Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AE9249

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20-12-2002
Datum publicatie
20-12-2002
Zaaknummer
C01/035HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AE9249
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de Sociaal-Economische Raad 95
Wet op de economische delicten 5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2003, 344 met annotatie van F.J. van Ommeren
JOL 2002, 704
NJ 2004, 450 met annotatie van M. Scheltema
RvdW 2003, 4
O&A 2003, p. 78 (nr.4)
JWB 2002/480
JB 2003/32 met annotatie van Hans Peters
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 december 2002

Eerste Kamer

Nr. C01/035HR

JMH

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. [Eiser 1], wonende te [woonplaats],

2. [Eiseres 2], gevestigd te [vestigingsplaats],

EISERS tot cassatie,

advocaat: mr. M.E. Gelpke,

t e g e n

STICHTING KWALITEITSGARANTIE VLEESKALVER-SECTOR, gevestigd te 's-Gravenhage,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. E. Grabandt.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eisers tot cassatie - verder tezamen te noemen: [eiser] - hebben bij exploit van 19 november 1996 verweerster in cassatie - verder te noemen: SKV - gedagvaard voor de Rechtbank te 's-Gravenhage en gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. te verklaren voor recht dat de artikelen 2, 5, 6 en 7 van de Verordening PVV Kwaliteitscontrole Vleeskalversector 1991, alsmede artikel 2 van het besluit VVR Kwaliteitscontrole Vleeskalversector 1991, alsmede de artikelen 3, 6 en 7 van de Verordening VVR Kwaliteitscontrole Vleeskalversector 1990 onverbindend zijn in verband met strijdigheid met de Wet op de bedrijfsorganisatie alsmede met de bepalingen van de instellingsverordeningen Produktschap Vee- en Vlees respectievelijk Akkerbouw-produktschappen;

2. nietig te verklaren althans te vernietigen de overeenkomst van 15 maart 1994 tussen [eiser] en SKV gesloten, alsmede voorzoveel nodig nietig te verklaren althans te vernietigen alle op grond van de voornoemde overeenkomst uitgevaardigde sanctiebesluiten;

3. nietig te verklaren, althans te vernietigen de overeenkomst op 6 oktober 1994 gesloten tussen SKV en [eiseres 2], alsmede voor zover nodig te nietig te verklaren althans te vernietigen alle op basis van deze overeenkomst genomen sanctiebesluiten;

4. voorts voor zover nodig nietig te verklaren althans te vernietigen de beslissingen van de Geschillencommissie Kwaliteitsgarantie Vleeskalversector op 2 oktober 1966 tussen partijen gewezen in de zaak nummers GKV94004, 94005 en 95002;

5. SKV te veroordelen tot betaling aan [eiser] van de kosten van rechtsbijstand ten bedrage van ƒ 32.976,68 door hen gemaakt ten behoeve van de procedures bij de Geschillencommissie, alsmede tot betaling van het door [eiser] betaalde vastrecht, alles tezamen belopend een bedrag van ƒ 5.421,80, te vermeerderen met de wettelijke rente over voornoemde bedragen vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening.

SKV heeft de vorderingen bestreden en van haar kant in reconventie gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1. [Eiser] te veroordelen om aan SKV te betalen een bedrag van ƒ 282.825,--, vermeerderd met de wettelijke rente over de in het petitum vermelde bedragen vanaf de in het petitum vermelde data tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat het bedrag waarover de wettelijke rente wordt berekend telkens na afloop van een jaar vermeerderd wordt met de over dat jaar verschuldigde rente;

2. [Eiseres 2] te veroordelen om aan SKV te betalen een bedrag van ƒ 5.400,--, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 22 mei 1995 tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat het bedrag waarover de wettelijke rente wordt berekend telkens na afloop van een jaar vermeerderd wordt met de over dat jaar verschuldigde rente.

[Eiser] heeft in reconventie de vorderingen bestreden.

De Rechtbank heeft bij vonnis van 18 februari 1998 in conventie de vorderingen afgewezen en in reconventie de vorderingen toegewezen.

Tegen dit zowel in conventie als in reconventie gewezen vonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage. Bij memorie van grieven heeft hij de grondslag van de eis gewijzigd en aangevuld.

SKV heeft incidenteel hoger beroep ingesteld en bij memorie van grieven in het incidenteel appel haar eis gewijzigd en vermeerderd.

[Eiser] heeft zich tegen de wijziging van eis in het incidenteel appel verzet.

Bij rolbeschikking van 6 mei 1999 heeft het Hof het verzet tegen de eiswijziging ongegrond verklaard.

Bij arrest van 19 oktober 2000 heeft het Hof in het principale en het incidentele appel het bestreden vonnis, behoudens ten aanzien van de proceskosten in reconventie, bekrachtigd, en [eiser] alsnog in de proceskosten van SKV in eerste instantie in reconventie veroordeeld zoals in het dictum van het arrest is vermeld.

Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

SKV heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J.L.R.A. Huydecoper strekt tot vernietiging van het in cassatie bestreden arrest, met verdere beslissingen zoals in alinea 66 van deze conclusie aangegeven.

De advocaat van SKV heeft bij brief van 2 oktober 2002 op de conclusie gereageerd; de advocaat van [eiser] bij brief van 4 oktober 2002.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie moet worden uitgegaan van het volgende.

(i) SKV is bij notariële akte van 20 december 1990 opgericht. Zij heeft volgens haar statuten ten doel de kwaliteit van kalvervoeders en kalfsvlees te bevorderen en te garanderen, de afzet van conform de geldende kwaliteitswetgeving geproduceerd kalfsvlees te bevorderen en aldus de belangen van de consument te dienen. Zij tracht dit doel te verwezenlijken door

- het vaststellen van normen en voorschriften ten behoeve van toezicht bij houders van en handelaren in vleeskalveren als bedoeld in de Verordening PVV Kwaliteitscontrole Vleeskalversector 1991 (Verordening PVV 1991);

- het (laten) uitvoeren van de taken die door het Productschap voor Vee en Vlees (PVV) in het kader van de kwaliteitscontrole in de vleeskalversector aan SKV worden opgedragen;

- het sluiten van overeenkomsten met eigenaren casu quo houders van en handelaren in vleeskalveren waardoor deze zich onderwerpen aan de reglementen van SKV inzake controles, sancties, arbitrage en financiën, en

- het afgeven van een kwaliteitscertificaat voor het afleveren van vleeskalveren.

(ii) SKV, waarbij vrijwel alle belanghebbenden in de sector zijn aangesloten, heeft op 3 april 1991 het Controle- en Sanctiereglement SKV 1991 (CSR) vastgesteld. Dit reglement is in werking getreden nadat het, evenals het hierna te noemen Geschillenreglement, op 10 april 1994 was goedgekeurd door zowel het bestuur van het PVV als het bestuur van het Productschap voor Veevoeder. Het CSR (hoofdstuk 4) bepaalt in art. 11 onder meer dat een aangeslotene in beginsel geen kalveren mag afleveren zonder een geldig kwaliteitscertificaat en geeft SKV in art. 19 lid 1 de bevoegdheid een sanctie van ƒ 300,-- op te leggen voor ieder vleeskalf dat in strijd met het bij of krachtens dit reglement bepaalde zonder geldig kwaliteitscertificaat wordt afgeleverd of geslacht. Tenzij van enige aanwijzing omtrent het gebruik van niet-toegelaten stoffen of het niet-inachtnemen van bepalingen met betrekking tot geregistreerde diergeneesmiddelen sprake is, zal de sanctie gedeeltelijk worden kwijtgescholden. Een kwaliteitscertificaat wordt niet verkregen indien, kort gezegd, bij controle blijkt van behandeling met niet-toegelaten stoffen.

(iii) Ingevolge het door SKV vastgestelde Geschillen-reglement SKV 1991 is de Geschillencommissie, met uitsluiting van de civiele rechter, bevoegd ter zake van alle geschillen tussen SKV en de aangeslotenen over de naleving van de aansluitovereenkomsten. Deze commissie beslist bij wege van bindend advies.

(iv) [Eiser] is met SKV een tweetal aansluitovereenkomsten aangegaan. Hij heeft zich daarbij onderworpen aan het bepaalde in de statuten van SKV en aan het bepaalde in de krachtens deze statuten vastgestelde reglementen, waaronder het CSR en het Geschillenreglement SKV 1991. Ingevolge de aansluitovereenkomsten is SKV gerechtigd om aan [eiser] in geval van niet- of niet-behoorlijke nakoming een boete op te leggen.

(v) Tussen september 1994 en mei 1995 heeft SKV bij een reeks sanctiebesluiten aan [eiser] sancties tot een totaalbedrag van ƒ 275.025,-- opgelegd uit hoofde van het feit dat hij, terwijl hij was aangesloten bij SKV, in strijd met art. 11 CSR meer vleeskalveren ter slacht heeft afgeleverd dan waarvoor hij krachtens de afgegeven certificaten recht had.

(vi) [Eiser] heeft de sanctiebesluiten voorgelegd aan de Geschillencommissie. Deze heeft, in een drietal bindende adviezen van 2 oktober 1996, de aangevallen besluiten gehandhaafd. Zij stelde voorop dat de sancties door partijen niet in verband worden gebracht met toediening van niet-toegelaten stoffen en dat van een zodanig verband ook niet gebleken is. Volgens de Geschillen-commissie hebben de, naar haar oordeel niet als strafvervolging als bedoeld in art. 6 EVRM aan te merken, sancties geen andere strekking dan handhaving van een louter binnen de kring van aangeslotenen geldende interne regel, te weten: het verbod een of meer vleeskalveren af te leveren zonder kwaliteitscertificaat. Bij het opleggen van de sancties is van doorkruising van publiekrechtelijke regelgeving (Wet op de bedrijfsorganisatie) en de Wet op de economische delicten geen sprake. Aan [eiser], aldus de Geschillencommissie, komt een beroep op "gedwongen aansluiting" ter afwering van sancties vanwege het afleveren van vleeskalveren zonder geldig kwaliteitscertificaat niet toe.

3.2 [Eiser] heeft zich tot de Rechtbank gewend met de hiervoor onder 1 vermelde vorderingen, strekkende, kort gezegd, tot gedeeltelijke onverbindendverklaring van een tweetal verordeningen en een besluit, alsmede nietigverklaring althans vernietiging van de tussen SKV en [eiser] gesloten aansluitovereenkomsten, de sanctiebesluiten en de beslissingen van de Geschillencommissie. In reconventie heeft SKV gevorderd [eiser] te veroordelen tot betaling van hetgeen hij ingevolge de bindende adviezen diende te voldoen. De Rechtbank heeft de vorderingen van [eiser] afgewezen en die van SKV grotendeels toegewezen.

3.3 In hoger beroep heeft het Hof de grieven van [eiser] verworpen. Daartoe heeft het Hof onder meer - samengevat - het volgende overwogen. De omstandigheid dat SKV een privaatrechtelijke rechtspersoon is, verhindert niet dat zij, gezien ook de verstrengeling van SKV met de Productschappen voor Veevoeder en voor Vee en Vlees, als verlengde arm van die productschappen optreedt en als zodanig zelf als een administratief orgaan is te beschouwen en dat zij een publiekrechtelijke taak als het uitoefenen van het in de Verordening PVV 1991 omschreven toezicht op de naleving van de verboden op toediening van stoffen met hormonale en met sympathico mimetische werking aan vleeskalveren mag uitvoeren (rov. 5.3 en 7.2). Aannemelijk is dat het voor niet-aangesloten kalverhouders lastiger en mogelijk ook kostbaarder is dan voor bij SKV aangesloten kalverhouders om hun kalveren te laten slachten, omdat daarvoor ontheffing moet worden verleend, waarmee tijd en geld gemoeid is, maar deze nadelen zijn niet zo groot dat de kalverhouder geen andere keuze heeft dan aansluiting bij SKV. Nu een ontheffing niet op onredelijke gronden mag worden geweigerd, levert de enkele omstandigheid dat aan aangeslotenen voordelen worden toegekend geen bedreiging of misbruik van omstandigheden op in de zin van art. 3:44 BW (rov. 6.2). De door [eiser] geschonden regel (art. 19 CSR) houdt weliswaar verband met de als economisch delict strafbaar gestelde toediening van niet-toegelaten stoffen, in die zin dat zij beoogt te bewerkstelligen dat kalfsvlees, waarvoor een certificaat is afgegeven, die stoffen niet bevat, maar zij houdt geen sanctie in "op de overtreding van het in de Wet op de economische delicten strafbaar gestelde verbod om die stoffen toe te dienen". De Rechtbank heeft dan ook terecht beslist dat van schending van art. 5 van de Wet op de economische delicten geen sprake is (rov. 7.3).

3.4.1 Onderdeel A strekt ertoe dat het Hof ambtshalve tot het oordeel had moeten komen dat de onderhavige, door de Geschillencommissie gehandhaafde, sanctiebesluiten zijn aan te merken als beschikkingen van een bestuursorgaan, en dus als besluiten waartegen op de voet van de Algemene wet bestuursrecht had moeten worden opgekomen, zodat het Hof [eiser] niet-ontvankelijk had moeten verklaren; althans, zo betoogt het onderdeel subsidiair, had het Hof (beter) moeten motiveren waarom het de genoemde besluiten niet als Awb-besluiten heeft gekwalificeerd, waarom het [eiser] ontvankelijk heeft verklaard, en/of waarom het geen toepassing heeft gegeven aan art. 96a lid 2 Rv.

3.4.2 De vraag of de door SKV genomen sanctiebesluiten beschikkingen van een bestuursorgaan in de zin van art. 1 Awb zijn, vormde in de feitelijke instanties geen onderwerp van geschil. [Eiser] noch SKV heeft betoogd dat die besluiten zijn aan te merken als beschikkingen in voormelde zin. Anders dan het onderdeel klaarblijkelijk veronderstelt, dwingt het enkele feit dat, zoals het Hof - in cassatie onbestreden - heeft geoordeeld, SKV met betrekking tot de sanctiebesluiten is opgetreden als "de verlengde arm" van de Productschappen voor Vee en Vlees en voor Veevoeder niet tot het oordeel dat het bij die besluiten om zodanige beschikkingen gaat. Het onderdeel faalt derhalve.

3.5 Onderdeel B.2.a klaagt, dat het Hof ten onrechte de Verordening VVR Kwaliteitscontrole Vleeskalversector 1990 en het Besluit VVR Kwaliteitscontrole Vleeskalversector 1991 "buiten beschouwing" heeft gelaten, daarmee verwerpende de grief van [eiser] die strekte tot onverbindendverklaring van een aantal artikelen van die verordening en van genoemd, daarop berustend, besluit. Het onderdeel faalt omdat, in aanmerking genomen dat - zoals ook het Hof, in cassatie onbestreden, heeft over- wogen - het geschil tussen partijen de sancties betreft die aan [eiser] zijn opgelegd ter zake van het afleveren van vleeskalveren zonder kwaliteitscertificaat en genoemde verordening daarop geen betrekking heeft, het bestreden oordeel van het Hof juist is.

3.6 Voor zover onderdeel B (1.e in samenhang met 2.b) betoogt dat, anders dan het Hof heeft geoordeeld, sprake is van onaanvaardbare doorkruising van een vijftal in het onderdeel genoemde Europese richtlijnen en van bepalingen in of krachtens de Landbouwwet, de Vleeskeuringswet, de Diergeneesmiddelenwet en de Veewet, die (mede) betrekking hebben op het tegengaan van en het toezicht op het gebruik van niet-toegelaten of ongewenste stoffen bij vleeskalveren, voldoet het niet aan de ingevolge art. 407 lid 2 Rv. aan een middel van cassatie te stellen eisen. In zoverre kan het onderdeel derhalve niet tot cassatie leiden. Hetzelfde geldt voor zover het onderdeel inhoudt dat het Hof zijn oordeel, dat van onaanvaardbare doorkruising in dit opzicht geen sprake is, onvoldoende heeft gemotiveerd.

3.7 Naar onderdeel B.1.f, onder i) betoogt, behoren "gelet op het vorenstaande" onder meer de bepalingen in de Verordening PVV 1991, waarin bevoegdheden aan SKV zijn toegekend, onverbindend te worden verklaard. In "het vorenstaande" valt evenwel niet te lezen waarop die onverbindendverklaring zou moeten berusten, ook niet indien daarbij mede het in B.2.c met betrekking tot art. 7 lid 2 van genoemde, in 1997 ingetrokken, verordening gestelde in aanmerking wordt genomen. Onderdeel B.1.f, onder i) voldoet derhalve evenmin aan de ingevolge art. 407 lid 2 Rv. aan een middel van cassatie te stellen eisen.

3.8 De onderdelen B.1.d en B.2.d en g klagen in onderling verband bezien allereerst dat het Hof bij zijn verwerping van de stelling dat [eiser] door misbruik van omstandigheden (aansluitdwang en ongeoorloofde marktbeïnvloeding door de overheid) zou zijn bewogen tot aansluiting bij SKV, een onjuiste, want te strikte maatstaf heeft aangelegd en bestempelen die verwerping voorts als onbegrijpelijk. Door voor het lot van die stelling beslissend te achten of de nadelen verbonden aan het niet aangesloten zijn "zo groot zijn dat een kalverhouder in feite geen andere keuze heeft dan aansluiting bij SKV", heeft het Hof echter niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het begrip misbruik van omstandigheden in de zin van art. 3:44 lid 4 BW. Wat de tegen voormelde verwerping gerichte motiveringsklachten betreft, voldoen de onderdelen niet aan de ingevolge art. 407 lid 2 Rv. aan een middel van cassatie te stellen eisen. Dit geldt evenzeer voor zover de onderdelen ten slotte nog klagen over onjuistheid en/of onbegrijpelijkheid van 's Hofs oordeel dat de voorwaarden waaronder aangesloten slachterijen kalveren van niet aangesloten kalverhouders accepteren, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar zijn.

3.8.1 Onderdeel B bevat voor het overige in hoofdzaak een aantal klachten die de kern van het geschil tussen partijen betreffen, in die zin dat zij tezamen genomen erop neerkomen dat het Hof heeft miskend dat het "privaatrechtelijk" opgezette hoofdstuk 4 van het CSR en de op de voet van de regels uit dat hoofdstuk door SKV genomen sanctiebesluiten een onaanvaardbare doorkruising van publiekrechtelijke regelingen, te weten: (art. 95 van) de Wet op de bedrijfsorganisatie (hierna: WBO), art. 5 van de Wet op de economische delicten (hierna: WED) en de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie opleveren.

3.8.2 De aldus aan de orde gestelde vraag of het de Productschappen vrijstond om, - zoals zij, naar het Hof onbestreden heeft geoordeeld, hebben gedaan: ten dienste van onder meer de handhaving van het publiekrechtelijk verbod op toediening van stoffen met hormonale of sympathico mimetische werking - de door hen daartoe in het leven geroepen SKV als hun verlengde arm te laten optreden bij het totstandbrengen en toepassen van een systeem van privaatrechtelijke controle en sancties met het oog op die handhaving, moet worden beantwoord aan de hand van de maatstaven die zijn aanvaard in het arrest van de Hoge Raad van 26 januari 1990, nr. 13724, NJ 1991, 393 (Windmill).

Onder meer moet derhalve worden gelet op de inhoud en strekking van de betrokken publiekrechtelijke regeling(en) en de wijze waarop en de mate waarin in het kader van die regeling(en) de belangen van de burgers zijn beschermd, terwijl voorts van belang is of de overheid door gebruikmaking van de publiekrechtelijke regeling(en) een vergelijkbaar resultaat kan bereiken als door gebruikmaking van de privaatrechtelijke bevoegdheid. Is dit het geval, dan vormt dat een belangrijke aanwijzing dat de privaatrechtelijke weg niet open staat.

3.8.3 Anders dan SKV blijkens haar schriftelijke toelichting veronderstelt, is een ontkennende beantwoording van de vraag of in het onderhavige geval sprake is van een onaanvaardbare doorkruising als bedoeld in 3.8.1, niet reeds gegeven met het feit dat [eiser] wordt verweten dat hij in strijd met het CSR vleeskalveren zonder kwaliteitscertificaat ter slacht heeft afgeleverd, dat er geen enkele publiekrechtelijke norm is die inhoudt dat vleeskalveren niet zonder een dergelijk certificaat mogen worden afgeleverd en dat een zodanige aflevering niet kan worden gekwalificeerd als een economisch delict; dit laatste in tegenstelling tot hetgeen het geval was met betrekking tot de door SKV op grond van het CSR met een boete bestrafte handelingen die aan de orde waren in de arresten van de Hoge Raad van 28 februari 1997, nr. 16226, NJ 1999, 732 en 10 december 1999, nr. C98/182HR, NJ 2000, 8.

3.8.4 Van de publiekrechtelijke regelingen waarop in de klachten wordt gewezen is in de eerste plaats van belang art. 95 WBO. Het bepaalde in het tweede lid van dit artikel staat eraan in de weg dat het bestuur van een bedrijfslichaam zijn bevoegdheden overdraagt (in de thans geldende tekst: delegeert) aan een ander dan "een ander orgaan van dat bedrijfslichaam". Weliswaar heeft hier geen overdracht van bevoegdheden door het bestuur van het PVV aan SKV plaatsgevonden, maar dat neemt niet weg dat het bij de uitoefening van de taken die door middel van de Verordening PVV 1991 aan SKV zijn opgedragen - "de kwaliteit van kalvervoeders en kalfsvlees te bevorderen en te garanderen, alsmede de afzet van conform de geldende kwaliteitswetgeving geproduceerd kalfsvlees te bevorderen" - gaat om bevoegdheden van het bestuur van het PVV. Het doen uitoefenen van die bevoegdheden door SKV als verlengde arm van het PVV, waarbij SKV in de vorm van het CSR een controle- en sanctiesysteem in het leven heeft geroepen dat uitsluitend is gericht op de naleving van het publiekrechtelijk verbod op toediening van stoffen met hormonale of sympathico mimetische werking en, blijkens de toelichting bij de Verordening PVV, met name op sterke vergroting van de pakkans bij overtreding van dat verbod bij de bedrijfsgenoten in alle schakels welke betrokken zijn bij de vleeskalverhouderij, kan dan ook minst genomen worden gekenmerkt als een handelwijze waarmee de hiervoor vermelde door art. 95 lid 2 WBO opgelegde beperking wordt ontgaan en dientengevolge de in die beperking gelegen waarborgen worden ondergraven.

3.8.5 Art. 5 WED strekt ertoe dat de overheid wegens economische delicten niet zonder uitdrukkelijke machtiging door de wetgever in formele zin andere sancties dan in de WED voorzien zal opleggen. Blijkens zijn totstandkomingsgeschiedenis heeft de wetgever met dit artikel beoogd, onder meer als waarborg tegen toepassing van sancties door de administratie, de strafrechtspraak op economisch terrein te concentreren bij de rechterlijke macht. Het kan dan ook niet in de bedoeling van de wetgever hebben gelegen dat het vervolgingsbeleid van het Openbaar Ministerie op dit terrein zou kunnen worden doorkruist door ingrijpende maatregelen van privaatrechtelijke aard op initiatief van een ander overheidsorgaan (vgl. Hoge Raad 15 mei 1970, NJ 1970, 327). De gedraging op grond waarvan door SKV aan [eiser] boetes zijn opgelegd - het afleveren van kalveren zonder geldig kwaliteitscertificaat - is niet een economisch delict. Het door SKV, op initiatief van de besturen van de beide Productschappen, in het leven geroepen controle- en sanctiesysteem, dat voor zover het om aangeslotenen gaat een boete van ƒ 300,-- stelt op het zonder geldig kwaliteitscertificaat afleveren van een vleeskalf, heeft echter, zoals hiervoor in 3.8.4 is overwogen, wel juist en uitsluitend ten doel de naleving af te dwingen van een verbod waarvan de overtreding een economisch delict oplevert. Daarop wijst ook het voorschrift van art. 19 lid 2 CSR dat gedeeltelijke kwijtschelding van de opgelegde boete zal plaatsvinden tenzij sprake is "van enige aanwijzing omtrent gebruik van niet-toegelaten stoffen of niet-inachtneming van bepalingen met betrekking tot geregistreerde diergeneesmiddelen". Anders dan het Hof heeft geoordeeld, beoogt art. 19 CSR dus niet slechts te bewerkstelligen dat kalfsvlees waarvoor een kwaliteitscertificaat is afge-geven geen stoffen bevat met sympathico mimetische of hormonale werking. De strafbedreiging in geval van overtreding van het verbod op het gebruik van deze niet-toegelaten stoffen en de boete gesteld op het zonder geldig kwaliteitscertificaat afleveren van een vleeskalf hebben, mede in aanmerking genomen dat bij SKV vrijwel alle belanghebbenden in de sector zijn aangesloten, in wezen dan ook hetzelfde ten doel. In indirecte, materiële zin is die boete dus wel een door art. 5 WED verboden sanctie.

3.8.6 Het hiervoor in 3.8.4 en 3.8.5 overwogene in aanmerking genomen, kan niet worden geoordeeld dat de regel van art. 19 CSR slechts (onderdeel van) een binnen de groep van bij SKV aangesloten kalverhouders geldend systeem van kwaliteitsbewaking is, zoals het Hof evenals de Geschillencommissie heeft aangenomen. Het door SKV op initiatief en met instemming van de besturen van beide Productschappen in het leven geroepen sanctiesysteem, waaraan vrijwel alle belanghebbenden zich door het aangaan van aansluitovereenkomsten met een inhoud als hiervoor in 3.1 onder (iv) vermeld, hebben onderworpen, vormt een onaanvaardbare doorkruising van het publiekrechtelijk regelgevings- en handhavingssysteem dat de wetgever blijkens het bepaalde in art. 5 WED en onder meer art. 95 lid 2 WBO voor ogen heeft gestaan op het door de WBO bestreken terrein. Voor zover de in 3.8.1 bedoelde klachten hierop zijn gericht, slagen zij.

3.8.7 Voor het overige behoeven de klachten geen behandeling.

4. Slotsom

Het bestreden arrest kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen.

De door [eiser] in hoger beroep onder 1. gevorderde verklaring voor recht moet op grond van het hiervoor in 3.5, 3.6 en 3.7 overwogene worden afgewezen. Het hiervoor in 3.8 overwogene leidt tot afwijzing van de in hoger beroep onder 2. en 3. gevorderde nietigverklaring, althans vernietiging van de aansluitovereenkomsten van 15 maart 1994 en 6 oktober 1994. Afgewezen wordt ook, als onvoldoende toegelicht, de vordering ter zake van de kosten van rechtsbijstand voor zover deze het door de Geschillencommissie aan SKV toegewezen, aan de hand van het liquidatietarief vastgestelde bedrag van ƒ 13.200,-- te boven gaat. Voor het overige is het door [eiser] gevorderde toewijsbaar. De vorderingen van SKV moeten worden afgewezen.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 19 oktober 2000 alsmede het vonnis van de Rechtbank te 's-Gravenhage van 16 februari 1998;

- vernietigt de sanctiebesluiten van 28, 29 en 30 september 1994, 4 oktober 1994 en 12 mei 1995 alsmede de beslissingen van de Geschillencommissie in de zaken GKV 95002, 94004 en 94005;

- veroordeelt SKV aan [eiser] te betalen een bedrag van € 5.989,90 alsmede een bedrag van € 2.460,31, beide te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de inleidende dagvaarding;

- wijst het door [eiser] meer of anders gevorderde af;

- wijst de vorderingen van SKV af;

- veroordeelt SKV in de kosten van de procedure, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot:

- in eerste aanleg op € 1.000,--;

- in hoger beroep op € 10.200,--;

- in cassatie op € 574,57 aan verschotten en € 1.590,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R. Herrmann als voorzitter en de raadsheren A.E.M. van der Putt-Lauwers, J.B. Fleers, H.A.M. Aaftink en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 20 december 2002.