo dat het geval is, dan is de Nederlandse rechter alsnog onbevoegd.

Indien evenvermelde vraag ontkennend moet worden beantwoord, is de Nederlandse rechter in beginsel eveneens onbevoegd. Vervolgens zal moeten worden onderzocht of het voorwerp van het geschil, gelet op de feitelijke gegevens van het concrete geval, nauwere aanknopingspunten heeft met het grondgebied van Nederland. Zo dat het geval is, dan is de Nederlandse rechter alsnog bevoegd.

Kan het Hof na verwijzing aan de hand van de door het HvJEG geformuleerde criteria niet de plaats bepalen waar de arbeid gewoonlijk wordt verricht in de zin van art. 5 sub 1 EEX, dan geldt ter zake van de bevoegdheid hetgeen is vermeld aan het slot van punt 2 van het antwoord van het HvJEG.

Partijen zullen na verwijzing de gelegenheid dienen te krijgen om hun stellingen aan te passen naar aanleiding van de door het HvJEG aan art. 5 sub 1 EEX gegeven uitleg, waarmee in eerdere instanties nog geen rekening gehouden kon worden.

2.5 Onderdeel 3 heeft betrekking op de uitlegging en toepassing van de WAMN. Het door het HvJEG gegeven antwoord op de derde vraag van de Hoge Raad brengt mee dat het onderdeel bij gebrek aan belang niet tot cassatie kan leiden.

3. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het vonnis van de Rechtbank te Alkmaar van 9 oktober 1997;

verwijst het geding naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt UOS in de kosten van het geding in cassatie, daaronder begrepen de kosten verband houdende met

de behandeling van de zaak bij het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, tot op deze uitspraak aan de zijde van [ex-werknemer] begroot op € 316,86 aan verschotten en € 2.950,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R. Herrmann als voorzitter en de raadsheren H.A.M. Aaftink, A.G. Pos, O. de Savornin Lohman en A. Hammerstein, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer O. de Savornin Lohman op 31 januari 2003.

4 februari 2000

Eerste Kamer

Nr. C98/053HR

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Ex-werknemer], wonende te [woonplaats], Bondsrepubliek Duitsland,

EISER tot cassatie,

advocaat: mr E. van Staden ten Brink,

t e g e n

de vennootschap naar Schots recht UNIVERSAL OGDEN SERVICES LTD, gevestigd te Aberdeen, Schotland, Verenigd Koninkrijk,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr C.J.J.C. van Nispen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiser tot cassatie - verder te noemen: [ex-werknemer] - heeft bij exploit van 29 juni 1994 verweerster in cassatie - verder te noemen: UOS - en Catering Logistic Management B.V., gevestigd te Hoorn, hierna: CLM, gedagvaard voor de Kantonrechter te Alkmaar en gevorderd:

1. UOS en CLM te bevelen [ex-werknemer] onmiddellijk, althans binnen een door de Kantonrechter in redelijkheid te bepalen termijn, na betekening van het in deze te wijzen vonnis, op te roepen althans toe te laten tot zijn werkzaamheden, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van ƒ 500,-- per dag of dagdeel, dat zij in gebreke blijven om aan dit bevel te voldoen;

2. UOS te veroordelen om aan [ex-werknemer] te betalen vanaf 1 februari 1994 diens achterstallige loon ad netto ƒ 3.500,-- per maand, vermeerderd met de wettelijke verhoging over het gevorderde loon en de wettelijke rente vanaf de dagtekening van deze eis;

3. UOS te bevelen, na betekening van het in deze te wijzen vonnis, aan [ex-werknemer] diens loon ad netto ƒ 3.500,-- per maand door te betalen tot het tijdstip waarop het dienstverband rechtsgeldig zal zijn geëindigd;

4. UOS te veroordelen om aan [ex-werknemer] vanaf 1 februari 1994 tot het tijdstip waarop het dienstverband rechtsgeldig zal zijn geëindigd, te betalen de gedeeltelijke vergoeding ad ƒ 275,-- per maand met betrekking tot de door [ex-werknemer] gesloten ziektekostenverzekering.

UOS en CLM hebben de vorderingen bestreden en een incidentele conclusie houdende de exceptie van onbevoegdheid genomen.

[Ex-werknemer] heeft die exceptie bestreden.

Na een tussenvonnis in het incident en in de hoofdzaak van 4 januari 1995 heeft de Kantonrechter zich bij vonnis in het incident van 26 april 1995 bevoegd verklaard van de vordering van [ex-werknemer] kennis te nemen en in de hoofdzaak de zaak naar de rol verwezen voor voortprocederen.

De Kantonrechter heeft bij eindvonnis van 20 december 1995 de tegen CLM gerichte vordering van [ex-werknemer] afgewezen, de vordering tegen UOS toegewezen tot een bedrag van ƒ 23.000,-- netto, met de wettelijke rente vanaf 1 augustus 1994, en het meer of anders gevorderde afgewezen.

Tegen de vonnissen van 26 april 1995 en 20 december 1995 heeft UOS hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Alkmaar.

Bij vonnis van 9 oktober 1997 heeft de Rechtbank de betreden vonnissen van de Kantonrechter vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de Kantonrechter te Alkmaar onbevoegd verklaard om van de vordering van [ex-werknemer] ingesteld tegen UOS kennis te nemen.

Het vonnis van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het vonnis van de Rechtbank heeft [ex-werknemer] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding en het vervolgens uitgebrachte oproepingsexploit zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

UOS heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor UOS mede door mr S.J. Schaafsma, advocaat bij de Hoge Raad.

De conclusie van de Advocaat-Generaal Strikwerda strekt ertoe dat de Hoge Raad, alvorens verder te beslissen, het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen zal verzoeken over de in deze conclusie onder 21. bedoelde vraag van uitleg van art. 5 sub 1 EEX uitspraak te doen en het geding zal schorsen totdat het Hof van Justitie naar aanleiding van dat verzoek uitspraak zal hebben gedaan.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie moet van het volgende worden uitgegaan.

(i) [Ex-werknemer] is - al dan niet met tussenpozen - sedert juli 1987 krachtens arbeidsovereenkomst in dienst van UOS werkzaam geweest als kok.

(ii) [Ex-werknemer] woonde tijdens die dienstbetrekking en bij de aanvang van de onderhavige procedure in de Bondsrepubliek Duitsland; hij heeft de Duitse nationaliteit. UOS is gevestigd en houdt kantoor te Aberdeen in het Verenigd Koninkrijk.

(iii) [Ex-werknemer] heeft zijn arbeid in dienst van UOS van 21 september 1993 tot en met 30 december 1993 verricht aan boord van de kraanbak Taklift 8, boven het Deense gedeelte van het continentaal plat.

(iv) Met de Taklift 8 werden werkzaamheden uitgevoerd ten behoeve van de bouw van een brug over de Grote Belt in Denemarken. De Taklift was in die periode niet een schip of mijnbouwinstallatie in de zin van de op 1 februari 1993 in werking getreden Wet arbeid mijnbouw Noordzee (Wet van 2 november 1992, Stb. 592, hierna: WAMN).

(v) Vóór 21 september 1993 is [ex-werknemer] voor UOS elders werkzaam geweest, onder meer boven het Nederlandse gedeelte van het continentaal plat aan boord van schepen of mijnbouwinstallaties in de zin van de WAMN.

(vi) Na 30 december 1993 is [ex-werknemer] niet meer voor UOS werkzaam geweest.

(vii) In februari 1994 is tussen [ex-werknemer] en UOS een arbeidsgeschil ontstaan.

3.2.1 [Ex-werknemer] heeft de hiervoor onder 1 vermelde vordering tegen UOS ingesteld bij de Kantonrechter te Alkmaar, stellende dat deze op grond van art. 10 WAMN bevoegd is van de vordering kennis te nemen. UOS heeft de exceptie van onbevoegdheid opgeworpen, daartoe aanvoerende dat [ex-werknemer] niet kan worden aangemerkt als een werknemer in de zin van de WAMN, nu hij uitsluitend werkzaam is geweest op schepen en niet op mijnbouwinstallaties en omdat hij laatstelijk werkzaam was aan boord van de Taklift 8, een drijvende bok, onder meer in het Nederlandse gedeelte van het continentaal plat.

De Kantonrechter heeft in dat bevoegdheidsincident de door UOS opgeworpen exceptie verworpen en zich bevoegd verklaard van de vordering van [ex-werknemer] kennis te nemen. Hij oordeelde dat voor toepassing van de WAMN niet doorslaggevend is of de arbeid wordt verricht op een mijnbouwinstallatie dan wel aan boord van een schip, voor zover dit schip wordt gebruikt in het kader van de olie- en gaswinning op zee, hetgeen hier het geval is. Voorts oordeelde de Kantonrechter dat, anders dan UOS had betoogd, bij de beoordeling van de vraag waar [ex-werknemer] gewoonlijk zijn arbeid verrichtte, niet slechts de periode vanaf de inwerkingtreding van de WAMN moet worden beoordeeld, doch het dienstverband in zijn geheel behoort te worden beschouwd, en dat voldoende vaststaat dat [ex-werknemer] sedert het begin van zijn dienstverband (juli 1987) hoofdzakelijk op het Nederlandse deel van het continentaal plat heeft gewerkt.

3.2.2 De Rechtbank heeft anders beslist en de Kantonrechter alsnog onbevoegd verklaard. Zij heeft vooreerst overwogen, verkort weergegeven:

- dat [ex-werknemer] in elk geval met betrekking tot de periode van 21 september 1993 tot en met 30 december 1993 op zichzelf beschouwd geen bevoegdheid van de kantonrechter te Alkmaar kan ontlenen aan de WAMN;

- dat onjuist is het standpunt van [ex-werknemer] dat bij de beoordeling van de bevoegdheid van die kantonrechter ook het arbeidsverleden bij UOS dat aan die periode voorafging in ogenschouw moet worden genomen en dat dit arbeidsverleden rechtvaardigt om te oordelen dat de kantonrechter te Alkmaar kennis kan nemen van het tussen UOS en hem gerezen arbeidsgeschil;

- dat uit hetgeen door [ex-werknemer] over dat arbeidsverleden is gesteld kan worden opgemaakt dat hij sedert 1987 wisselend werkzaam is geweest binnen en buiten het gebied waarvoor de WAMN op 1 februari 1993 in werking is getreden, en dat hij gedurende geruime tijd buiten dat gebied werkzaam is geweest;

- dat dit arbeidsverleden niet rechtvaardigt om de WAMN op de periode van 21 september 1993 tot en met 30 december 1993 voor [ex-werknemer] van toepassing te achten, en dat zijn arbeidsverleden vóór de inwerkingtreding van de WAMN dat niet anders maakt.

Vervolgens heeft de Rechtbank op grond van de wetsgeschiedenis geoordeeld (rov. 3.8) “dat een min of meer aaneengesloten periode van werkzaamheden op het Deense gedeelte van het continentaal plat gedurende ruim drie maanden mede gezien in het licht van het arbeidsverleden van [ex-werknemer] te lang is om aan te nemen dat [ex-werknemer] nog bevoegdheid van de Nederlandse rechter aan de WAMN kan ontlenen.”

Een en ander leidde de Rechtbank tot de slotsom dat de Kantonrechter zich ten onrechte bevoegd heeft geoordeeld.

3.3 Onderdeel 1 van het middel klaagt dat de Rechtbank heeft miskend dat zij ambtshalve had moeten onderzoeken of de bevoegdheid van de Nederlandse rechter kan worden gebaseerd op het EEX, met name op art. 5 onder 1 van dit verdrag.

De klacht is gegrond. Binnen de grenzen van het materiële en formele toepassingsgebied van het EEX is de in dit verdrag vervatte bevoegdheidsregeling dwingend en uitputtend. De onderhavige zaak betreft de bevoegdheid van een Nederlands gerecht in internationaal verband en UOS heeft haar woonplaats als bedoeld in art. 2, in verbinding met art. 53, EEX op het grondgebied van een verdragsluitende Staat; de bevoegdheidsregeling van het EEX is dus formeel van toepassing. Nu de vordering van [ex-werknemer] betrekking heeft op een burgerlijke of handelszaak als bedoeld in art. 1 EEX, is het EEX ook materieel van toepassing. De Rechtbank had derhalve ambtshalve, ongeacht of door (één van) partijen een beroep op het EEX was gedaan, moeten onderzoeken of de Kantonrechter krachtens het EEX bevoegd is van de vordering van [ex-werknemer] kennis te nemen.

3.4 Onderdeel 2 voert aan dat de Rechtbank tot de slotsom had moeten komen dat de kantonrechter te Alkmaar op grond van art. 5 sub 1 EEX bevoegd is van de vordering van [ex-werknemer] kennis te nemen.

Het gaat hier om art. 5 sub 1 EEX zoals deze bepaling luidt sedert de inwerkingtreding - op 1 februari 1991 voor Nederland en op 1 december 1991 voor het Verenigd Koninkrijk - van het op 26 mei 1989 te San Sebastian totstandgekomen Verdrag inzake de toetreding van het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek tot het EEX (Trb. 1989, 142). Die bepaling luidt:

“De verweerder, die zijn woonplaats heeft op het grondgebied van een Verdragsluitende Staat, kan in een andere Verdragsluitende Staat voor de navolgende gerechten worden opgeroepen:

1. ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst: voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd; ten aanzien van individuele verbintenissen uit arbeidsovereenkomst is dit de plaats waar de werknemer gewoonlijk zijn arbeid verricht; wanneer de werknemer niet in een zelfde land gewoonlijk zijn arbeid verricht, kan de werkgever tevens worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar zich de vestiging bevindt of bevond die de werknemer in dienst heeft genomen.”

Het onderdeel strekt ten betoge dat (a) [ex-werknemer] geacht moet worden sedert zijn indiensttreding in 1987 bij UOS zijn arbeid gewoonlijk te hebben verricht op het Nederlandse deel van het continentaal plat, en (b) de door [ex-werknemer] op dit deel van het continentaal plat verrichte werkzaamheden voor de toepassing van art. 5 sub 1 EEX moeten worden aangemerkt als in Nederland verrichte werkzaamheden.

Dit betoog stelt vragen aan de orde, die niet kunnen worden beantwoord zonder uitlegging van art. 5 sub 1 EEX. De Hoge Raad zal derhalve aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen de hierna in 4.2 te formuleren vragen voorleggen.

3.5 Onderdeel 3 is gericht tegen de hiervoor in 3.2.2 weergegeven oordelen van de Rechtbank. Of een beoordeling van dit onderdeel voor de beslissing op het cassatieberoep noodzakelijk is, zal eerst kunnen blijken nadat het Hof van Justitie uitspraak heeft gedaan. Het onderdeel kan in dit stadium derhalve onbehandeld blijven.

4. Vragen van uitleg van art. 5 sub 1 EEX

4.1 Ter inleiding op de vragen diene het volgende.

De hiervoor in 3.1 vermelde feiten staan ten processe vast.

Niet staat vast op welke tijdstippen in het tijdvak tussen de aanvang van zijn dienstverband met UOS (in 1987) en 21 september 1993 [ex-werknemer] in dienst van UOS werkzaam is geweest op het Nederlandse gedeelte van het continentaal plat, en op welke tijdstippen hij toen zijn arbeid verrichtte op mijnbouwinstallaties of schepen als bedoeld in de WAMN. Volgens de stellingen van [ex-werknemer] heeft hij in dat gehele tijdvak zijn arbeid voornamelijk op het Nederlandse gedeelte van het continentaal plat verricht, en wel op mijnbouwinstallaties en op (onder Nederlandse vlag varende) schepen als evenbedoeld. De juistheid van deze stellingen is door UOS betwist.

In de WAMN wordt onder “continentaal plat” verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in de Mijnwet continentaal plat (Wet van 23 september 1965, Stb. 428), te weten: het onder de Noordzee buiten de territoriale wateren gelegen deel van de zeebodem en de ondergrond daarvan, waarop het Koninkrijk der Nederlanden mede overeenkomstig het op 29 april 1958 te Genève gesloten Verdrag inzake het continentale plateau (Trb. 1959, 126) soevereine rechten heeft. Kortom: het Nederlandse gedeelte van het continentale plat onder de Noordzee.

Onder “mijnbouwinstallatie” wordt in de WAMN verstaan: een op of boven het continentaal plat onder de Noordzee buiten de territoriale wateren geplaatste inrichting voor het instellen van een opsporingsonderzoek of het winnen van delfstoffen, dan wel een samenstel van inrichtingen waarvan er tenminste één aan die omschrijving voldoet. Blijkens de memorie van toelichting bij art. 1 WAMN omvat die definitie ook boorschepen, en heeft zij betrekking op alle - zowel vaste als (geïmmobiliseerde) drijvende - inrichtingen voor het instellen van een opsporingsonderzoek, of het winnen van delfstoffen, welke zich buiten de territoriale wateren bevinden.

De WAMN verstaat onder “werknemer”: 1e een persoon die krachtens een arbeidsovereenkomst arbeid verricht op of vanaf een mijnbouwinstallatie; 2e een persoon, niet zijnde een persoon als bedoeld onder 1e, die krachtens een arbeidsovereenkomst is aangesteld om gedurende een periode van ten minste 30 dagen op of vanaf een schip, dat zich bevindt in de territoriale wateren dan wel boven het continentaal plat onder de Noordzee buiten de territoriale wateren, werkzaam te zijn in verband met een verkenningsonderzoek, een opsporingsonderzoek, of het winnen van delfstoffen.

Art. 10 lid 1 van de WAMN bepaalt: “Onverminderd het bepaalde in de artikelen 98, tweede lid, en 126 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is de kantonrechter te Alkmaar bevoegd kennis te nemen van geschillen terzake van de arbeidsovereenkomst van een werknemer en omtrent de toepassing van deze wet.”

De memorie van toelichting bij art. 10 WAMN vermeldt onder meer het volgende:

“In het advies van de Staatscommissie voor het internationaal privaatrecht wordt terecht opgemerkt, dat artikel 10 niet kan derogeren aan de internationale regeling van de rechtsmacht van de rechter zoals deze voortvloeit uit het Verdrag van Brussel van 27 september 1968 (...). Ingevolge dat Verdrag worden verweerders die hun woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat van de Europese Gemeenschappen, ongeacht hun nationaliteit, opgeroepen voor de gerechten van die Staat. Op deze hoofdregel kent het Verdrag een aantal hier niet ter zake doende uitzonderingen. Indien de werkgever gevestigd is in een andere lidstaat van de Europese Gemeenschappen zal de werknemer dus geen gebruik kunnen maken van artikel 10 en zal hij zijn vorderingen in die lidstaat moeten indienen.”

4.2 De vragen betreffende de uitlegging van art. 5 sub 1 EEX zijn de volgende:

(a) Moet arbeid, op het Nederlandse gedeelte van het continentaal plat onder de Noordzee verricht door een werknemer als omschreven in de WAMN, voor de toepassing van art. 5 sub 1 EEX worden aangemerkt als, of gelijkgesteld met, arbeid die in Nederland is verricht?

(b) Zo ja, moet dan voor het antwoord op de vraag of de werknemer geacht moet worden zijn arbeid “gewoonlijk” in Nederland te hebben verricht, de gehele periode van zijn dienstverband in aanmerking worden genomen of gaat het om de laatste periode van zijn dienstverband?

(c) Dient voor de beantwoording van vraag (b) onderscheid te worden gemaakt tussen het tijdvak waarin de WAMN nog niet in werking was getreden - en de Nederlandse wet dus voor een geval als het onderhavige nog geen territoriaal bevoegd Nederlands gerecht aanwees - en het tijdvak na de inwerkingtreding van de WAMN?

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verzoekt het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen om met betrekking tot de hiervoor in 4.2 geformuleerde vragen van uitleg uitspraak te doen;

houdt iedere verdere beslissing aan en schorst het geding totdat het Hof van Justitie uitspraak zal hebben gedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president Roelvink als voorzitter en de raadsheren Heemskerk, Herrmann, De Savornin Lohman en Hammerstein, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Heemskerk op 4 februari 2000.