Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AF1569

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
06-12-2002
Datum publicatie
06-12-2002
Zaaknummer
36966
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PW 2003, 21649
FED 2002/721
BNB 2003/245 met annotatie van Mr. E. Aardema
FED 2003/34
Belastingadvies 2002/7.7
WFR 2002/1843, 1
V-N 2002/61.9 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 36.966

6 december 2002

S

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te ´s-Hertogenbosch van 7 december 2000, nr. 97/20013, betreffende na te melden aan X te Z opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Aanslag

Aan belanghebbende is voor het jaar 1991 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 437.859.

2. Loop van het geding tot dusverre

Belanghebbende is tegen de aanslag, met schriftelijke toestemming van de Inspecteur op de voet van artikel 26, lid 3, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (tekst tot 1994), rechtstreeks in beroep gekomen bij het Gerechtshof te Arnhem. De uitspraak van dit hof van 12 oktober 1995 is op het beroep van belanghebbede bij arrest van de Hoge Raad van 7 mei 1997, nr. 31614, BNB 1997/302, vernietigd, met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van dat arrest.

Het Hof heeft de aanslag verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van f 86.859. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

3. Het tweede geding in cassatie

De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

De Staatssecretaris heeft een conclusie van repliek ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van dupliek ingediend.

4. Beoordeling van het middel

4.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

4.1.1. Bij akte van 31 maart 1987 heeft belanghebbende de door hem uitgeoefende notarispraktijk naar de toestand per 1 januari 1986 ingebracht in een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (hierna: de BV). De inbreng geschiedde op de voet van artikel 18 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet).

In de inbrengakte was een zogenoemde fiscale glijclausule opgenomen, voorzover van belang inhoudende, dat indien onherroepelijk komt vast te staan dat aan de inbreng een andere waarde dan de in de inbrengakte opgenomen waarde moet worden toegekend, die andere waarde ook tussen de oprichter en de vennootschap zal gelden.

In de beroepsprocedure ter zake van de aanslag inkomstenbelasting 1986 heeft het Gerechtshof te Arnhem in zijn op 16 mei 1992, onder nr. 985/1990, gedane uitspraak geoordeeld dat op de inbrengdatum, uitgaande van de juistheid van de waarde van het onderhanden werk ad f 276.000, tot een waarde van (ten minste) f 224.000 (overdraagbare) goodwill in de notarispraktijk aanwezig was.

4.1.2. In een op 31 december 1991 verleden akte is, onder verwijzing naar de fiscale glijclausule in de inbrengakte van 31 maart 1987, verklaard dat destijds voor een bedrag van f 351.000 méér was ingebracht en is tot datzelfde bedrag een emissiebesluit genomen.

Voorts is in deze akte door partijen verklaard dat zij, nadat het juiste bedrag van de inbreng in hoogste ressort is vastgesteld, met bekwame spoed zullen zorgen voor de overdracht om niet en aanvaarding door de BV van de te veel uitgegeven en geplaatste aandelen.

4.2. Het Hof heeft - in cassatie niet bestreden - vastgesteld dat belanghebbende zich ter zitting heeft aangesloten bij het standpunt van de Inspecteur dat op de per 31 december 1991 geëmitteerde aandelen voor een bedrag van f 179.000 geen storting heeft plaatsgevonden.

4.3. Voor het Hof was uiteindelijk uitsluitend nog in geschil of de zogenoemde fiscale glijclausule die is opgenomen in de akte van inbreng, bewerkstelligt dat de emissie van 31 december 1991, voor zover uitgaande boven de waarde van de inbreng, niet als een uitdeling van winst kan worden aangemerkt. Het Hof is bij deze omschrijving van het geschil kennelijk, en in het licht van hetgeen het heeft vermeld omtrent hetgeen partijen ter zitting voor hun standpunten hebben aangevoerd niet onbegrijpelijk, ervan uitgegaan dat partijen het erover eens waren dat indien aan de glijclausule fiscale gevolgen zouden zijn verbonden, in het onderhavige jaar, 1991, geen sprake zou zijn van een uitdeling.

4.4. Het Hof heeft geoordeeld dat uit de bewoordingen van de akte van 31 december 1991, bezien in samenhang met de overige gang van zaken rond de inbreng, volgt dat belanghebbende en de BV bedoelden de glijclausule uit de inbrengakte mede van toepassing te doen zijn op de bijplaatsing van de aandelen in 1991. Voor zover het middel zich tegen dit oordeel keert, faalt het, nu dit oordeel als van feitelijke aard niet op zijn juistheid kan worden getoetst. Het is ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.

Vervolgens heeft het Hof geoordeeld dat aan de glijclausule werking toekomt nu belanghebbende en de BV in redelijkheid konden menen dat de inbrengwaarde aanvankelijk te laag was vastgesteld en de grenzen van de redelijkheid niet hebben overschreden door voor een bedrag van f 351.000 aandelen bij te plaatsen. In zoverre het middel evenvermeld oordeel bestrijdt, faalt het evenzeer, aangezien dit oordeel geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op zijn juistheid kan worden getoetst. Het is ook niet onbegrijpelijk.

5. Proceskosten

De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep ongegrond, en

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1288 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J. Zuurmond als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, D.G. van Vliet, P. Lourens en C.B. Bavinck, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 6 december 2002.

Van de Staat wordt ter zake van het door de Staatssecretaris van Financiën ingestelde beroep in cassatie een griffierecht geheven van € 327.