Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AE9673

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
24-12-2002
Datum publicatie
24-12-2002
Zaaknummer
02480/01P
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AE9673
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 36e
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 718
NJ 2003, 157
JOW 2003, 10
NBSTRAF 2003/4
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

24 december 2002

Strafkamer

nr. 02480/01 P

EW/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 7 juni 2001, nummer 24/000071-00, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:

[betrokkene], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977, zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een beslissing van de Arrondissementsrechtbank te Leeuwarden van 13 januari 2000 - de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van ƒ 153.692,66, subsidiair 253 dagen hechtenis.

2. Geding in cassatie

2.1. Het beroep is ingesteld door de Advocaat-Generaal bij het Hof. Deze heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen wat betreft de opgelegde betalingsverplichting en de zaak in zoverre zal verwijzen naar een aangrenzend Hof opdat de zaak in zoverre op het bestaande beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

2.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman van de betrokkene, mr. D.V.A. Brouwer, advocaat te 's-Gravenhage.

3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

3.1. Namens de betrokkene is aangevoerd dat de Advocaat-Generaal bij het Hof niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn cassatieberoep, nu de door het Hof opgelegde betalingsverplichting gelijk is aan hetgeen te dier zake door hem is gevorderd, zodat hij geen belang heeft bij zijn beroep.

3.2. Anders dan is aangevoerd, volgt uit de enkele omstandigheid dat de rechter heeft beslist overeenkomstig de vordering van het openbaar ministerie, niet zonder meer dat het openbaar ministerie geen rechtens te respecteren belang heeft bij zijn beroep tegen die beslissing. De Advocaat-Generaal bij het Hof kan derhalve worden ontvangen in zijn cassatieberoep.

4. Beoordeling van het middel

4.1. Het middel komt op tegen de door het Hof aan de betrokkene opgelegde betalingsverplichting.

4.2. Het Hof heeft in zijn uitspraak, voorzover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende overwogen en beslist:

"Aangezien het hof, gelet op de inhoud van de hiervoor (...) weergegeven bewijsmiddelen/overwegingen, het aannemelijk acht, dat de winst, die veroordeelde samen met zijn mededader (...) heeft gemaakt, gelijkelijk over hen tweeën is verdeeld, heeft veroordeelde derhalve uit voormelde drugshandel een voordeel behaald, welk voordeel het hof gelet op al het vorenstaande, schat op een bedrag van ƒ 259.792,34 (...).

Nu de advocaat-generaal een bedrag van ƒ 153.692,66 heeft gevorderd, zal het hof niet boven dat bedrag uitgaan. Derhalve zal het hof veroordeelde de verplichting opleggen voormeld gevorderd bedrag aan de Staat te betalen."

4.3. Aan 's Hofs beslissing ligt klaarblijkelijk de opvatting ten grondslag dat de rechter ter zake van de betalingsverplichting als bedoeld in art. 36e Sr geen hoger bedrag mag vaststellen dan door het openbaar ministerie is gevorderd.

4.4. Deze opvatting is onjuist (vgl. HR 30 oktober 2001, NJ 2002, 124).

4.5. Het middel is dus terecht voorgesteld.

5. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat als volgt moet worden beslist.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de aan de betrokkene opgelegde betalingsverplichting;

Wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Leeuwarden opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

Verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, A.J.A. van Dorst, E.J. Numann en W.A.M. van Schendel, in bijzijn van de waarnemend-griffier L.J.J. Braber, en uitgesproken op 24 december 2002.