Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:ZC8086

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14-06-2002
Datum publicatie
14-06-2002
Zaaknummer
36747
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:ZC8086
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2002, 871 met annotatie van Kastelein
PW 2002, 21496
Belastingblad 2002/865
BNB 2002/291
FED 2002/399
FED 2002/375
WFR 2002/941, 1
V-N 2002/36.35

Uitspraak

Nr. 36.747

14 juni 2002

TVW

gewezen op het beroep in cassatie van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Diepenheim (hierna: het college) te Diepenheim tegen de uitspraak van Gerechtshof te Arnhem van 25 oktober 2000, nr. 98/2127, betreffende na te melden ten aanzien van X te Z gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken.

1. Beschikking, bezwaar en geding voor het Hof

Ten aanzien van belanghebbende is bij beschikking de waarde van de onroerende zaak a-straat 1 te Q voor het tijdvak 1 januari 1997 tot en met 31 december 2000 vastgesteld op f 179.000.

Na door belanghebbende daartegen gemaakt bezwaar heeft de heffingsambtenaar van de gemeente Diepenheim (hierna: de heffingsambtenaar) de beschikking gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft de uitspraak van de heffingsambtenaar vernietigd en de waarde verminderd tot f 143.200.

De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Het college heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal J.W. Ilsink heeft op 7 maart 2001 geconcludeerd tot vernietiging van 's Hofs uitspraak en tot verwijzing van de zaak naar een ander gerechtshof.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende was op 1 januari 1995 genothebbende van de tot recreatiewoning dienende onroerende zaak a-straat 1 te Q, welke woning is gelegen op erfpachtsgrond. De woning ligt in het recreatiepark A te Q. Vanaf 1984 werden in dat park gelegen woningen, die ingevolge de gebruiksbepalingen van de ter plaatse geldende bestemmingsplannen slechts voor recreatieve doeleinden mogen worden gebruikt, permanent bewoond, hetgeen door de gemeente werd gedoogd. In 1995 werden 22 van de 28 recreatiewoningen permanent bewoond. De bewoners van die 22 woningen hadden zich in het bevolkingsregister van de gemeente Diepenheim laten inschrijven. Bij brief van 31 augustus 1995 heeft de gemeente de bewoners van het recreatiepark bericht "met ingang van heden de recreatieve bestemming van de recreatiebungalows strikt te handhaven". Daarbij werd de toezegging gedaan dat strikte handhaving met betrekking tot de tot dat moment permanent bewoonde woningen pas ná beëindiging van die permanente bewoning zal worden toegepast.

3.2. Het Hof heeft een aanmerkelijke waardedaling ten gevolge van de wijziging van het gemeentelijke gedoogbeleid aannemelijk geacht, welke waardedaling het Hof voor de onderhavige onroerende zaak in goede justitie heeft geschat op twintig percent ofwel f 35.800. Het Hof heeft hieraan de gevolgtrekking verbonden dat artikel 19, lid 1, aanhef, letter c en slot, van de Wet waardering onroerende zaken (tekst tot 1 januari 1999; hierna: de Wet WOZ) van toepassing is, zodat de waarde van de onderhavige onroerende zaak per de ingevolge artikel 18, lid 2, van de Wet WOZ geldende waardepeildatum 1 januari 1995 moet worden bepaald naar de staat van die zaak per 1 januari 1996.

3.3. Het eerste middel betoogt dat het Hof de wijziging van het gemeentelijke gedoogbeleid ten onrechte heeft aangemerkt als een bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 19, lid 1, letter c, van de Wet WOZ.

Uit de wetsgeschiedenis weergegeven in de onderdelen 3.2 tot en met 3.9 van de conclusie van de Advocaat-Generaal blijkt dat als bijzondere omstandigheid kan worden aangemerkt de wijziging van een bestemmingsplan, indien deze bepaalde, nauwkeurig aan te wijzen objecten raakt. De wijziging van het gemeentelijke gedoogbeleid met betrekking tot de in de gemeente Diepenheim gelegen recreatiewoningen kan voor de toepassing van artikel 19, lid 1, letter c, van de Wet WOZ op één lijn worden gesteld met een bestemmingsplanwijziging als evenbedoeld. Het middel, dat van een andere opvatting uitgaat, wordt derhalve tevergeefs voorgesteld.

3.4. Het tweede middel bestrijdt de hiervoor in 3.2 weergegeven oordelen en gevolgtrekking met de stelling dat bij de beschikking de waarde is bepaald met inachtneming van de volgens het bestemmingsplan geldende recreatieve bestemming van de onderhavige onroerende zaak. Uit 's Hofs uitspraak en de stukken van het geding blijkt niet dat die stelling, die mede inhoudt dat bij die waardebepaling de eventuele invloed van het gemeentelijke gedoogbeleid op de waarde buiten aanmerking is gelaten, reeds voor het Hof is aangevoerd. Die stelling vergt een onderzoek van feitelijke aard, waarvoor de cassatieprocedure geen mogelijkheid biedt. Het middel kan derhalve niet tot cassatie leiden.

3.5. Voorzover het derde middel ervan uitgaat dat het Hof zijn oordeel dat ten gevolge van de beleidswijziging een aanmerkelijke waardedaling is opgetreden slechts heeft gegrond op het verkoopcijfer in december 1996 van a-straat 2, berust het op een onjuiste lezing van 's Hofs uitspraak. Blijkens zijn uitspraak heeft het Hof immers mede rekening gehouden met andere factoren. Anders dan het middel verder betoogt, is in het licht van het blijkens 's Hofs uitspraak en de stukken van het geding door partijen over en weer aangevoerde niet onbegrijpelijk dat het Hof, ook zonder verder te onderzoeken of het bedrag van f 40.000 uiteindelijk is betaald, bij zijn oordeel heeft doen meewegen dat bij de verkoop van a-straat 2 is overeengekomen dat bij een positief antwoord op de vraag of permanente bewoning zou worden toegestaan, f 40.000 meer betaald zou worden. Het derde middel faalt derhalve.

3.6. Tot de door de heffingsambtenaar ter ondersteuning van zijn standpunt in het geding gebrachte verkoopprijzen van vergelijkbare woningen behoort de verkoopprijs van de onroerende zaak a-straat 3, welke zaak is verkocht in december 1996. Door enerzijds aan deze transactie, als te lang na de bekendmaking van het nieuwe beleid op 31 augustus 1995 tot stand gekomen, geen betekenis toe te kennen, en anderzijds wel betekenis toe te kennen aan de eveneens in december 1996 plaatsgehad hebbende transactie met betrekking tot de onroerende zaak a-straat 2, is 's Hofs redengeving innerlijk tegenstrijdig. Het vierde middel betoogt derhalve terecht dat die redengeving in zoverre onbegrijpelijk is.

3.7. Vanwege het hiervoor in 3.6 overwogene kan 's Hofs uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht, en

verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.

Dit arrest is gewezen door de vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren L. Monné, P.J. van Amersfoort, J.W. van den Berge en A.R. Leemreis, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 14 juni 2002.