Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AE9632

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-12-2002
Datum publicatie
10-12-2002
Zaaknummer
00124/02
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AE9632
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 359a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 694
NBSTRAF 2003/15
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10 december 2002

Strafkamer

nr. 00124/02

ES/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 5 juli 2001, nummer 20/000095-01, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Ethiopië) op [geboortedatum] 1974, ten tijde van de bestreden uitspraak gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te Zoetermeer.

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep met aanvulling van gronden bevestigd een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Roermond van 22 december 2000, waarbij de verdachte ter zake van "verkrachting" is veroordeeld tot vier jaren gevangenisstraf en de tenuitvoerlegging is gelast van een voorwaardelijk opgelegde straf.

2. Geding in cassatie

2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.

2.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de Advocaat-Generaal.

3. Beoordeling van het eerste en het tweede middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beoordeling van het derde middel

4.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof ten onrechte heeft nagelaten te doen blijken van een onderzoek naar de toepassing van strafvermindering als bedoeld in art. 359a, eerste lid aanhef en onder a, Sv.

4.2. Een aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep gehechte pleitnotitie houdt, voorzover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

"3. Van het begin af aan heeft er reeds onduidelijkheid en onzekerheid bestaan omtrent de herkomst en de juistheid van de telefoongegevens. Bovendien is elke poging van de verdediging om inzake deze telefoongegevens (gerechtvaardigd) onderzoek te verrichten door het openbaar ministerie om onbegrijpelijke redenen gefrustreerd. Temeer onbegrijpelijk omdat met geringe moeite de onschuld van verdachte [...] in deze onomstotelijk aangetoond had kunnen worden.

4. Alles bij elkaar genomen verzoek ik u de telefoongegevens geheel buiten beschouwing te laten en te bepalen dat deze gegevens niet bij kunnen dragen aan het bewijs. Hier is immers sprake van een tom-bola: wel/niet gegevens beschikbaar, aanpassingen van de gegevens, geen recherchewerk naar alle gegevens. Subsidiair: bepleit ik de niet ontvankelijkheid van het OM wegens het frustreren van een goede rechtsgang c.q. het op ernstige mate schaden en veronachtzamen van de rechten van de verdediging. Ik beroep mij ter deze zaken mede op het in het EVRM bepaalde."

4.3. Het Hof heeft deze verweren gemotiveerd verworpen.

4.4. Blijkens hetgeen hiervoor onder 4.2 is weergegeven heeft de raadsman van de verdachte bij de behandeling van de zaak in hoger beroep uitsluitend aangevoerd dat de telefoongegevens niet kunnen bijdragen tot het bewijs en subsidiair dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vervolging. In aanmerking genomen dat niet blijkt dat door of namens de verdachte, die werd bijgestaan door een rechtsgeleerd raadsman, beroep is gedaan op strafvermindering als bedoeld in art. 359a, eerste lid aanhef en onder a, Sv, was het Hof niet gehouden te doen blijken ambtshalve te hebben onderzocht of de hoogte van de op te leggen straf diende te worden verlaagd in verhouding tot de ernst van het verzuim, aangenomen al dat hier sprake is van een verzuim van vormen in de zin van die bepaling.

4.5. Het middel kan dus niet tot cassatie leiden.

5. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

De verdachte, die zich in voorlopige hechtenis bevindt, heeft op 6 juli 2001 beroep in cassatie ingesteld.

De zaak is ter terechtzitting van de Hoge Raad van 17 september 2002 voor de eerste maal behandeld, hetgeen ertoe leidt dat de Hoge Raad uitspraak doet nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot strafvermindering.

6. Slotsom

Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, terwijl de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 5 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

7. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak, doch uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

Vermindert deze in die zin dat deze drie jaren en tien maanden beloopt;

Verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, A.J.A. van Dorst, E.J. Numann en W.A.M. van Schendel, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 10 december 2002.