Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AE9258

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
06-12-2002
Datum publicatie
06-12-2002
Zaaknummer
C01/116HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AE9258
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 13
Faillissementswet 40
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 670
NJ 2003, 140 met annotatie van P. van Schilfgaarde
RvdW 2002, 204
JAR 2003, 16
JWB 2002/452
JAR 2003/16
JOR 2003/49
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

6 december 2002

Eerste Kamer

Nr. C01/116HR

JMH

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser], wonende te woonplaats,

EISER tot cassatie,

advocaat: aanvankelijk mr. J.C. van Oven, thans mr. A.J. Swelheim,

t e g e n

1. de vennootschap onder firma INTERIEUR SYSTEEMBOUW ALMERE I.S.A. V.O.F., gevestigd te Almere,

2. [Verweerder 2], wonende te [woonplaats],

3. [Verweerster 3], wonende te [woonplaats],

VERWEERDERS in cassatie,

advocaat: mr. T.H. Tanja-van den Broek.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploit en herstelexploit, beide van 27 april 1999, verweerders in cassatie - verder tezamen te noemen: ISA - gedagvaard voor de Kantonrechter te Lelystad en gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, ISA te veroordelen tot betaling van:

I. primair:

a. het loon over de periode vanaf 2 november 1996 tot en met 23 april 1999, zijnde ƒ 36.140,06 bruto;

b. de vakantierechtwaarden over de periode vanaf 2 november 1998 tot en met 23 april 1999, zijnde ƒ 4.660,56 bruto;

c. de wettelijke verhoging van de sub a en b genoemde bedragen, zijnde ƒ 20.400,31;

d. de wettelijke rente over de sub a, b en c genoemde bedragen van 1 mei 1999 tot de dag der algehele voldoening;

e. loon ad ƒ 5.818,64 per vier weken en tot betaling van de vakantierechtwaarden ad ƒ 676,68 per vier weken vanaf 26 april 1999 tot het rechtsgeldig einde van de arbeidsovereenkomst, het loon en de vakantierechtwaarden te verhogen met de wettelijke verhoging wanneer er niet tijdig wordt betaald, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het ogenblik waarop het loon en de vakantierechtwaarden betaald moeten worden respectievelijk de wettelijke verhoging verschuldigd is;

II. subsidiair voor zover de arbeidsovereenkomst tegen 2 november 1998 rechtsgeldig is geëindigd:

a. de vergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag, zijnde ƒ 51.641,18 bruto;

b. de wettelijke rente over het sub a genoemde bedrag vanaf 2 november 1998 tot de dag der algehele voldoening.

ISA heeft de vorderingen bestreden.

De Kantonrechter heeft bij vonnis van 12 januari 2000 de vorderingen afgewezen.

Tegen dit vonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Zwolle.

Bij vonnis van 27 december 2000 heeft de Rechtbank voormeld vonnis van de Kantonrechter bekrachtigd.

Het vonnis van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het vonnis van de Rechtbank heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

ISA heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor [eiser] mede door mr. Y. van Gemerden, advocaat bij de Hoge Raad.

De conclusie van de Advocaat-Generaal F.B. Bakels strekt tot verwerping van het beroep, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [Eiser] is op 4 juli 1994 bij ISA in dienst getreden als timmerman. Hij is sedert 25 mei 1998 arbeidsongeschikt.

(ii) Bij vonnis van de rechtbank te Zwolle van 2 september 1998 is ISA failliet verklaard, met benoeming van mr. N.D.J. Kooij te Almere tot curator. ISA heeft tegen dat vonnis verzet ingesteld en vernietiging daarvan verzocht. Bij vonnis van 16 september 1998 heeft de rechtbank dat verzoek afgewezen.

(iii) Bij brief van 21 september 1998 heeft de curator met verwijzing naar art. 40 F. de arbeidsovereenkomst met [eiser] opgezegd per 2 november 1998. Voor de opzegging is geen toestemming verleend door de Regionaal Directeur voor de Regionale Arbeidsvoorziening (hierna: RDA).

(iv) Bij arrest van 22 oktober 1998 heeft het gerechtshof te Arnhem geoordeeld dat ISA gelet op de inmiddels met haar schuldeisers getroffen regeling, niet langer verkeerde in de toestand van te hebben opgehouden te betalen. Het hof heeft het verzoek tot faillietverklaring alsnog afgewezen.

(v) [Eiser] heeft (bij brief van 5 november 1998) een beroep gedaan op de nietigheid van de opzegging van de arbeidsovereenkomst bij gebreke van een dringende reden of van toestemming van de RDA. [Eiser] heeft voorts ISA gesommeerd tot nakoming van haar betalingsverplichtingen.

3.2 [Eiser] vordert in deze procedure primair doorbetaling van loon c.a. en subsidiair betaling van een vergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag (zie hiervoor in 1).

[Eiser] heeft aan die vorderingen het volgende ten grondslag gelegd. Door de vernietiging van de faillietverklaring is de door de curator gedane ontslagaanzegging van onwaarde; de arbeidsovereenkomst is dan ook niet geëindigd, maar duurt nog voort. De opzegging door de curator is nietig, althans op grond van art. 6 BBA ongeldig bij gebreke van toestemming van de RDA. Voor het geval de opzegging door de curator wel rechtsgeldig zou zijn, is de opzegging kennelijk onredelijk, nu deze zonder afvloeiingsregeling is geschied.

ISA heeft zich op het standpunt gesteld dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst op grond van art. 13 F. ook na de vernietiging van de faillietverklaring in stand is gebleven. Zij heeft voorts betwist dat de beslissing van de curator om de arbeidsovereenkomst op te zeggen zonder daar een vergoeding aan te verbinden, kennelijk onredelijk is. De Kantonrechter heeft de vorderingen van [eiser] afgewezen.

3.3 De Rechtbank heeft de door [eiser] tegen die beslissing aangevoerde grieven ongegrond geoordeeld. De Rechtbank heeft - samengevat weergegeven - als volgt geoordeeld. Art. 13 F. is op de opzegging door de curator van toepassing, hetgeen meebrengt dat de onderhavige opzegging ook na de vernietiging van het faillissement in stand blijft (rov. 4.2). Of aan de eisen voor een op art. 40 F. gegronde opzegging is voldaan, dient getoetst te worden naar het moment van die opzegging. De omstandigheid dat de onderhavige arbeidsovereenkomst eindigde op 2 november 1998 en dat reeds op 22 oktober 1998 het Hof het vonnis tot faillietverklaring had vernietigd, brengt niet mee dat alsnog voldaan moet worden aan het vereiste van art. 6 lid 1 BBA (rov. 4.3). De op art. 40 F. gegronde opzegging van de arbeidsovereenkomst kan dan ook aan [eiser] worden tegengeworpen, ook al is het eerder uitgesproken faillissement van zijn werkgeefster later vernietigd (rov. 4.1 en 4.4). Van een kennelijk onredelijk ontslag is geen sprake (rov. 4.13). [Eiser] heeft niets gesteld waaruit is af te leiden dat de curator in redelijkheid niet tot het ontslag heeft kunnen komen (rov. 4.6). [Eiser] heeft niet bestreden dat de financiële positie van ISA voor en gedurende het faillissement zeer te wensen overliet. Eerst in hoger beroep tegen de faillietverklaring is een schuldenregeling totstandgekomen. Het feit dat de onderhavige arbeidsovereenkomst was opgezegd, heeft daarbij een niet onbelangrijke rol gespeeld (rov. 4.7 - 4.9). [Eiser] heeft geen feiten gesteld waaruit kan worden afgeleid dat ISA na vernietiging van het faillissement in staat was de loonkosten van [eiser] te blijven betalen (rov. 4.10). ISA had een aanmerkelijk belang bij het beëindigen van de arbeidsovereenkomst met [eiser] (rov. 4.11). Het daartegenover staande belang van [eiser] weegt onvoldoende zwaar. Gesteld noch gebleken is dat [eiser] door het ontslag concreet financieel nadeel is toegebracht (rov. 4.12).

3.4.1 Onderdeel 2 - onderdeel 1 bevat geen klacht - keert zich tegen het oordeel van de Rechtbank (in de rov. 4.1 - 4.4) dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst door de curator op grond van art. 40 lid 3 (oud) F. ook nadat de faillietverklaring was vernietigd aan [eiser] kon worden tegengeworpen. Het onderdeel betoogt dat art. 13 F. ertoe strekt slechts derden met of jegens wie de curator rechtshandelingen heeft verricht te beschermen, en niet de gefailleerde na vernietiging van het vonnis tot faillietverklaring.

3.4.2 Bij de behandeling van het onderdeel moet het volgende worden voorop gesteld. Sedert 1 juli 2002 is een nieuw art. 13a in de Faillissementswet opgenomen. Dit artikel houdt in - kort gezegd - dat een opzegging van een arbeidsovereenkomst door een curator indien de faillietverklaring wordt vernietigd, met terugwerkende kracht wordt beheerst door de wettelijke of overeengekomen regels die van toepassing zijn buiten faillissement. Het artikel is ingevoegd bij de Wet van 18 april 2002 (Stb. 2002, 215), tot uitvoering van de Richtlijn 98/50/EG van de Raad van de Europese Unie van 29 juni 1998 tot wijziging van de Richtlijn 77/187/EEG inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen van ondernemingen of vestigingen. Deze richtlijn (98/50/EG) verplichtte de lidstaten - onder meer - de nodige maatregelen te nemen "om frauduleuze insolventieprocedures met het doel de werknemers van de in deze richtlijn bedoelde rechten te beroven, te voorkomen" (art. 4 bis lid 4 van de richtlijn). Het aanvankelijk voorgestelde art. 13a, dat overeenkomstig de richtlijn was beperkt tot gevallen van misbruik, is bij een door de regering ontraden amendement in die zin gewijzigd dat deze beperking is vervallen. Ingevolge de overgangsregeling behorende bij voornoemde wet van 18 april 2002 is art. 13a F. in het onderhavige geval niet van toepassing, nu het faillissement is uitgesproken vóór het tijdstip waarop de wet in werking is getreden (art. VII).

3.4.3 Mede op grond van het arrest van de Hoge Raad van 16 februari 1928, NJ 1928, 887, is in de literatuur en de rechtspraktijk aangenomen dat een door een curator gedane opzegging van de arbeidsovereenkomst haar geldigheid niet verliest indien het faillissement wordt vernietigd. Zoals blijkt uit de in de conclusie van de Advocaat - Generaal onder 2.6 aangehaalde passage uit de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de hiervoor in 3.4.2 genoemde wet van 18 april 2002, is ook de regering ervan uitgegaan dat in een dergelijk geval de opzegging in stand blijft als gevolg van het bepaalde in art. 13 F. De Hoge Raad ziet bij deze stand van zaken geen aanleiding de door het middel voorgestane uitleg te volgen. Tegen een beslissing in andere zin verzet zich de juist in faillissementssituaties zwaar wegende rechtszekerheid.

3.4.4 Uit het hiervoor overwogene volgt derhalve dat het onderdeel faalt.

3.5 Onderdeel 3 bestrijdt het oordeel van de Rechtbank dat getoetst dient te worden of op het moment van de op art. 40 F. gebaseerde opzegging voldaan is aan de daaraan te stellen eisen. Het voert aan dat de Rechtbank heeft miskend dat art. 6 lid 2, onder c, BBA, dat - onder meer - bepaalt dat bij een opzegging die is geschied ten gevolge van faillissement van de werkgever geen voorafgaande toestemming van de RDA nodig is, een uitzonderingsbepaling is, en dat die bepaling dan ook niet moet worden toegepast in gevallen dat ná de opzegging de faillietverklaring alsnog wordt vernietigd.

Hetgeen hiervoor in 3.4.2 - 3.4.4 is overwogen met betrekking tot de uitleg van art. 13 F. brengt mee dat de door het onderdeel verdedigde stelling moet worden verworpen. Het onderdeel faalt.

3.6 Onderdeel 4 is gericht tegen de verwerping door de Rechtbank van het beroep van [eiser] op kennelijke onredelijkheid van het ontslag. Het onderdeel betoogt dat een na vernietiging van de faillietverklaring door de voormalige failliet gehandhaafde opzegging op zichzelf reeds een kennelijk onredelijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst als in art. 7:681 BW bedoeld oplevert, en dat zulks temeer geldt indien de faillietverklaring vernietigd wordt vóórdat het door de curator aangezegde ontslag is ingegaan.

Ook dit onderdeel faalt. De in de klacht verwoorde stelling komt erop neer dat een ontslag waarvoor geen toestemming is gegeven door de RDA en waaraan geen dringende reden ten grondslag ligt, steeds kennelijk onredelijk is. Uit hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de uitleg van art. 13 F., inhoudende dat een door de curator in het (later vernietigde) faillissement gegeven ontslag zijn geldigheid behoudt, volgt dat de stelling niet kan worden aanvaard, daar de werking van art. 13 F. erdoor zou worden tenietgedaan en elke belangenafweging op voorhand onmogelijk zou worden gemaakt.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van ISA begroot op € 148,48 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren A.E.M. van der Putt-Lauwers, J.B. Fleers, D.H. Beukenhorst en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 6 december 2002.