Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AE9248

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-12-2002
Datum publicatie
13-12-2002
Zaaknummer
C01/125HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AE9248
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 683
JWB 2002/470
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13 december 2002

Eerste Kamer

Nr. C01/125HR

JMH

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

VENLOOS TANDTECHNISCH LABORATORIUM B.V., gevestigd te Venlo,

EISERES tot cassatie,

advocaat: aanvankelijk mr. J. Groen,

thans mr. J.W. Bogaardt,

t e g e n

UNIQUEAIR SERVICES S.A., zetelende te Genève, Zwitserland, mede kantoorhoudende te Amsterdam,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. E. Grabandt.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerster in cassatie - verder te noemen: UniqueAir - heeft bij exploit van 19 maart 1998 eiseres tot cassatie - verder te noemen: VTL - gedagvaard voor de Rechtbank te Roermond en gevorderd VTL te veroordelen tot betaling aan UniqueAir van:

i. ƒ 118.835,70; en

ii. ƒ 17.825,36, zijnde 15% incassokosten over ƒ 118.835,70; en

iii. de wettelijke rente over ƒ 20.421,81 vanaf 4 maart 1997, over ƒ 73.085,92 vanaf 13 januari 1998 en over ƒ 25.327,97 vanaf 13 januari 1998.

VTL heeft de vordering bestreden en van haar kant in reconventie gevorderd de drie tussen partijen gesloten overeenkomsten te ontbinden voor het geval de buitengerechtelijke ontbindingsverklaring d.d. 5 februari 1997 niet tot het gewenste doel mocht hebben geleid.

Bij tussenvonnis van 25 juni 1998 heeft Rechtbank een comparitie van partijen bevolen, welke heeft plaatsgevonden op 9 september 1998. Vervolgens heeft de Rechtbank bij eindvonnis van 3 juni 1999 in conventie VTL veroordeeld tot betaling aan UniqueAir van:

1. een bedrag van ƒ 20.421,81 met wettelijke rente over dit bedrag vanaf 4 maart 1997;

2. een bedrag van ƒ 71.676,34 met wettelijke rente over dit bedrag vanaf 13 januari 1998;

3. een bedrag van ƒ 25.327,97 met wettelijke rente over dit bedrag vanaf 13 januari 1998.

De Rechtbank heeft voorts het meer of anders gevorderde in conventie alsmede de vordering in reconventie afgewezen.

Tegen het eindvonnis van de Rechtbank heeft VTL hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch.

Bij arrest van 5 december 2000 heeft het Hof het bestreden vonnis bekrachtigd.

Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof heeft VTL beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

UniqueAir heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten. Bij deze gelegenheid heeft UniqueAir zich ten aanzien van middel 5 gerefereerd aan het oordeel van de Hoge Raad.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L.A.D. Keus strekt tot vernietiging en verwijzing.

3. Beoordeling van de middelen

3.1 De vordering van UniqueAir in conventie strekt in hoofdzaak tot betaling van abonnements- en gesprekskosten op grond van drie met VTL gesloten overeenkomsten met betrekking tot in totaal 625 abonnementen mobiele telefonie. In haar verweer tegen deze vordering beroept VTL zich vooral op een brief van 5 februari 1997 waarbij zij deze overeenkomsten heeft ontbonden en de in die brief aangevoerde grond voor ontbinding. Voor het geval de buitengerechtelijke ontbindingsverklaring geen effect heeft gehad, heeft zij in reconventie gevorderd de overeenkomsten alsnog te ontbinden. Bij haar eindvonnis heeft de Rechtbank de vordering van UniqueAir in conventie grotendeels toegewezen en de vordering van VTL in reconventie geheel afgewezen. Het Hof heeft dit vonnis bekrachtigd.

3.2 Ten aanzien van een bedrag van ƒ 79,31 exclusief omzetbelasting aan gesprekskosten, heeft VTL tegen de vordering van UniqueAir onder meer aangevoerd dat UniqueAir haar in verband met de overeenkomsten AB032644 en AB55070 geen SIM-kaarten heeft verstrekt, zodat met de aansluitingen waarop die overeenkomsten betrekking hebben, geen gesprekskosten kunnen zijn gemaakt. In rov. 4.7 heeft het Hof dat verweer verworpen op grond van zijn oordeel dat de telefoonnummers [001], [002] en [003], waarop deze gesprekskosten betrekking hebben, geen deel uitmaken van de door VTL genoemde twee overeenkomsten. Het vijfde middel, ten aanzien waarvan UniqueAir zich heeft gerefereerd aan het oordeel van de Hoge Raad, bestrijdt dit oordeel terecht als onbegrijpelijk: volgens de in de toelichting op het middel vermelde gedingstukken maken de genoemde telefoonnummers deel uit van overeenkomst AB032644. In zoverre is het middel derhalve gegrond. Na verwijzing zal, als UniqueAir haar vordering ten aanzien van dit bedrag handhaaft, alsnog moeten worden onderzocht of VTL de SIM-kaarten voor deze telefoonnummers heeft ontvangen. Voorzover het middel klaagt over het passeren door het Hof van het bewijsaanbod van VTL dat UniqueAir haar ten onrechte het bedrag van ƒ 79,31 aan gesprekskosten in rekening heeft gebracht, behoeft het geen behandeling. De vraag of bewijslevering terzake op zijn plaats is, zal na verwijzing opnieuw dienen te worden beoordeeld.

3.3 De in de middelen 1-4 aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.4 Nu het gegrond bevonden middel betrekking heeft op een zeer gering deel van het geschil en de overige middelen ongegrond zijn, zal VTL in de kosten van het geding in cassatie worden veroordeeld.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 5 december 2000;

verwijst het geding ter verdere behandeling en beslissing naar het Gerechtshof te Arnhem;

veroordeelt VTL in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van UniqueAir begroot op € 1.456,33 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren H.A.M. Aaftink, A.G. Pos, O. de Savornin Lohman en A. Hammerstein, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 13 december 2002.