Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AF2264

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-12-2002
Datum publicatie
20-12-2002
Zaaknummer
37890
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2003/103
FED 2003/31
Belastingadvies 2003/1.13
WFR 2003/35, 1
V-N 2003/4.16 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 37.890

20 december 2002

S

gewezen op het beroep in cassatie van X U.A. te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 17 oktober 2001, nr. P00/157, betreffende na te melden naheffingsaanslag in de loonbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Naheffingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is over het tijdvak 1997 een naheffingsaanslag in de loonbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd ten bedrage van f 62.125 aan enkelvoudige belasting, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

De aan belanghebbende verbonden stichting A (hierna: de stichting) stelt vakantiehuisjes ter beschikking aan werknemers en oud-werknemers van belanghebbende.

De stichting huurt voor een periode van zes tot acht maanden per jaar vakantiehuisjes bij verschillende parken in Nederland om deze vervolgens tegen een eigen bijdrage aan de werknemers en oud-werknemers ter beschikking te stellen. Elke werknemer en oud-werknemer kan gebruik maken van deze voorziening.

3.2. Het eerste middel heeft betrekking op de vraag of de verstrekking van de onderwerpelijke personeelsvoorziening voor de toepassing van de loonbelasting kan worden gewaardeerd met inachtneming van de in artikel 16c van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 1990 (hierna: de Uitvoeringsregeling) vastgestelde waarderingsregels. Het Hof heeft dienaangaande geoordeeld dat de waarderingsregels van artikel 16c van de Uitvoeringsregeling slechts gelden voor reizen, festiviteiten en dergelijke evenementen waaraan door het personeel in gezamenlijk verband wordt deelgenomen. Dit oordeel, waarbij het Hof ervan is uitgegaan dat artikel 16c van de Uitvoeringsregeling slechts toepassing vindt op activiteiten waarbij de deelnemers gebonden zijn aan een door de werkgever opgesteld programma en waarbij zij worden omringd door collega's en eventueel hun partners, geeft geen blijk van een onjuiste opvatting omtrent het bepaalde in artikel 16c van de Uitvoeringsregeling. Uitgaande van dit oordeel heeft het Hof terecht geoordeeld dat ten aanzien van de onderhavige voorziening de waarderingsregels van artikel 16c van de Uitvoeringsregeling geen toepassing vinden, aangezien deze voorziening individuele werknemers in gelegenheid stelt een zekere tijd in een vakantiehuisje te verblijven. Het eerste middel faalt derhalve.

3.3. Het tweede middel richt zich tegen 's Hofs oordeel dat de in artikel 11, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling opgenomen forfaitaire waarderingsregel voor kost en inwoning in het onderhavige geval niet van toepassing is. Het middel faalt. Van inwoning in de zin van artikel 11 van de Uitvoeringsregeling kan niet worden gesproken indien, zoals in het onderhavige geval, door de werkgever aan zijn werknemers het genot van een zelfstandige woonruimte is verstrekt.

3.4. Het Hof heeft ten slotte geoordeeld dat met betrekking tot het verschaffen van hotelaccommodaties aan personeel in het kader van een personeelsreis enerzijds en het ter beschikking stellen van een vakantiehuisje anderzijds voor de toepassing van artikel 16c van de Uitvoeringsregeling geen sprake is van gelijke gevallen. Dit oordeel wordt in het derde middel tevergeefs bestreden. Uitgaande van het hiervoor in onderdeel 3.2 vermelde feitelijke verschil, te weten dat bij een personeelsreis - in tegenstelling tot het genot van een vakantiehuisje - in gezamenlijkheid een voorziening wordt genoten, heeft het Hof met juistheid geoordeeld dat van gelijke gevallen geen sprake is. Het derde middel faalt eveneens.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J. Zuurmond als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, D.G. van Vliet, C.B. Bavinck en J.W. van den Berge, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 20 december 2002.