Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AF0220

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
06-12-2002
Datum publicatie
06-12-2002
Zaaknummer
R02/053HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AF0220
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 2
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 661
NJ 2003, 225 met annotatie van J. de Boer
JWB 2002/455
BJ 2003/1 met annotatie van R.H. Zuijderhoudt
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

6 december 2002

Eerste Kamer

Rek.nr. R02/053HR

AS

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[Betrokkene], wonende te [woonplaats],

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: mr. G.E.M. Later.

1. Het geding in feitelijke instantie

De Officier van Justitie in het arrondissement Almelo heeft op 16 mei 2002 onder overlegging van een geneeskundige verklaring en een behandelingsplan een verzoek ingediend bij de Rechtbank aldaar tot het verlenen van een machtiging tot voortgezet verblijf van verzoeker tot cassatie - verder te noemen: betrokkene - in een psychiatrisch ziekenhuis.

Nadat de Rechtbank betrokkene, bijgestaan door zijn raadsman, en de arts-assistent Van der Nagel op 28 mei 2002 had gehoord, heeft zij bij beschikking van 29 mei 2002 de machtiging tot voortgezet verblijf van betrokkene voor de duur van één jaar verleend.

De beschikking van de Rechtbank is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van de Rechtbank heeft betrokkene beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1 Onderdeel 1 richt zich met een rechtsklacht en een motiveringsklacht tegen de derde rechtsoverweging van de Rechtbank, waarin zij heeft overwogen dat en waarom naar haar oordeel betrokkene geen blijk geeft van de nodige bereidheid tot verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis. Daarmee heeft de Rechtbank tot uitdrukking gebracht dat door de voorwaardelijke bereidverklaring van de betrokkene, te weten indien aan zijn voorwaarden met betrekking tot het regime wordt voldaan, het gevaar niet kan worden weggenomen. Aldus overwegende heeft de Rechtbank niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Haar oordeel, dat in overwegende mate berust op waarderingen van feitelijke aard, kan voor het overige in cassatie niet op juistheid worden onderzocht. Het is, ook in het licht van de in het onderdeel weergegeven stellingen, niet onbegrijpelijk noch ontoereikend gemotiveerd.

3.2 De Rechtbank heeft in haar tweede rechtsoverweging geoordeeld dat betrokkene door een blijvende stoornis van de geestvermogens ook na verloop van de geldigheidsduur van de lopende machtiging gevaar voor de algemene veiligheid van personen en goederen veroorzaakt, terwijl betrokkene zich als gevolg van deze stoornis niet buiten de inrichting kan handhaven. Daarbij heeft de Rechtbank een aantal incidenten in aanmerking genomen die zich onlangs hebben voorgedaan. Onderdeel 2 klaagt dat de Rechtbank ten onrechte het bestaan van gevaar heeft aangenomen, althans dat deze slotsom onbegrijpelijk is althans onvoldoende is gemotiveerd. In het licht van de geneeskundige verklaring, waarin onder meer is vermeld dat betrokkene door de stoornis van zijn geestvermogens onvoldoende gewetensfunctie heeft en aangewezen is op verblijf in een gesloten inrichting omdat deze stoornis niet therapeutisch is te beïnvloeden en zijn impulsieve gedrag voortdurende bewaking nodig maakt, alsmede van het verhandelde ter terechtzitting waar een aantal incidenten ten gevolge van deze stoornis ter sprake zijn gekomen, is het oordeel van de Rechtbank, dat niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, niet onbegrijpelijk en evenmin onvoldoende gemotiveerd.

Ook onderdeel 2 is derhalve tevergeefs voorgesteld.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren A. Hammerstein en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 6 december 2002.