Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AE9479

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
01-11-2002
Datum publicatie
01-11-2002
Zaaknummer
1359
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AE9479
Rechtsgebieden
Civiel recht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Onteigeningswet 40b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2003, 536 met annotatie van P.C.E. van Wijmen
RvdW 2002, 174
BR 2007/143
Module Ruimtelijke ordening 2002/1870
JWB 2002/396
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 1359

Hoge Raad der Nederlanden

Derde Kamer

1 november 2002

AB

Arrest

in de zaak van

de Staat der Nederlanden,

zetelend te 's-Gravenhage,

eiser tot cassatie,

advocaat: mr. H.A. Groen,

tegen

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

verweerder in cassatie,

advocaat: mr. J.G. de Vries Robbé.

1. Geding in feitelijke instantie

1.1. Eiser tot cassatie (hierna: de Staat) heeft bij exploit van 27 december 1999 verweerder in cassatie (hierna: [verweerder]) doen dagvaarden voor de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam en ten behoeve van de aanleg van de Hogesnelheidslijn-Zuid tussen Amsterdam en de Belgische grens nabij Hazeldonk, onder meer gevorderd, voor zover in cassatie nog van belang, de vervroegd uit te spreken onteigening ten name van de Staat van de perceelsgedeelten ter grootte van 00.73.31 ha (grondplannummer [001]), 01.20.12 ha (grondplannummer [002]) en 00.34.23 ha (grondplannummer [003]), in totaal zijnde 2.27.66 ha van het als akkerbouwland omschreven perceel ter grootte van 17.59.80 ha, kadastraal bekend gemeente Bleiswijk, sectie [A], nummer [1], waarvan [verweerder] als eigenaar is aangewezen, alsmede de vaststelling van de aan [verweerder] uit te keren schadeloosstelling.

1.2. Bij vonnis van 6 juli 2000, welk vonnis op 3 november 2000 is ingeschreven in de openbare registers, heeft de Rechtbank de gevorderde onteigening vervroegd uitgesproken, het voorschot op de [verweerder] toekomende schadeloosstelling vastgesteld op f 1.157.400 en drie deskundigen en een rechter-commissaris benoemd.

1.3. Bij het thans bestreden vonnis van 15 november 2001 heeft de Rechtbank, voorzover in cassatie van belang, de schadeloosstelling voor [verweerder] vastgesteld op f 1.714.850, de Staat veroordeeld van deze schadeloosstelling - na aftrek van het bij voormeld vonnis vastgestelde voorschot van f 1.157.400 - pro resto te voldoen aan [verweerder] f 557.450, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf de dag van het vonnis tot aan de dag der voldoening. Het vonnis is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

2.1. De Staat heeft tegen het vonnis van 15 november 2001 beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2.2. [verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.

2.3. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk doen toelichten door hun advocaten. De advocaat van de Staat heeft gerepliceerd.

2.4. De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 28 juni 2002 geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis en verwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage voor feitelijk onderzoek naar de vraag of voldoende aannemelijk is dat [verweerder] zonder onteigening zelf ontwikkeld zou hebben.

3. Beoordeling van het middel

3.1. De Rechtbank heeft het onteigende aangemerkt als ruwe bouwgrond ten behoeve van glastuinbedrijven en daaraan een waarde toegekend van f 65 gemiddeld per m². Deze waarde heeft de Rechtbank in het voetspoor van deskundigen beredeneerd door uit te gaan van een prijsniveau van f 80 per m² voor bouwrijpe grond en van ontwikkelingskosten (waaronder kosten van grondinbreng ten behoeve van ontsluitingswegen, aan te brengen voorzieningen zoals verharding, verlichting, nuts-voorzieningen etc.) van f 15 per m² bij zelfontwikkeling door [verweerder]. Hierbij heeft de Rechtbank nog aangetekend dat voldoende aannemelijk is geworden dat [verweerder] op de peildatum in staat was om de grond zelf te ontwikkelen en dat de door deskundigen vermelde f 80 voorts genoegzaam aannemelijk maken dat [verweerder] op de peildatum voornemens was ook daadwerkelijk tot zelfrealisatie over te gaan.

3.2. Onderdeel 2 van het middel van cassatie, dat de Hoge Raad als eerste zal behandelen, klaagt dat de Rechtbank, aldus oordelend, aan het onteigende een waarde heeft toegekend die het (uitsluitend) voor [verweerder] heeft, zulks in weerwil van artikel 40b, tweede lid, van de Onteigeningswet. Het onderdeel is gegrond. De in de genoemde bepaling gegeven maatstaf voor de werkelijke waarde brengt mede dat die waarde geen invloed ondervindt van de bijzondere capaciteiten van de onteigende om de onteigende gronden geschikt te maken voor een lucratievere wijze van exploitatie dan die welke plaatsvindt ten tijde van de onteigening noch ook van de voornemens van de onteigende om daadwerkelijk over te gaan tot zodanige geschiktmaking. Indien onteigende gronden, de onteigening weggedacht, geschikt kunnen worden gemaakt voor een lucratievere wijze van exploitatie dan die welke plaatsvindt ten tijde van de onteigening, behoort die mogelijkheid weliswaar tot de factoren die van invloed zijn op de prijs die tot stand komt bij een onderstelde koop in het vrije commerciële verkeer als bedoeld in genoemd artikel 40b, tweede lid, maar de in die bepaling bedoelde redelijk handelende verkoper kan niet verwachten dat zijn bijzondere capaciteiten en voornemens tot exploitatie de redelijk handelende koper ertoe zullen brengen om meerwaarde aan die gronden toe te kennen en een hogere prijs daarvoor over te hebben.

3.3. Onderdeel 1 van het middel gaat terecht uit van de regel van onteigeningsrecht dat een onteigende slechts dan aanspraak heeft op vergoeding van schade die hij lijdt doordat hij als gevolg van de onteigening een bepaalde, ten tijde van de onteigening nog niet gerealiseerde, bestemming voor bedrijfsmatige exploitatie van het onteigende niet kan realiseren, indien de omstandigheden dusdanig zijn dat zij aannemelijk maken dat de onteigende die bestemming zonder onteigening zou hebben verwezenlijkt en daaruit voordeel zou hebben getrokken. De Rechtbank heeft deze regel evenwel, anders dan het onderdeel aanvoert, niet miskend. Zij heeft immers niet een vergoeding toegekend voor bedrijfsschade die [verweerder] lijdt doordat hij als gevolg van de onteigening niet meer in staat is het onteigende te ontwikkelen tot bouwrijpe grond voor glastuinbedrijven, maar slechts haar oordeel dat [verweerder] in staat en voornemens was de onteigende gronden te ontwikkelen tot bouwrijpe grond voor glastuinbouwbedrijven, mede bepalend geacht voor de waarde van de onteigende gronden, zulks in verband met het hiervoor onder 3.2 overwogene overigens ten onrechte.

3.4. Wel gegrond is de klacht aan het slot van onderdeel 1 dat het oordeel van de Rechtbank dat de door deskundigen vermelde f 80 genoegzaam aannemelijk maken dat [verweerder] op de peildatum voornemens was om ook daadwerkelijk tot zelfrealisatie over te gaan, zonder nadere toelichting onbegrijpelijk is en dat de Rechtbank nader had moeten ingaan op het betoog van de Staat, kort gezegd, dat [verweerder] akkerbouwer is en geen concrete plannen heeft ontwikkeld die de veronderstelling rechtvaardigen dat hij op de peildatum de reeds sinds 1992 vigerende planologische bestemming "agrarisch gebied-kassen" zelf zou willen of kunnen realiseren.

3.5. De gegrondbevinding van de onderdelen 1 (gedeeltelijk) en 2 brengt mede dat onderdeel 3 geen behandeling meer behoeft. Na verwijzing dient de werkelijke waarde van het onteigende met inachtneming van het voorgaande te worden vastgesteld. De verwijzingsrechter zal daarnaast moeten beoordelen of [verweerder] vergoeding toekomt van schade die hij lijdt doordat de onteigening hem de mogelijkheid om de onteigende gronden zelf te ontwikkelen tot bouwrijpe glastuinbouwgrond heeft ontnomen. Daarbij dient als uitgangspunt te gelden dat het onteigeningsrecht in beginsel geen aanspraak kent op vergoeding van te derven voordeel uit een ten tijde van de onteigening niet bestaande, mogelijkerwijze zonder onteigening later aan te vangen exploitatie. Voor een dergelijke vergoeding is slechts plaats indien de omstandigheden dusdanig zijn dat zij aannemelijk maken dat de onteigende de desbetreffende, ten tijde van de onteigening niet bestaande, exploitatie zonder onteigening zou hebben verwezenlijkt en daaruit voordeel zou hebben getrokken. Het antwoord op de vraag of er ten tijde van de onteigening concrete plannen van de onteigende bestaan voor de desbetreffende toekomstige exploitatie zal daarbij een relevante factor zijn, maar behoeft niet in alle gevallen de doorslag te geven.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het vonnis van de Arrondissementrechtbank te Rotterdam van 15 november 2001;

verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt [verweerder] in de kosten op de voorziening in cassatie gevallen, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Staat begroot op € 379.63 voor verschotten en € 1590 voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president E. Korthals Altes als voorzitter en de raadsheren L. Monné, P.J. van Amersfoort, J.C. van Oven en C.J.J. van Maanen, en door de raadsheer A. Hammerstein uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 november 2002.