Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AE9250

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
06-12-2002
Datum publicatie
06-12-2002
Zaaknummer
C01/083HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AE9250
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 665
JWB 2002/449
JBO 2005/349
JM 2003/49 met annotatie van Bos
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

6 december 2002

Eerste Kamer

Nr. C01/083HR

JMH

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

N.V. NUON ENERGIE ONDERNEMING VOOR GELDERLAND, FRIESLAND EN FLEVOLAND, gevestigd te Arnhem,

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. R.S. Meijer,

t e g e n

[Verweerster], gevestigd te [vestigingsplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. D. Stoutjesdijk.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerster in cassatie - verder te noemen: [verweerster] - heeft bij exploit van 20 mei 1996 eisers tot cassatie - verder te noemen: Nuon - gedagvaard voor de Rechtbank te Arnhem en - na wijziging van eis - gevorderd bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad niettegenstaande verzet of andere voorziening:

1. voor recht te verklaren dat Nuon, althans haar rechtsvoorgangster, jegens [verweerster] tekort is geschoten in de nakoming van de op haar rustend verplichtingen terzake van de tussen partijen op 20 april 1988 gesloten koopovereenkomst terzake van de in deze dagvaarding omschreven onroerende zaak en de daaruit voortvloeiende eigendomsoverdracht op of omstreeks 1 juli 1988 en Nuon jegens [verweerster] gehouden is tot volledige nakoming, daaruit bestaande dat de reeds geconstateerde en bij nader onderzoek eventueel nog te constateren verontreinigingen ongedaan zullen worden gemaakt en Nuon voorts aansprakelijk is voor alle door [verweerster] te dezer zake geleden en nog te lijden schade;

2. voor recht te verklaren dat Nuon zich jegens [verweerster] schuldig heeft gemaakt aan een onrechtmatige daad door te handelen als vooromschreven, in het bijzonder daarin bestaande dat Nuon aan [verweerster] heeft verkocht en geleverd de in de dagvaarding omschreven onroerende zaak welke thans (ernstig) verontreinigd blijkt te zijn en Nuon jegens [verweerster] aansprakelijk is voor alle door haar in deze geleden en nog te lijden schade;

3. subsidiair, voor recht te verklaren dat de tussen partijen op 20 april 1988 gesloten koopovereenkomst terzake van de in het geding zijnde onroerende zaak (gedeeltelijk) vernietigbaar is op grond van dwaling en dat Nuon jegens [verweerster] te dier zake aansprakelijk is voor alle door haar geleden en nog te lijden schade;

4. voor recht te verklaren dat Nuon jegens [verweerster] aansprakelijk is voor alle kosten tot vaststelling van de schade en aansprakelijkheid van Nuon in deze;

5. Nuon te veroordelen tot vergoeding van de door [verweerster] geleden en nog te lijden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

Nuon heeft de vorderingen bestreden.

De Rechtbank heeft bij vonnis van 26 november 1998 het gevorderde afgewezen.

Tegen dit vonnis heeft [verweerster] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Arnhem. Bij memorie van grieven heeft zij haar eis aangevuld en vermeerderd onder hernummering van de vorderingen sub 4 en 5 tot 5 en 6, met:

4. subsidiair, in plaats van de vernietiging van de koopovereenkomst op grond van dwaling uit te spreken, op de voet van het bepaalde in art. 6:230 BW de gevolgen van de overeenkomst ter opheffing van dit nadeel te wijzigen, in dier voege dat Nuon zal worden veroordeeld om aan [verweerster] te betalen de volledige kosten van integrale sanering van de onderhavige onroerende zaak alsmede de waardevermindering van de onroerende zaak, op een wijze en tot een bedrag c.q. bedragen als het Hof, in goede justitie rechtdoende, vermeent te behoren.

Nuon heeft zich tegen deze wijziging en vermeerdering van eis verzet.

Het Hof heeft bij rolbeschikking van 23 november 1999 het verzet tegen de vermeerdering van eis ongegrond verklaard.

Nuon heeft voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.

Bij tussenarrest van 21 november 2000 heeft het Hof Nuon tot bewijslevering toegelaten dat de olieverontreiniging onder de oude PGEM-loods nog niet bestond ten tijde van de verkoop en overdracht van het terrein aan [verweerster], en voor het overige iedere beslissing aangehouden.

Het tussenarrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het tussenarrest van het Hof heeft Nuon beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[Verweerster] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal F.B. Bakels strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, met veroordeling van [verweerster] in de proceskosten.

3. Beoordeling van het middel

3.1 Voor de feiten waarvan in cassatie kan worden uitgegaan, verwijst de Hoge Raad naar rov. 3 van het Hof. Kort gezegd komen die feiten op het volgende neer. De rechtsvoorgangster van Nuon - PGEM - heeft in 1988 aan [verweerster] een bedrijfsterrein verkocht en geleverd. De transportakte bevat onder meer de in het arrest van het Hof onder 3.1 vermelde exoneratiebedingen. Voorafgaand aan de verkoop heeft Nuon in 1987 een indicatief bodemonderzoek doen instellen door Fugro Ingenieursbureau B.V. In het Rapport van Fugro van 12 januari 1988 werd een beperkte verontreiniging geconstateerd van het terrein. Nadien is in 1993 in opdracht van G.S. van Gelderland een oriënterend bodemonderzoek uitgevoerd door Ingenieurs-bureau Oranjewoud B.V., waaruit (onder meer) blijkt van een sterke loodverontreiniging op plaatsen die niet door Fugro waren onderzocht. Vervolgens heeft Grontmij Gelderland in 1995 in opdracht van [verweerster] een verkennend bodemonderzoek verricht ten behoeve van een door [verweerster] aangevraagde milieuvergunning. Uit dit onderzoek blijkt eveneens van ernstiger verontreinigingen dan vermeld in het rapport van Fugro.

3.2 De Rechtbank heeft de hiervoor onder 1 vermelde vorderingen van [verweerster] afgewezen. In cassatie zijn slechts van belang de op wederzijdse dwaling gebaseerde vorderingen. [Verweerster] heeft onder meer aangevoerd dat zij het terrein niet zou hebben gekocht als zij op de hoogte zou zijn geweest van de thans geconstateerde verontreiniging en dat die dwaling is te wijten aan het feit dat Nuon haar onvoldoende heeft geïnformeerd te dier zake, althans, dat beide partijen bij het sluiten van de overeenkomst hebben gedwaald.

3.3 Voor zover in cassatie van belang heeft het Hof - kort samengevat - als volgt geoordeeld. Ten aanzien van de meest ernstige verontreinigingen wordt voor het beroep op dwaling vooralsnog veronderstellenderwijs ervan uitgegaan dat deze zijn veroorzaakt door PGEM (rov. 4.4.10 - 4.4.14). In het onderhavige geval doet zich de in art. 6:228 lid 1, aanhef en onder c, BW vermelde dwalingsgrond voor (wederzijdse dwaling). "Vast staat", aldus het Hof in rov. 4.4.18, "dat de bodem aanmerkelijk ernstiger verontreinigd is dan blijkt uit het Fugrorapport. Zoals hiervoor vermeld, zijn er geen aanwijzingen dat één van partijen daarvan op de hoogte was of had moeten zijn. Aannemelijk is ook dat [verweerster], indien zij van deze ernstigere verontreiniging op de hoogte was geweest, de overeenkomst niet, althans niet op dezelfde voorwaarden zou hebben gesloten. Dat Nuon, indien zij op de hoogte was geweest van de thans geconstateerde verontreiniging, niet had hoeven te begrijpen dat [verweerster] de overeenkomst niet, althans niet op dezelfde voorwaarden, zou hebben gesloten zo zij een juiste voorstelling van zaken had gehad, vermag het hof niet in te zien." Het Hof komt tot de slotsom dat [verweerster] een beroep op wederzijdse dwaling kan doen en dat er geen omstandigheden zijn die meebrengen dat de dwaling voor haar rekening dient te blijven (rov. 4.4.22 en 4.4.23). Ten aanzien van de exoneratiebedingen heeft het Hof geoordeeld dat Nuon in beginsel de exoneratiebedingen tegen [verweerster] kan inroepen. De vraag of de exoneratiebedingen geldend kunnen worden gemaakt ter afwering van de vordering tot wijziging van de gevolgen van de overeenkomst wegens dwaling, heeft het Hof ontkennend beantwoord (rov. 4.5.5 en 4.5.6). In de rov. 4.6.1 en 4.6.2 heeft het Hof geoordeeld dat Nuon aansprakelijk is voor de schade door verontreiniging van het verkochte terrein, bedoeld in zijn rov. 4.4.10 onder b en c, alsmede tot op tegenbewijs, voor de schade die in deze overweging is vermeld onder a. Op grond van dit alles heeft het Hof Nuon bewijs opgedragen (rov. 4.6.2) en een comparitie van partijen gelast waar [verweerster] haar in art. 6:230 lid 2 BW bedoelde vordering tot betaling van saneringskosten dient te specificeren.

3.4 Onderdeel I is gericht tegen 's Hofs oordeel in de rov. 4.5.5 en 4.5.6 dat de door Nuon gemaakte exoneratiebedingen geen betrekking hebben op de vordering tot wijziging van de gevolgen van de overeenkomst als bedoeld in art. 6:230 lid 2 BW. Onderdeel II heeft betrekking op het oordeel in de rov. 4.6.1 en 4.6.2 ten aanzien van de aansprakelijkheid van Nuon voor de schade door verontreiniging van het terrein. Onderdeel III keert zich tegen de oordelen dat in het onderhavige geval sprake is van wederzijdse dwaling (rov. 4.4.18) en dat er geen omstandigheden zijn die meebrengen dat de dwaling voor rekening van [verweerster] dient te blijven (rov. 4.4.23).

3.5 De Hoge Raad vindt aanleiding eerst onderdeel III.A te behandelen.

3.6 [Verweerster] heeft zich in haar inleidende dagvaarding onder 9 mede beroepen op wederzijdse dwaling. Nuon heeft deze grondslag in haar conclusie van antwoord (blz. 9, laatste alinea) ook als zodanig onderkend. In 's Hofs oordelen in zijn rov. 4.1 onder c en de eerste zin van rov. 4.4.18 ligt voorts besloten dat [verweerster] deze grondslag op voor Nuon kenbare wijze heeft gehandhaafd. Dit oordeel is in het licht van de gedingstukken niet onbegrijpelijk. Onderdeel III.A.1 dat betoogt dat het Hof door te oordelen dat zich hier wederzijdse dwaling voordoet, buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden, althans een ontoelaatbare verrassingsbeslissing heeft gegeven, faalt derhalve.

3.7 Anders dan onderdeel III.A.2 betoogt, heeft het Hof niet miskend dat voor een geslaagd beroep op wederzijdse dwaling is vereist dat ook voor Nuon bij het sluiten van de overeenkomst van belang was de veronderstelling dat de grond niet aanmerkelijk ernstiger was verontreinigd dan uit het Fugrorapport bleek, nu dit oordeel in 's Hofs overweging 4.4.18 ligt besloten. Dit oordeel is voorts niet onbegrijpelijk en behoefde geen nadere motivering. Onderdeel III.A.2 faalt derhalve.

3.8 In de slotzin van rov. 4.4.18 heeft het Hof geoordeeld dat het niet vermag in te zien dat Nuon, indien zij op de hoogte was geweest van de thans geconstateerde verontreiniging, niet had hoeven te begrijpen dat [verweerster] de overeenkomst niet, althans niet op dezelfde voorwaarden, zou hebben gesloten zo zij een juiste voorstelling van zaken had gehad. In het licht van hetgeen Nuon in de feitelijke instanties heeft aangevoerd, zoals vermeld in onderdeel III.A.3 onder (i) - (iv) en het verdere debat van partijen in de feitelijke instanties, behoefde dit oordeel, naar het onderdeel terecht betoogt, nadere motivering, welke evenwel ontbreekt.

3.9 Ook onderdeel III.A.4 is in zoverre gegrond dat het Hof, gelet op de gemotiveerde betwisting door Nuon en haar algemene bewijsaanbiedingen, ten minste had moeten worden toegelaten tot tegenbewijs tegen het in 3.8 weergegeven oordeel van het Hof.

3.10 Het vorenoverwogene brengt mee dat het bestreden arrest niet in stand kan blijven en dat de overige onderdelen geen behandeling behoeven. De in die onderdelen aan de orde gestelde punten kunnen zonodig na verwijzing aan de orde komen.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 21 november 2000;

verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt [verweerster] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Nuon begroot op € 297,22 aan verschotten en € 1.590,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R. Herrmann als voorzitter en de raadsheren A.E.M. van der Putt-Lauwers, J.B. Fleers, H.A.M. Aaftink en D.H. Beukenhorst, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 6 december 2002.