Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AF2166

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-12-2002
Datum publicatie
20-12-2002
Zaaknummer
C01/157HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AF2166
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 713
NJ 2003, 153 met annotatie van T. Koopmans
RvdW 2003, 7
JAR 2003, 19
Arbeidsrecht in 50 uitspraken 2010, p. 166 met annotatie van W.J.M. Rauws
Arbeidsrecht in 50 uitspraken 2012, p. 158 met annotatie van F.B.J. Grapperhaus, W.J.M. Rauws, M.J.A.C Driessen/N. Gundt
JWB 2002/481
JAR 2003/19 met annotatie van mr. D.M. Thierry
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 december 2002

Eerste Kamer

Nr. C01/157HR

AT

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser], wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. P.S. Kamminga,

t e g e n

TPG POST B.V., voorheen genaamd PTT POST B.V., gevestigd te 's-Gravenhage,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. R.A.A. Duk.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploit van 29 juni 1998 de rechtsvoorgangster van verweerster in cassatie (TPG Post) - verder te noemen: PTT Post - gedagvaard voor de Kantonrechter te Zaandam en - kort gezegd - gevorderd PTT Post te veroordelen tot doorbetaling van het overeengekomen loon vanaf 1 april 1998, dan wel een bedrag groot ƒ 24.689,-- bruto, althans ƒ 16.611,-- bruto bij wijze van gefixeerde schadevergoeding ex art. 7:677 lid 1 juncto 7:680 BW, alles met nevenvorderingen zoals in de inleidende dagvaarding omschreven.

PTT Post heeft de vordering bestreden.

Na een tussenvonnis van 17 december 1998 heeft de Kantonrechter bij eindvonnis van 11 maart 1999 PTT Post veroordeeld om aan [eiser] te betalen, voor zover in cassatie van belang:

a. de som van ƒ 9.591,17 bruto, zijnde het loon exclusief vakantiebijslag over de maanden april tot en met juni 1998, vermeerderd met de wettelijke verhoging ex art. 7:625 BW en met de wettelijke rente over het totaal vanaf de dag der dagvaarding tot de dag dat alles betaald is;

b. de somma van ƒ 3.197,06 bruto, zijnde het loon exclusief vakantiebijslag, voor elke maand dat de arbeidsovereenkomst na juni 1998 voortduurt, tot de dag dat daaraan rechtsgeldig een einde komt.

Tegen beide vonnissen heeft PTT Post hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Haarlem.

Bij tussenvonnis van 4 juli 2000 heeft de Rechtbank PTT Post toegelaten tot bewijs. Nadat PTT Post van deze bewijslevering had afgezien heeft de Rechtbank bij eindvonnis van 13 februari 2001 de vonnissen waarvan beroep vernietigd en, opnieuw beslissende, PTT Post veroordeeld tot betaling aan [eiser] van ƒ 22.379,42 bruto, zijnde het loon over de periode van 1 april tot 1 november 1998, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en met de wettelijke rente over het totaal met ingang van 1 april 1998 tot de dag der voldoening.

De vonnissen van de Rechtbank zijn aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen beide vonnissen van de Rechtbank heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

PTT Post heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot vernietiging van de bestreden vonnissen en tot verwijzing naar het Hof Amsterdam.

De advocaat van TPG Post heeft bij brief van 6 november 2002 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [Eiser] is met ingang van 1 september 1994 als postbesteller in dienst getreden van PTT Post - de rechtsvoorgangster van TPG Post - voor bepaalde tijd, te weten tot 1 januari 1996.

(ii) Art. 11 lid 1 van de arbeidsovereenkomst luidt:

"Op deze arbeidsovereenkomst is van toepassing de geldende CAO alsmede de later overeen te komen wijzigingen daarvan. (...) Een exemplaar van de CAO wordt aan de werknemer uitgereikt."

In die periode gold de CAO voor de Koninklijke PTT Nederland (KPN CAO).

(iii) De arbeidsovereenkomst is aansluitend vijf maal verlengd, eerst tot 1 februari 1996, en vervolgens tot 1 maart 1996, tot 1 maart 1997, tot 1 januari 1998 en uiteindelijk tot 1 april 1998.

(iv) De brieven waarmee PTT Post op de eerste arbeidsovereenkomst volgende overeenkomsten heeft vastgelegd, zijn telkens door [eiser] voor akkoord ondertekend. Deze brieven bevatten telkens (met verschillen in de exacte formulering) de volgende passages:

"Op dit moment heeft u een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd (...). Ik heb echter besloten gebruik te maken van de afspraken die zijn gemaakt met de vakorganisaties over het gebruik van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd in het kader van Briefpost 2000. (...) Per (datum) zal het contract van rechtswege eindigen."

(v) De genoemde afspraken Briefpost 2000 zijn in 1993 gemaakt tussen enerzijds PTT Post en anderzijds de verschillende vakorganisaties, ten behoeve van een toen op handen zijnde grootscheepse reorganisatie bij het postbedrijf. Tot deze afspraken behoort een uitbreiding van de mogelijkheid gebruik te maken van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, in afwijking van art. 23 van de KPN CAO. Deze uitbreiding is als volgt geformuleerd:

"- de arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd kunnen telkens met maximaal 1 jaar (...) schriftelijke verlengd worden;

- de verlenging(en) word(t)(en) uitsluitend toegestaan met het oog op de uitvoering van deze reorganisatie; er wordt niet stilzwijgend verlengd. Dat betekent dat voor afloop van de bepaalde tijd nagegaan moet worden of er aanleiding is de overeenkomst te verlengen. Als dat het geval is, dient dit schriftelijk, met opgave van de reden van verlenging, vastgelegd te worden.

- in geval van verlenging van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is voor beëindiging geen voorafgaande opzegging vereist;"

(vi) Deze afspraken hebben met ingang van 6 oktober 1993 de status van CAO verkregen. Deze CAO-afspraken zijn niet algemeen verbindend verklaard. [Eiser] is geen lid van een van de daarbij betrokken contracterende vakorganisaties.

3.2 Het onderhavige geding betreft, voor zover in cassatie van belang, de vraag of overeenkomstig het standpunt van PTT Post, die zich daartoe heeft beroepen op de CAO Briefpost 2000, de arbeidsovereenkomst van rechtswege, derhalve zonder voorafgaande opzegging, per 1 april 1998 is geëindigd. [Eiser] heeft zich op het standpunt gesteld dat de toepasselijke CAO niet voorziet in afwijking van art. 7:668 lid 3 (oud) BW en dat de CAO Briefpost 2000 niet van toepassing is, nu die toepasselijkheid niet is overeengekomen, welk een en ander meebrengt dat de arbeidsovereenkomst niet van rechtswege is beëindigd, omdat daarvoor voorafgaande opzegging nodig was. Hij heeft tijdig de nietigheid van de beëindiging ingeroepen en doorbetaling van het overeengekomen loon vanaf 1 april 1998 gevorderd.

De Kantonrechter heeft het standpunt van [eiser] juist bevonden en geoordeeld dat de loonvordering moet worden toegewezen.

De Rechtbank heeft naar aanleiding van de appelgrieven I, III, IV, V en VI van PTT Post in rov. 4.5 van haar tussenvonnis overwogen dat de vraag of de verwijzing naar de 'geldende CAO' in de eerste arbeidsovereenkomst ertoe kon leiden dat daarbij ook de CAO Briefpost 2000 van toepassing werd, in deze procedure geen beantwoording behoeft. [Eiser] heeft zich telkens expliciet akkoord verklaard met de afspraak dat zijn arbeidsovereenkomst overeenkomstig de mogelijkheden die de CAO Briefpost 2000 biedt, werd verlengd voor bepaalde tijd (met beëindiging van rechtswege). Daarmee heeft [eiser] aanvaard dat in ieder geval dit element van de CAO Briefpost 2000 op zijn arbeidsverhouding met PTT Post van toepassing werd. Of [eiser] daarmee de gehele CAO Briefpost 2000 heeft aanvaard, is, aldus de Rechtbank, niet relevant; essentieel is slechts (1) dat de afwijking van de wettelijke regeling ten aanzien van opvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd plaatsvond bij CAO, en (2) dat [eiser] deze afwijking heeft aanvaard.

In rov. 4.9 van haar tussenvonnis heeft de Rechtbank het betoog van [eiser] dat PTT Post in strijd heeft gehandeld met de redelijkheid en billijkheid verworpen op de grond dat de mogelijkheden waarvan PTT Post zich heeft bediend, zijn gecreëerd door een in overleg met de vakorganisaties opgestelde CAO.

3.3 De onderdelen 1.a, 1.b, 2 en 3 zijn alle gericht tegen rov. 4.5 van het tussenvonnis. Bij de beoordeling van de in deze onderdelen vervatte klachten moet worden vooropgesteld dat, nu de CAO Briefpost 2000 niet algemeen verbindend is verklaard en [eiser] geen lid is van een van de daarbij betrokken contracterende vakorganisaties, deze CAO niet rechtstreeks van toepassing is op de arbeidsovereenkomst tussen PTT Post en [eiser]. De CAO Briefpost 2000 is door partijen ook niet op de arbeidsovereenkomst van toepassing verklaard. Dit betekent dat de in het hier toepasselijke art. 7:668 lid 5 (oud) BW voorziene mogelijkheid van afwijking bij CAO van (onder meer) art. 7:668 lid 3 (oud), inhoudende dat indien een voor bepaalde tijd aangegane arbeidsovereenkomst is voortgezet, voor haar beëindiging voorafgaande opzegging nodig is, niet kan worden gegrond op rechtstreekse toepasselijkheid van de desbetreffende bepaling in deze CAO, die behelst dat in geval van verlenging van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd voor beëindiging geen voorafgaande opzegging is vereist (vgl. hetgeen hiervoor in 3.1 onder (v) is overwogen). Dit neemt evenwel niet weg dat, nu bij de verlengingen van de arbeidsovereenkomst telkens door partijen uitdrukkelijk is overeengekomen dat de voor bepaalde tijd verlengde overeenkomst van rechtswege zou eindigen, en daarbij is verwezen naar "de afspraken die zijn gemaakt met de vakorganisaties over het gebruik van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd in het kader van Briefpost 2000", de afwijking van art. 7:668 lid 3 (oud) als geldig moet worden aangemerkt. Het gaat hier om een geval dat afwijking van een bepaling van dwingend recht (slechts) bij CAO mogelijk is, terwijl een CAO die niet rechtstreeks van toepassing is, een zodanige afwijking inhoudt. Aangenomen moet dan worden dat in de bescherming van de werknemer, die is beoogd met het dwingendrechtelijke karakter van de desbetreffende wetsbepaling, is voorzien doordat de vakorganisaties bij de totstandkoming van de CAO betrokken zijn geweest. Dit brengt mee dat partijen in hun (individuele) arbeidsovereenkomst een afwijking van de dwingende wetsbepaling kunnen opnemen, mits deze afwijking overeenkomt met hetgeen is neergelegd in een CAO, ook ingeval deze CAO niet rechtstreeks van toepassing is.

Op hetgeen hiervoor is overwogen stuiten de klachten van de onderdelen 1.a, 1.b, 2 en 3 alle af.

3.4 Voor zover onderdeel 4 voortbouwt op de hiervoor besproken onderdelen, moet het het lot daarvan delen. Voor zover het onderdeel klaagt dat de Rechtbank het beroep van [eiser] op strijd met de redelijkheid en billijkheid niet zonder meer had mogen verwerpen, omdat hij had aangevoerd dat hij niet overcompleet was en er nog genoeg werk voor hem was, miskent het dat gelet op art. 6:248 lid 2 BW alleen dan zou kunnen worden geoordeeld dat de overeengekomen beëindiging van rechtswege niet van toepassing is, indien dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.

Het onderdeel is derhalve tevergeefs voorgesteld.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van TPG Post begroot op € 286,88 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren A.E.M. van der Putt-Lauwers, H.A.M. Aaftink, A.G. Pos en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 20 december 2002.