Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AE9380

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-12-2002
Datum publicatie
20-12-2002
Zaaknummer
C01/121HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AE9380
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 711
JAR 2003, 17
JWB 2002/487
JAR 2003/17
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 december 2002

Eerste Kamer

Nr. C01/121HR

JMH

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

FNV BONDGENOTEN, gevestigd te Amsterdam,

EISERES tot cassatie,

advocaat: aanvankelijk mr. J.C. van Oven, thans mr. A.J. Swelheim,

t e g e n

RECTICEL NEDERLAND B.V., gevestigd te Kesteren,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. A.G. Castermans.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiseres tot cassatie - verder te noemen: FNV - heeft bij exploit van 26 juli 1999 verweerster in cassatie - verder te noemen: Recticel - gedagvaard voor de Kantonrechter te Tiel en, na wijziging van de grondslag van het onder iii gevorderde, gevorderd Recticel te veroordelen tot:

i. nakoming van art. 11B van het werkgelegenheidsplan PACROS vanaf 1 mei 1999 tot het moment van rechtsgeldige beëindiging van die overeenkomst;

ii. betaling van de kilometervergoeding van ƒ 0,44 per kilometer aan de betrokken ex-Pacros medewerkers bij Recticel tot het moment dat anders wordt overeengekomen;

alsmede voor recht te verklaren dat:

iii. Recticel toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de met FNV gesloten overeenkomst, en

iv. betaling van een schadevergoeding van ƒ 10.000,--.

Recticel heeft de vordering bestreden.

De Kantonrechter heeft bij vonnis van 29 maart 2000 de vordering van FNV afgewezen.

Tegen dit vonnis heeft FNV hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Arnhem.

Bij vonnis van 18 januari 2001 heeft de Rechtbank het bestreden vonnis vernietigd behoudens de beslissing over de proceskosten en, opnieuw rechtdoende, Recticel veroordeeld tot betaling van de kilometervergoeding van ƒ 0,44 per kilometer aan de betrokken ex-Pacros medewerkers bij Recticel over de maand mei 1999. Het meer of anders gevorderde heeft de Rechtbank afgewezen.

Het vonnis van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het vonnis van de Rechtbank heeft FNV beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Recticel heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor FNV mede door mr. S.F. Sagel, advocaat bij de Hoge Raad.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis.

De advocaat van Recticel heeft bij brief van 28 oktober 2002 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Recticel produceert en verhandelt diverse soorten schuim en schuimproducten. Zij had een divisie ("Pacros") die polyetherschuim verwerkte in Waspik. Deze divisie zou per 1 april 1996 in verband met een reorganisatie worden gesloten, waarna de verwerking van polyetherschuim zou plaatsvinden in de vestigingen van Recticel te Kesteren en Bladel.

(ii) In november 1995 is een "werkgelegenheidsplan Pacros" afgesloten tussen Recticel enerzijds en Industrie- en Voedingsbond CNV en een rechtsvoorganger van FNV anderzijds.

(iii) Het werkgelegenheidsplan houdt onder meer het volgende in:

"(...)

2. Werkingsduur

Het werkgelegenheidsplan Pacros geldt voor de periode van september 1995 tot en met december 1996; sommige voorzieningen en regelingen kunnen ook daarna van toepassing blijven voor zover dat uitdrukkelijk is vermeld.

3. Doel

Deze regeling is erop gericht zodanige voorzieningen en regelingen te treffen ter ondersteuning van de mogelijkheden tot herplaatsing binnen andere Recticel bedrijven teneinde daardoor de werkgelegenheid maximaal te continueren.

(...)

11. Reistijd- en Reiskostenvergoeding

(...)

B. De bestaande reiskostenregeling komt met ingang van het moment van overplaatsing te vervallen; daarvoor in de plaats treedt de "meerij- en carpoolregeling" (zie bijlage).

De, in het kader van de meerijregeling, vastgestelde kilometervergoeding is als volgt:

Gedurende het eerste jaar na overplaatsing ƒ 0,59 cent per kilometer.

Gedurende het tweede jaar na overplaatsing ƒ 0,52 cent per kilometer.

Ingaande het derde jaar na overplaatsing vindt een vergoeding plaats op basis van de dan algemeen van toepassing zijnde kilometervergoeding bij Recticel B.V.

(...)"

(iv) Als bijlage bij het werkgelegenheidsplan is een "Toelichting meerijregeling" gevoegd, die onder meer inhoudt:

"2. Werknemers die aan de meerij-regeling deelnemen dienen een overeenkomst af te sluiten. Partijen bij deze overeenkomst zijn de werkgever en de werknemers die samen een pool vormen."

(v) Recticel heeft met een aantal deelnemers de zogenaamde meerijovereenkomst gesloten. Deze overeenkomst is voor onbepaalde tijd aangegaan en kan door ieder van partijen worden opgezegd met inachtneming van een opzegtermijn van een maand.

(vi) Recticel heeft bij brief van 28 mei 1998 deze meerijovereenkomst aanvankelijk opgezegd per 1 juli 1998. Na overleg heeft Recticel de regeling alsnog opgezegd per 1 mei 1999.

3.2 De Kantonrechter heeft de vorderingen van FNV tot, kort gezegd, nakoming van de met haar rechtsvoorganger gesloten overeenkomst (het werkgelegenheidsplan en de daarvan deel uitmakende meerijregeling) afgewezen. De Kantonrechter heeft, samengevat, daartoe als volgt overwogen. Het werkgelegenheidsplan moet worden beschouwd als een collectieve arbeidsovereenkomst in materiële zin (rov. 5). Vooropgesteld is dat een onderscheid gemaakt moet worden tussen enerzijds het werkgelegenheidsplan - waarop FNV haar vorderingen baseert - en anderzijds de met de individuele werknemers gesloten meerijovereenkomsten, welke overeenkomsten door Recticel zijn opgezegd (rov. 8). De Kantonrechter heeft het werkgelegenheidsplan uitgelegd aan de hand van de in enkele arresten van de Hoge Raad geformuleerde maatstaven; volgens de Kantonrechter is de uitleg die FNV geeft aan het werkgelegenheidsplan, met name artikel 11 B, niet in overeenstemming met de bewoordingen van artikel 11 B; de uitleg die Recticel geeft is daarentegen volledig in overeenstemming met de tekst van artikel 11 B (rov. 9). De door FNV voorgestane uitleg hield in (rov. 6) dat (het nadrukkelijk de bedoeling is geweest van FNV en de leden van de bond die hun goedkeuring aan het plan hebben verleend dat) de betaling van de kilometervergoeding vanaf het derde jaar voor onbepaalde tijd zou worden voortgezet zonder dat de mogelijkheid zou bestaan deze regeling eenzijdig te beëindigen. Het standpunt van Recticel hield in (rov. 7) dat de reiskostenregeling ex artikel 11 B van het werkgelegenheidsplan van beperkte duur was; het werkgelegenheidsplan had een looptijd van vijftien maanden, zijnde de periode van september 1995 tot december 1996; na verloop van twee jaar zouden de werknemers van de divisie Pacros gelijk worden gesteld aan de andere werknemers van Recticel. Met Recticel was de Kantonrechter van oordeel dat de regeling ex 11 B van het werkgelegenheidsplan door het tijdsverloop is geëxpireerd; het is op deze grond dat de vorderingen van FNV worden afgewezen, aldus de Kantonrechter (rov. 11).

3.3 In hoger beroep heeft de Rechtbank als volgt geoordeeld (rov. 5):

"Bij de beoordeling moet worden vooropgesteld dat, mede gelet op hetgeen door Recticel bij pleidooi desgevraagd is meegedeeld, de partijen het in zoverre (terecht) met elkaar eens zijn dat de - in het licht van de gehele tekst van het plan naar de bewoordingen uit te leggen (HR 26 mei 2000, NJ 2000, 473) - regeling zoals neergelegd in artikel 11 B tenminste voor drie jaar gold, gerekend vanaf 1 maart 1996, dus tot 1 maart 1999. Vóór die datum kon Recticel de regeling in geen geval opzeggen.

De vraag is dan of Recticel na afloop van die periode van drie jaar de regeling wel kon opzeggen. In artikel 11 B van het Werkgelegenheidsplan is bepaald dat de bestaande reiskostenregeling met ingang van het moment van overplaatsing komt te vervallen en dat daarvoor in de plaats treedt de 'meerij- en carpoolregeling'. In die regeling is in artikel 2 opgenomen dat werknemers die aan de meerijregeling deelnemen een (meerij)overeenkomst dienen af te sluiten. Vervolgens is in artikel 5 van die meerijovereenkomsten bepaald dat die voor onbepaalde tijd gelden, maar door (een van) de partijen schriftelijk kunnen worden beëindigd, met inachtneming van een opzegtermijn van één maand. Gezien de tekst van de regeling alsmede de omstandigheid dat in het Werkgelegenheidsplan de continuïteit van de werkgelegenheid voorop staat en in het licht daarvan het plan als een overgangsregeling moet worden beschouwd, was opzegging na afloop van de periode van drie jaar mogelijk. Het voorgaande brengt mee dat de stelling van FNV dat opzegging van de meerijovereenkomsten nietig is omdat deze in strijd zou zijn met het Werkgelegenheidsplan niet juist is, daargelaten de vraag of het Werkgelegenheidsplan als een CAO moet worden aangemerkt."

Omdat volgens het oordeel van de Rechtbank (in rov. 6) de opzegging van de meerijovereenkomsten niet op de juiste wijze was geschied, te weten zonder inachtneming van een termijn van één maand, heeft de Rechtbank Recticel veroordeeld tot betaling van de kilometervergoeding van ƒ 0,44 per kilometer aan de betrokken ex-Pacros medewerkers over de maand mei 1999. Voor toewijzing van de overige vorderingen is naar het oordeel van de Rechtbank echter geen plaats, "daar van nakoming van artikel 11 B van het Werkgelegenheidsplan geen sprake meer kan zijn na de opzegging van de meerijovereenkomsten."

3.4.1 Onderdeel 2 - onderdeel 1 bevat geen zelfstandige klacht - richt zich tegen de hiervóór aangehaalde rov. 5. Het acht onbegrijpelijk hoe de Rechtbank bij de beantwoording van de vraag of Recticel (na verloop van drie jaar) de regeling zoals bedoeld in artikel 11 B kon opzeggen, de in artikel 5 van de meerijovereenkomsten neergelegde bepaling over de beëindiging van die meerijovereenkomsten in haar beoordeling kon betrekken. Voorts valt volgens het onderdeel zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet in te zien hoe de vaststelling van de Rechtbank dat de meerijovereenkomsten voorzien in een opzegmogelijkheid zou kunnen bijdragen tot het oordeel dat Recticel de met de vakorganisaties (waaronder FNV) overeengekomen regeling als neergelegd in artikel 11 B van het werkgelegenheidsplan (na afloop van drie jaar) eveneens zou kunnen opzeggen.

3.4.2 Het onderdeel mist in twee opzichten feitelijke grondslag. In de eerste plaats heeft de Rechtbank, hoewel zij het voor tweeërlei uitleg vatbare woord "regeling" gebruikte, anders dan het onderdeel veronderstelt, in rov. 5 kennelijk niet het oog op de opzegging van de in artikel 11 B van het werkgelegenheidsplan neergelegde "meerij- en carpoolregeling", maar van de ter uitvoering daarvan gesloten meerijovereenkomsten. Zulks blijkt uit rov. 6 en uit de omstandigheid dat de Rechtbank niet heeft vastgesteld dat Recticel naast de meerijovereen-komsten ook de in artikel 11 B neergelegde "meerij- en carpoolregeling" heeft opgezegd. Aangenomen mag worden dat ook de Rechtbank, zoals de Kantonrechter al had vooropgesteld, het onderscheid tussen het werkgelegenheidsplan en de ter uitvoering van de daarin opgenomen meerijregeling gesloten overeenkomsten in het oog heeft weten te houden. In de tweede plaats heeft de Rechtbank kennelijk niet, zoals het onderdeel aanneemt, bij de uitlegging van de "meerij- en carpoolregeling" van artikel 11 B van het werkgelegenheidsplan betrokken dat de ter uitvoering van die regeling gesloten meerijovereenkomsten in een opzeggingsmogelijkheid voorzien. De Rechtbank heeft klaarblijkelijk onderzocht of het - als een CAO uit te leggen - werkgelegenheidsplan, in het bijzonder artikel 11 B waarvan FNV de nakoming eiste, in de weg stond aan het opnemen van een opzeggingsmogelijkheid in de ter uitvoering van dat artikel gesloten meerijovereenkomsten en aan het vervolgens gebruik maken van die mogelijkheid door Recticel. Het onderdeel kan derhalve bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden.

3.5.1 Voorzover onderdeel 3 eveneens berust op de hiervóór onjuist bevonden veronderstelling dat de Rechtbank heeft onderzocht of artikel 11 B kon worden opgezegd, kan het evenzeer bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden.

3.5.2 Voor het overige keert het onderdeel zich, evenals onderdeel 4, tegen de ontkennende beantwoording door de Rechtbank van de hiervóór aan het slot van 3.4.2 bedoelde vraag. De Rechtbank is daartoe kennelijk gekomen door uitleg van het werkgelegenheidsplan als geheel, waarbij de Rechtbank de aard van die regeling heeft betrokken, te weten een overgangsregeling waarin de continuïteit van de werkgelegenheid voorop staat. Aldus oordelend heeft de Rechtbank, anders dan in onderdeel 4 betoogd, geen blijk gegeven van miskenning van de bij uitlegging van een CAO te hanteren maatstaf. Het oordeel kan verder, als van feitelijke aard, in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Het is ook niet onbegrijpelijk en evenmin ontoereikend gemotiveerd. Met name is in het licht van de hiervóór in 3.1 onder (iii) aangehaalde bepalingen inzake de werkingsduur en het doel van het werkgelegenheidsplan niet onbegrijpelijk dat de Rechtbank kennelijk, in navolging van de Kantonrechter, heeft geoordeeld dat de in artikel 11 B neergelegde "meerij- en carpoolregeling" een in de tijd beperkte gelding had, en daarom niet ertoe noopte te aanvaarden dat de daarin voorziene kilometervergoeding voor onbepaalde tijd zou moeten worden betaald, zonder enige mogelijkheid de ter uitvoering van de "meerij- en carpoolregeling" te sluiten meerijovereenkomsten op te zeggen. De onderdelen 3 en 4 treffen geen doel.

3.6 Onderdeel 5 berust eveneens op de onjuiste veronderstelling dat de Rechtbank heeft geoordeeld dat niet de meerijovereenkomsten maar de regeling van artikel 11 B kon worden opgezegd en is opgezegd, zodat het bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie kan leiden.

3.7 Onderdeel 6 betreft de zogenoemde nawerking van CAO's en berust op de veronderstelling dat artikel 11 B van het werkgelegenheidsplan een regeling inhoudt omtrent de opzegbaarheid van de ter uitvoering van de "meerij- en carpoolregeling" gesloten meerijovereenkomsten. Het is tevergeefs voorgesteld, omdat het de door de Rechtbank gevolgde gedachtengang miskent. Deze komt immers erop neer dat artikel 11 B een dergelijke regeling juist niet inhield en evenmin in de weg staat aan de mogelijkheid in de meerijovereenkomsten een opzeggingsmogelijkheid op te nemen, van welke laatste mogelijkheid Recticel vervolgens gebruik heeft gemaakt.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt FNV in de kosten van het geding in cassatie, tot deze uitspraak aan de zijde van Recticel begroot op € 286,88 aan verschotten en op € 1.365,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R. Herrmann als voorzitter en de raadsheren A.E.M. van der Putt-Lauwers, H.A.M. Aaftink, D.H. Beukenhorst en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 20 december 2002.