Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AE9244

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-12-2002
Datum publicatie
13-12-2002
Zaaknummer
C01/127HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AE9244
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 684
NJ 2005, 139
VR 2004, 26
JWB 2002/464
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13 december 2002

Eerste Kamer

Nr. C01/127HR

JMH

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser], wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. M.A. Leijten,

t e g e n

de rechtspersoon naar Zwitsers recht WINTERTHUR ZWITSERSE VERZEKERINGSMAAT-SCHAPPIJ, tevens handelende onder de naam WINTERTHUR SCHADEVERZEKERINGMAATSCHAPPIJ, gevestigd te Amsterdam,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. E. van Staden ten Brink.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploit van 20 januari 1997 verweerster in cassatie - verder te noemen: Winterthur - gedagvaard voor de Rechtbank te Roermond en gevorderd, dat de Rechtbank bij het in het rechtsgeding onder rolnummer 16387/HAZA 96-707 uit te spreken vonnis Winterthur gelijktijdig zal veroordelen om aan [eiser] tegen kwijting te betalen al datgene waartoe [eiser] als gedaagde in de hoofdzaak bij dat vonnis ten behoeve van het Waarborgfonds mocht worden veroordeeld, zulks met veroordeling van Winterthur in de kosten van het geding in de hoofdzaak en in deze vrijwaring.

Winterthur heeft de vordering bestreden.

Na een tussenvonnis van 22 januari 1998 en na een tussenvonnis van 13 augustus 1998 heeft de Rechtbank bij eindvonnis van 17 december 1998 de vordering in vrijwaring van [eiser] toegewezen, Winterthur veroordeeld om aan [eiser] te betalen een bedrag van ƒ 9.681,93, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 oktober 1995 tot de dag der algehele voldoening, en Winterthur in de proceskosten aan de zijde van [eiser] zowel in de vrijwaring als in de hoofdzaak veroordeeld, zoals in het dictum van het vonnis is omschreven.

Tegen de drie vermelde vonnissen heeft Winterthur hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch.

Bij arrest van 23 januari 2001 heeft het Hof:

1. Winterthur niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep tegen de vonnissen van 22 januari en 13 augustus 1998;

2. vernietigd het vonnis van 17 december 1998 waarvan beroep;

3. de vordering van [eiser] jegens Winterthur alsnog afgewezen;

4. [eiser] veroordeeld in de kosten van beide instanties aan de zijde van Winterthur in de vrijwaringszaak, en

5. [eiser] veroordeeld in de kosten van het Waarborgfonds in de hoofdzaak, een en ander zoals aangegeven in het dictum van dit arrest.

Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Winterthur heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L.A.D. Keus strekt tot vernietiging van het bestreden arrest.

De advocaat van Winterthur heeft bij brief van 25 oktober 2002 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten en omstandigheden die zijn vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 1.2.

3.2 Het geschil tussen partijen betreft, kort gezegd, de vraag of Winterthur [eiser], die is veroordeeld tot betaling aan de Stichting Waarborgfonds Motorverkeer (hierna: het Waarborgfonds) van het bedrag dat het Waarborgfonds in verband met een door [eiser] - die een Volkswagen Golf met het kenteken XV-[00-00] (hierna: de XV) bestuurde - veroorzaakte aanrijding met een motorfiets aan derden heeft uitgekeerd, ter zake dient te vrijwaren.

3.3.1 Het Waarborgfonds heeft in de hoofdzaak gevorderd [eiser] te veroordelen tot betaling van ƒ 9.681,93. De Rechtbank heeft de vordering van het Waarborgfonds toegewezen. [Eiser] heeft tegen dit vonnis van 18 september 1997 geen hoger beroep ingesteld.

In de onderhavige vrijwaringsprocedure heeft [eiser] gevorderd als hiervoor onder 1 vermeld. Hij heeft aan zijn vordering onder meer ten grondslag gelegd dat de assurantietussenpersoon [B] met betrekking tot de XV een door Winterthur ondertekende en ten name van [betrokkene 1] gestelde groene kaart heeft verstrekt.

De Rechtbank heeft de vordering toegewezen en heeft daartoe onder meer geoordeeld dat [B] als assurantietussenpersoon bevoegd was tot het verlenen van een voorlopige dekking voor een W.A.-verzekering voor motorrijtuigen, dat [B] daartoe een groene kaart heeft verstrekt en dat de voorlopige dekking nog niet is beëindigd.

Op het hoger beroep van Winterthur heeft het Hof het eindvonnis van de Rechtbank vernietigd en de vordering van [eiser] alsnog afgewezen.

3.3.2 Het Hof heeft in rov. 4.4 geoordeeld dat uitsluitend aan de orde is de vraag of [eiser] een dekking kan ontlenen aan de ten behoeve van [betrokkene 1] afgegeven groene kaart voor de XV en heeft deze vraag ontkennend beantwoord. De door de tussenpersoon [B] afgegeven groene kaart voor de XV was, aldus het Hof, op naam van [betrokkene 1] gesteld. Het Hof vervolgt: "Niet alleen was er dus geen verzekering van de bij de aanrijding betrokken auto, ook de voor die auto afgegeven "groene kaart" stond niet ten name van [eiser]. Onder deze omstandigheden kan [eiser] dan ook aan de aan de voor de auto XV afgegeven "groene kaart" te ontlenen dekking geen aanspraak op vrijwaring maken."

3.4.1 Onderdeel 2 - onderdeel 1 bevat geen klacht - is gericht tegen rov. 4.4 en strekt ten betoge dat in het licht van het bepaalde in art. 3 WAM het oordeel van het Hof dat [eiser] geen dekking kan ontlenen aan de ten behoeve van [betrokkene 1] voor de XV afgegeven groene kaart onjuist althans onbegrijpelijk is.

3.4.2 Bij de behandeling van dit onderdeel moet worden vooropgesteld dat de "groene kaart" een buitenlanddocument is, dat niet rechtstreeks te maken heeft met de vraag of in het land van herkomst (nog) rechten aan de polis kunnen worden ontleend. De afgifte van een "groene kaart" kan een aanwijzing vormen dat (voorlopige) dekking is verleend doch is niet de belichaming van de verlening van (zulk) een dekking.

3.4.3 Voorts moet worden vooropgesteld dat het Hof zich niet heeft uitgelaten over de vraag of in het onderhavige geval, zoals de Rechtbank heeft aangenomen, aan de afgifte van de groene kaart door [B] de verlening van een voorlopige dekking met betrekking tot de XV ten grondslag ligt. Nu [eiser] zulks (in hoger beroep) aan zijn vordering ten grondslag had gelegd, moet in cassatie derhalve veronderstellenderwijs ervan worden uitgegaan dat die voorlopige dekking is verleend. Een dergelijke dekking valt onder het bereik van art. 3 lid 1 WAM dat bepaalt - voorzover in dit geval relevant - dat de verzekering moet dekken de burgerrechtelijke aansprakelijkheid, waartoe het motorrijtuig in het verkeer aanleiding kan geven, van iedere bezitter, houder en bestuurder van het verzekerde motorrijtuig. In het licht hiervan is zonder nadere motivering, die evenwel ontbreekt, niet begrijpelijk waarom deze (voorlopige) dekking niet ook zou voldoen aan de vereisten van de WAM, zodat evenzeer onbegrijpelijk is op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat [eiser] daaraan geen dekking kan ontlenen. Het Hof heeft voorts onvoldoende inzicht gegeven in zijn gedachtengang, nu de in rov. 4.4 genoemde omstandigheden - de Volkswagen Golf met het kenteken FX-[00-00] stond op naam van [betrokkene 1], die de premie van de verzekering van deze auto had betaald, terwijl ook de groene kaart voor de laatstgenoemde auto, de premie-nota, de bankrekening, waarvan de premiebetaling geschiedde, en de groene kaart voor de XV op naam van [betrokkene 1] stonden - niet redengevend zijn voor zijn oordeel dat [eiser] geen aanspraak op vrijwaring op grond van de voorlopige dekking van de auto XV kan maken. Ook in zoverre is het Hof derhalve tekortgeschoten in zijn motiveringsplicht.

Onderdeel 2 slaagt derhalve, evenals het daarop voortbouwende onderdeel 3.

3.5 De Rechtbank heeft in haar eindvonnis geoordeeld dat geen "definitieve" verzekeringsovereenkomst tussen Winterthur en [betrokkene 1] is gesloten doch dat wel sprake is van voorlopige dekking. Het oordeel van het Hof in rov. 4.4 dat de Rechtbank onbestreden vaststelde dat "[eiser] ter zake de XV niet voor wettelijk aansprakelijkheid was" verzekerd, berust, gelijk in onderdeel 4 wordt betoogd, derhalve op een onbegrijpelijke uitleg van dit vonnis: de Rechtbank heeft zulks niet vastgesteld, waarbij nog aantekening verdient dat ook een voorlopige dekking berust op een verzekeringsovereenkomst.

Het Hof heeft eveneens geoordeeld dat uit het vonnis van 18 september 1997 in de hoofdzaak, de zaak tussen het Waarborgfonds en [eiser], blijkt dat [eiser] ter zake van de XV niet voor wettelijke aansprakelijkheid was verzekerd. De uitleg van dit vonnis is ook onbegrijpelijk, zoals onderdeel 4 betoogt, alleen al omdat de Rechtbank zulks in dat vonnis niet heeft vastgesteld. Daarbij dient te worden aangetekend dat de hoofdzaak en de vrijwaringszaak twee zelfstandige procedures vormen en de hoofdzaak speelt tussen andere procespartijen dan de vrijwaringsprocedure. Hetgeen in de hoofdzaak vaststaat, kan derhalve niet zonder meer in de vrijwaringszaak als vaststaand worden aangenomen. Onderdeel 4 slaagt evenzo.

3.6 Onderdeel 5 klaagt dat [eiser] in het dictum ten onrechte in de (proces-)kosten van het Waarborgborgfonds in de hoofdzaak is veroordeeld. Dit onderdeel slaagt omdat een in een vrijwaringsprocedure uitgesproken veroordeling in de kosten van de hoofdzaak rechtens niet mogelijk is, alleen al omdat hoofdzaak en vrijwaringszaak twee zelfstandige procedures zijn met verschillende procespartijen.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 23 januari 2001;

verwijst het geding naar het Gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt Winterthur in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 1.912,64 in totaal, waarvan € 1.858,75 op de voet van art. 243 Rv. te betalen aan de Griffier, en € 53,89 aan [eiser].

Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren A.E.M. van der Putt-Lauwers, D.H. Beukenhorst, O. de Savornin Lohman en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 13 december 2002.