Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AF0203

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-12-2002
Datum publicatie
20-12-2002
Zaaknummer
R01/081HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AF0203
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 701
NJ 2003, 230
JWB 2002/477
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 december 2002

Eerste Kamer

Nr. R01/081HR

JMH

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser] en 213 anderen, wonende op Curaçao, Bonaire, St. Maarten, Nederlandse Antillen, Aruba en in Nederland,

EISERS tot cassatie,

advocaat: mr. M. Bijkerk,

t e g e n

de openbare rechtspersoon DE NEDERLANDSE ANTILLEN, gevestigd te Willemstad, Curaçao, Nederlandse Antillen,

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. H.A. Groen.

1. Het verloop van het geding

De Hoge Raad verwijst naar zijn arrest van 24 november 2000, NJ 2001, 376, voor het daaraan voorafgegane verloop van het geding. Bij dat arrest heeft de Hoge Raad in de zaak R99/035HR het cassatieberoep van thans eisers tot cassatie - verder te noemen: [eiser] c.s. - verworpen en, in de zaak R99/040HR, het cassatieberoep van thans verweerder in cassatie, verder te noemen: het Land, het vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba van 24 november 1998 vernietigd en verwezen naar dat Hof.

Na verwijzing hebben [eiser] c.s. en het Land op 27 februari 2001 respectievelijk een conclusie en een memorie na cassatie genomen.

Bij vonnis van 24 april 2001 heeft het Hof, rechtdoende na cassatie:

- het vonnis waarvan beroep vernietigd, en, opnieuw rechtdoende

- op de vordering van appellante [appellante 1] voor recht verklaard dat de Landsverordening Toelating en Uitzetting, met uitzondering van de bepalingen der artikelen 22 tot en met 25, tevens niet van toepassing is op personen die de Nederlandse Nationaliteit hebben verkregen door naturalisatie terwijl zij woonachtig waren in de Nederlandse Antillen;

- het meer of anders door [appellante 1] gevorderde afgewezen;

- de vordering van appellanten [appellant 2], [appellant 3] en [appellant 4] afgewezen;

- de overige appellanten niet-ontvankelijk verklaard in hun vordering.

Het vonnis van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof hebben [eiser] c.s. beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het land heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1 Voor een samenvatting van het geschil en het verloop van de procedure na verwijzing (HR 24 november 2000, R99/035 en R 99/040, NJ 2001, 376) verwijst de Hoge Raad naar de punten 1.2 tot en met 1.17 van de conclusie van de Advocaat-Generaal.

3.2 In cassatie gaat het allereerst om de vraag of het Hof na verwijzing door de Hoge Raad nog mocht oordelen over de kwesties die door [eiser] c.s. na deze verwijzing voor het Hof aan de orde zijn gesteld. Deze vraag moet ontkennend worden beantwoord.

3.3 Nu voor de procedure na verwijzing geen regeling bestaat in het Antilliaanse procesrecht, moet de omvang van de taak van het Hof na verwijzing worden bepaald naar de te dezer zake geldende regels van Nederlands recht, voor zover de aard van de Antilliaanse procedure niet noopt tot afwijking daarvan.

3.4 Deze regels houden, voor zover thans van belang, in dat na cassatie niet kan worden teruggekomen op reeds definitief besliste geschilpunten. Dit geldt, ook in aanmerking genomen dat het Antilliaanse procesrecht geen grievenstelsel kent, eveneens voor punten die betrekking hebben op de openbare orde.

3.5 Alle klachten van [eiser] c.s. hebben betrekking op geschilpunten die vallen buiten de rechtsstrijd na verwijzing. Het middel kan derhalve niet tot cassatie leiden.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van het Land begroot op € 286,80 aan verschotten en op € 1.365,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R. Herrmann als voorzitter en de raadsheren A.E.M. van der Putt-Lauwers, J.B. Fleers, A. Hammerstein en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 20 december 2002.