Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AE9243

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-12-2002
Datum publicatie
13-12-2002
Zaaknummer
C01/307HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AE9243
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek 120
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 688
NJ 2003, 212
JWB 2002/471
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13 december 2002

Eerste Kamer

Nr. C01/307HR

JMH

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser], wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. E. van Staden ten Brink,

t e g e n

[Verweerster], wonende te [woonplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: jhr. mr. H.J.J. de Bosch Kemper.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerster in cassatie - verder te noemen: [verweerster] - heeft bij exploit van 15 juni 1994 eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - gedagvaard voor de Rechtbank te Rotterdam en gevorderd bij vonnis, voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

a. te verklaren voor recht dat [eiser] door de wijze waarop de medische behandeling van [verweerster] heeft plaatsgevonden, toerekenbaar tekort is geschoten in de op hem rustende verplichtingen jegens haar, dan wel onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld, en dat [eiser] dientengevolge volledig aansprakelijk is voor alle als gevolg hiervan door haar geleden en te lijden schade, en

b. [eiser] te veroordelen om aan haar te betalen haar schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente over het bedrag van die schade vanaf het moment dat daarop aanspraak is gemaakt, te weten 15 januari 1990.

[Eiser] heeft de vordering bestreden.

De Rechtbank heeft bij tussenvonnis van 9 mei 1996 de zaak naar de rol verwezen teneinde partijen in de gelegenheid te stellen conclusies te nemen omtrent de door [verweerster] geleden en te lijden schade als gevolg van de door [eiser] verrichte medische behandeling.

Vervolgens heeft [verweerster] haar eis vermeerderd en schadevergoeding ter zake van verminderd arbeidsvermogen gevorderd op basis van een door Bureau Pals B.V. opgemaakt rapport, alsmede vergoeding van haar overige schade, begroot op ƒ 34.500,-- aan materiële schade, ƒ 50.000,-- aan smartengeld, ƒ 12.500,-- exclusief BTW aan kosten juridische bijstand, en ƒ 24.883,56 aan expertisekosten.

Bij tussenvonnis van 22 oktober 1998 heeft de Rechtbank een comparitie van partijen gelast.

Tegen beide tussenvonnissen heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage.

Bij arrest van 28 juni 2001 heeft het Hof de bestreden tussenvonnissen bekrachtigd.

Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[Verweerster] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal C.L. de Vries Lentsch-Kostense strekt tot verwerping van het beroep.

De advocaat van [eiser] heeft bij schrijven van 18 oktober 2002 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 Wat betreft de feiten en het verloop van de procedure verwijst de Hoge Raad naar respectievelijk punt 2 van de conclusie van de Advocaat-Generaal en het hiervoor onder 1 overwogene.

3.2 Kort gezegd gaat het, voorzover in cassatie van belang, in deze zaak om het volgende. [Verweerster] heeft [eiser] aangesproken tot vergoeding van de schade die zij heeft geleden als gevolg van een medische beroepsfout van [eiser]. [Eiser] heeft op de brief van 23 mei 1989 van de toenmalige raadsman van [verweerster] - waarvan de voornaamste passages zijn weergegeven in punt 2 onder iii) van de conclusie van de Advocaat-Generaal - gereageerd met een brief van 5 juni 1989, waarin hij verwees naar zijn verzekeraar, Winterthur; de voornaamste passages van deze brief zijn weergegeven in punt 2 onder iv) van de conclusie. Onderhandelingen tussen de (toenmalige) raadsman van [verweerster] en Winterthur hebben onder meer erin geresulteerd dat op verzoek van Winterthur een nader onderzoek is verricht door de onafhankelijke specialist prof. dr. Sijbrandij. Deze heeft op 26 januari 1991 een verslag uitgebracht, waarvan de voornaamste passages zijn weergegeven in punt 2 onder vii) van de conclusie van de Advocaat-Generaal.

Vervolgens heeft Winterthur bij brief van 22 april 1991, waarvan de voornaamste passages zijn weergegeven in punt 2 onder viii) van de conclusie van de Advocaat-Generaal, aan de toenmalige raadsman van [verweerster] medegedeeld dat haar medische adviseur zich geheel kan vinden in de conclusies van Sijbrandij. In deze brief deelt Winterthur tevens mede dat zij de zaak uit handen heeft gegeven aan het bureau Assuraad en dat zij zal overgaan tot betaling van ƒ 10.000,-- als voorschot, hetgeen is gebeurd. Bij brief van 13 augustus 1991, waarvan de voornaamste passages zijn weergegeven in punt 2 onder x) van de conclusie van de Advocaat-Generaal, deelt Winterthur vervolgens aan de toenmalige raadsman van [verweerster] mede dat overleg was gevoerd met het bureau Assuraad ten einde de schaderegeling ter hand te nemen. Winterthur zegt daarbij toe alles in het werk te stellen om te trachten zo spoedig mogelijk tot een totale schaderegeling te komen.

3.3.1 Toen verdere betalingen uitbleven, heeft [verweerster] de onderhavige procedure aangespannen.

[Eiser] heeft zich in de eerste plaats erop beroepen dat de vordering van [verweerster] was verjaard.

De Rechtbank heeft vastgesteld dat de betreffende verjaringstermijn op 1 januari 1993 verstreken is, tenzij er voordien een rechtsgeldige stuiting heeft plaatsgevonden. De rechtsgeldigheid van een stuitingshandeling welke heeft plaatsgevonden vóór 1 januari 1992 dient daarbij, aldus de Rechtbank, ingevolge art. 120 Ow te worden beoordeeld naar het alstoen geldende recht (rov. 4.1). Deze uitgangspunten zijn in hoger beroep en in cassatie niet bestreden.

De Rechtbank heeft het beroep op verjaring vervolgens in rov. 4.2 van haar eerste tussenvonnis verworpen op gronden die door het Hof in rov. 9 van zijn eerste tussenarrest als volgt verkort zijn weergegeven:

"(a) De brief van [eiser] van 5 juni 1989 kan niet anders worden opgevat dan dat hij de beoordeling en beslissing omtrent zijn aansprakelijkheid jegens [verweerster] aan zijn verzekeraar Winterthur overliet.

(b) Onder deze omstandigheden stuit een erkenning van aansprakelijkheid door Winterthur de lopende verjaring van de vordering van [verweerster] op [eiser].

(c) De door Winterthur in haar brieven van 22 april 1991 en van 13 augustus 1991 aan de toenmalige raadsman van [verweerster] gedane mededelingen, in samenhang bezien met de conclusies van Sijbrandij, dienen als een erkenning door Winterthur van de aansprakelijkheid namens [eiser] te worden opgevat.

(d) Door deze erkenning is de toen lopende verjaring van de vordering van [verweerster] op [eiser] gestuit."

Vervolgens heeft de Rechtbank in rov. 4.3 een oordeel gegeven over de aansprakelijkheid van [eiser], welke overweging door het Hof in rov. 9 als volgt is weergegeven:

"(e) Deze erkenning van aansprakelijkheid heeft de strekking dat in het vervolg tussen [verweerster] en [eiser] zal gelden dat [eiser] jegens [verweerster] voor de schade aansprakelijk is die zij als gevolg van de knieoperaties heeft geleden en in de toekomst zal lijden."

Na een weergave in rov. 10 en 11 van de stellingen die [eiser] en [verweerster] in hoger beroep ten aanzien van deze oordelen hebben aangevoerd, heeft het Hof in rov. 12 geoordeeld dat de Rechtbank terecht en op goede gronden in haar eerste tussenvonnis onder 4.2-4.3 (het Hof schrijft hier en in rov. 9 "4.2 tot en met 4.4", maar dit is een kennelijke verschrijving) tot de door [eiser] in hoger beroep bestreden oordelen is gekomen.

3.3.2 Onderdeel 1.1 is gericht tegen 's Hofs oordeel dat de brief van [eiser] van 5 juni 1989 niet anders kan worden opgevat dan dat hij de beoordeling en beslissing omtrent zijn aansprakelijkheid jegens [verweerster] aan zijn verzekeraar Winterthur overliet (rov. 9 sub (a) in verbinding met rov. 12 van het Hof en rov. 4.2 van de Rechtbank).

Het onderdeel onderkent dat dit oordeel berust op aan het Hof, als rechter die over de feiten oordeelt, voorbehouden uitleg van de brief van 5 juni 1989, doch betoogt dat het bestreden oordeel onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd is, omdat het Hof, zich aansluitend bij de Rechtbank, heeft geoordeeld dat de bedoelde brief niet anders kan worden verstaan, terwijl volgens het onderdeel een andere uitleg heel wel denkbaar is. Het onderdeel faalt. Een feitelijk oordeel kan niet als onbegrijpelijk worden aangemerkt op de enkele grond dat de rechter daarbij mede heeft overwogen dat hij het door hem gegeven oordeel voor het enige juiste houdt, terwijl verdedigbaar is dat hierover ook anders gedacht kan worden. Ook behoeft het oordeel onder deze omstandigheden geen nadere motivering.

3.3.3 De onderdelen 1.2 tot en met 1.5 zijn gericht tegen 's Hofs oordeel dat de door Winterthur in haar brieven van 22 april 1991 en van 13 augustus 1991 aan de toenmalige raadsman van [verweerster] gedane mededelingen, in samenhang bezien met de conclusies van Sijbrandij, als een erkenning door Winterthur van de aansprakelijkheid namens [eiser] dienen te worden opgevat, en dat door deze erkenning de toen lopende verjaring van de vordering van [verweerster] op [eiser] is gestuit (rov. 9 sub (b) tot en met (d) in verbinding met rov. 12 van het Hof en met rov. 4.2 van het eerste tussenvonnis van de Rechtbank).

Onderdeel 1.2 baseert een rechts- en een motiveringsklacht op de stelling dat stuiting van verjaring door erkenning, zoals voorzien in art. 2019 (oud) BW, dient te geschieden door degene zèlf tegen wie de verjaring loopt en niet (althans niet zonder meer) door degene aan wie degene tegen wie de verjaring loopt, de beoordeling en beslissing omtrent zijn aansprakelijkheid heeft overgelaten. Deze stelling is evenwel onjuist. Niet valt in te zien, waarom een dergelijke erkenning niet door een vertegenwoordiger kan geschieden. Het onderdeel faalt derhalve.

Ook de onderdelen 1.3 en 1.4 falen. Het Hof heeft zich aangesloten bij het oordeel van de Rechtbank dat de brief van 5 juni 1989 niet anders kan worden opgevat dan dat [eiser] de beoordeling en beslissing omtrent zijn aansprakelijkheid jegens [verweerster] aan zijn verzekeraar Winterthur overliet, hetgeen hij vervolgens ook heeft gedaan, zodat [verweerster] in redelijkheid Winterthur te dier zake als vertegenwoordigster van [eiser] mocht aanmerken, en dat dit meebrengt dat een eventuele erkenning van die aansprakelijkheid door Winterthur jegens [verweerster] (of haar raadsman) een lopende verjaring van de vordering van [verweerster] op [eiser] stuit. Anders dan de onderdelen 1.3 en 1.4 kennelijk tot uitgangspunt nemen, geeft dit oordeel niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en behoefde het geen nadere motivering. Voorzover de onderdelen uitgaan van een andere lezing van 's Hofs arrest dan zojuist aangegeven, missen zij feitelijke grondslag.

Onderdeel 1.5 bestrijdt de uitleg van de brieven van Winterthur van 22 april 1991 en 13 augustus 1991 in samenhang met de conclusies van prof. Sijbrandij, die het Hof, zich aansluitend bij de Rechtbank, tot de zijne heeft gemaakt. Anders dan het onderdeel betoogt, is echter niet onbegrijpelijk dat het Hof, zich aansluitend bij de Rechtbank, in die brieven niet slechts mededelingen heeft gelezen van het oordeel van de medisch adviseur van Winterthur en van een bereidheid om verder te onderhandelen (via een daartoe ingeschakeld bureau), doch een aanvaarding van de conclusies van prof. Sijbrandij door Winterthur als zodanig met daaraan verbonden mededelingen betreffende de verdere aanpak om, uitgaande van erkenning van de aansprakelijkheid van [eiser], te geraken tot vaststelling van de verschuldigde schadevergoeding. Dit oordeel geeft ook niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en behoefde geen nadere motivering.

3.3.4 De onderdelen 1.6 en 1.6.1 tot en met 1.6.6 zijn gericht tegen rov. 13 van 's Hofs arrest, dan wel ontlenen daaraan argumenten ter bestrijding van het in rov. 12 gegeven oordeel.

In rov. 13 overweegt het Hof dat het bij zijn in rov. 12 gegeven oordeel naast het in rov. 11 weergegeven verweer van [verweerster], mede in aanmerking neemt hetgeen het Hof doet volgen onder (a) tot en met (e). Het Hof geeft hierbij niet aan welke gevolgtrekkingen het aan de hierin opgesomde feiten en omstandigheden heeft verbonden. Gezien de aard van deze feiten en omstandigheden kan het Hof deze niet rechtstreeks van betekenis hebben geacht voor zijn oordelen dat de verjaring door erkenning is gestuit en dat deze erkenning van aansprakelijkheid de strekking heeft, dat in het vervolg tussen [verweerster] en [eiser] zal gelden dat [eiser] jegens [verweerster] aansprakelijk is voor de schade die zij als gevolg van de knieoperaties heeft geleden en in de toekomst zal lijden. Nu voorts rov. 12, in verbinding met rov. 4.2 en 4.3 van het eerste tussenvonnis van de Rechtbank, die oordelen zelfstandig kan dragen, kan aan rov. 13, wat daar overigens van zij, geen verdergaande betekenis worden toegekend dan dat het Hof daarin, ten overvloede, enige feiten en omstandigheden vermeldt die naar zijn oordeel erop wijzen dat de erkenning van de aansprakelijkheid van [eiser] door Winterthur terecht is geschied.

Dit brengt mee dat de klachten van de onderdelen 1.6 en 1.6.1-1.6.4 alsmede de tweede klacht van onderdeel 1.6.5, die alle uitgaan van een andere opvatting over de verhouding tussen rov. 12 en rov. 13 dan in de vorige alinea als de juiste is aanvaard, niet tot cassatie kunnen leiden, omdat zij feitelijke grondslag missen, en de eerste klacht van onderdeel 1.6.5 en de klachten van onderdeel 1.6.6 niet, omdat zij gericht zijn tegen oordelen, die ten overvloede zijn gegeven. Dit laatste geldt eveneens voor de onderdelen 2.4 en 2.5, die naar aanleiding van rov. 15, waarin het Hof naar rov. 13 verwijst, eveneens klachten tegen rov. 13 richten.

3.3.5 Onderdeel 1.7 baseert een rechts- en een motiveringsklacht op de stelling dat de door het Hof, in aansluiting bij de Rechtbank, aangenomen erkenning - die de strekking heeft dat in het vervolg tussen [verweerster] en [eiser] zal gelden dat [eiser] jegens [verweerster] aansprakelijk is voor de schade die zij als gevolg van de knieoperaties heeft geleden en in de toekomst zal lijden (rov. 9 onder (e) in verbinding met rov. 12) - rechtens onvoldoende is om de verjaring te stuiten. Het recht, tot welks bescherming een rechtsvordering dient, omvat immers, aldus het onderdeel, niet alleen de aansprakelijkheid van de in aanmerking komende rechtssubjecten, maar ook de vraag of die aansprakelijkheid leidt tot in rechte te vorderen schade.

Het onderdeel faalt. In de vaststelling van het Hof ligt besloten dat de erkenning mede inhield dat [eiser] gehouden was tot schadevergoeding, zij het dat partijen het nog niet eens waren over de omvang daarvan. Een dergelijke erkenning stuit ingevolge het hier toepasselijke art. 2019 (oud) BW de verjaring van de betreffende rechtsvordering, ook voor het geval ter zake van de vaststelling van de omvang van de schadevergoeding uiteindelijk geen overeenstemming wordt bereikt (vgl. HR 10 april 1998, nr. 8953, R97/018, NJ 1998, 639).

3.4.1 Het hiervóór in 3.3.1-3.3.5 overwogene brengt mee dat ook onderdeel 2.1 faalt.

3.4.2 De onderdelen 2.2 en 2.3 kunnen niet tot cassatie leiden omdat zij uitgaan van een onjuiste lezing van 's Hofs arrest. Anders dan waarvan kennelijk in deze onderdelen wordt uitgegaan, heeft het Hof in aansluiting bij de Rechtbank aangenomen dat de erkenning van de aansprakelijkheid op de operaties van beide knieën betrekking had; zulks blijkt onder meer uit rov. 9 onder (e) in verbinding met rov. 12.

3.4.3 Onderdeel 2.6 richt zich tegen rov. 21, waarin het Hof het, subsidiaire, bewijsaanbod van [eiser] passeert op de grond dat, gegeven de aan de Rechtbank en het Hof thans gebleken feiten, als vaststaand kan worden aangenomen dat voor de beide operaties geen of onvoldoende medische indicaties bestonden en dat, voor zover de knieën - in het bijzonder de rechter knie - klachten hebben gegeven, deze vooralsnog conservatief, dat wil zeggen zonder operatieve ingrepen, behandeld hadden moeten worden. Het onderdeel betoogt dat deze motivering ontoereikend is. Het onderdeel faalt, nu het in rov. 12 gegeven oordeel van het Hof het passeren van het bewijsaanbod, dat betrekking heeft op ingevolge dat oordeel niet meer van belang zijnde stellingen, zelfstandig kan dragen.

3.5 De onderdelen 3.1 en 3.2 zijn gericht tegen de verwerping door het Hof in rov. 6-8 van de eerste grief van [eiser]. Deze grief was gericht tegen de vaststelling door de Rechtbank in rov. 2.2 van het eerste tussenvonnis, dat de gezondheidstoestand van [verweerster] na de door [eiser] uitgevoerde operaties aan haar knieën is achteruitgegaan en dat zij per 1 juni 1986 volledig arbeidsongeschikt voor haar functie als onderwijzeres is verklaard. [Eiser] stelde dat [verweerster] wegens al jaren lang bestaande en in ernst toenemende knieklachten al zeer geruime tijd vóór 1 juni 1986 voor een functie als onderwijzeres arbeidsongeschikt was. De onderdelen betogen dat het Hof niet tot een andersluidend oordeel had mogen komen zonder eerst [eiser] de gelegenheid tot tegenbewijs te bieden en wijzen er daarbij op dat [eiser] in zijn memorie van grieven een algemeen bewijsaanbod ten aanzien van zijn stellingen heeft gedaan.

De onderdelen falen. Het Hof heeft kennelijk en, in aanmerking genomen dat [eiser] niet heeft betwist dat [verweerster] per 1 juni 1986 arbeidsongeschikt is verklaard, noch dat zij tot september 1985 het beroep van onderwijzeres heeft uitgeoefend, in het licht van de gedingstukken niet onbegrijpelijk in de grief en de toelichting daarop geen stellingen gelezen waarop het algemene bewijsaanbod betrekking kon hebben.

3.6.1 De onderdelen 3.3 en 3.4 hebben betrekking op het volgende.

Na in rov. 4.3 van haar eerste tussenvonnis te hebben overwogen dat tussen [verweerster] en Winterthur nog geen (algehele) overeenstemming was bereikt ten aanzien van het causaal verband tussen de door Sijbrandij geconstateerde (invaliditeits-)schade en de door [eiser] verrichte operaties, heeft de Rechtbank in rov. 4.4 enige overwegingen gewijd aan de omvang van de door [verweerster] geleden schade en op grond daarvan geconcludeerd dat de schade van [verweerster] - naar moet worden aangenomen - zo niet geheel dan toch in belangrijke mate moet kunnen worden vastgesteld in deze procedure, zodat een schadestaatprocedure wellicht niet nodig zal zijn. De Rechtbank verwees de zaak vervolgens naar de rol teneinde partijen in de gelegenheid te stellen conclusies te nemen omtrent de door [verweerster] geleden en te lijden schade als gevolg van de door [eiser] verrichte medische behandeling.

In haar tweede tussenvonnis heeft de Rechtbank beslist dat teneinde vast te kunnen stellen welke beperkingen [verweerster] ondervindt als gevolg van de beide operaties, een deskundigenbericht noodzakelijk is. Om met partijen overleg te plegen over de persoon van de te benoemen deskundigen en de (formulering van de) aan deze te stellen vragen gelastte de Rechtbank een comparitie van partijen.

Tevens heeft de Rechtbank in dit vonnis enige oordelen gegeven over stellingen die door partijen naar voren zijn gebracht in de na het eerste tussenvonnis genomen conclusies. Onder meer heeft de Rechtbank overwogen (rov. 2.6.2) dat op [eiser] de bewijslast rust van zijn stelling dat [verweerster] niet tot haar zestigste levensjaar full time zou hebben gewerkt. De tegen dit oordeel gerichte zevende grief van [eiser] is door het Hof verworpen op de volgende grond:

"19. (...) In het bijzonder uit de conclusies 9 en 10 van de onafhankelijk deskundige Sijbrandij kan worden afgeleid dat [verweerster] haar werk als onderwijzeres naar redelijke verwachting nog lange tijd zou hebben kunnen voortzetten. Dit rapport en de conclusies geven geen of onvoldoende steun voor de stelling van [eiser] dat [verweerster] dit werk, zonder de betrokken operatieve ingrepen, niet tot haar zestigste levensjaar zou hebben kunnen verrichten. Het is aan [eiser], die zich op dit voor hem (gedeeltelijk) bevrijdende feit beroept, om deze stelling te bewijzen."

Onderdeel 3.3 betoogt terecht dat het Hof aldus van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan. Naar het onderdeel terecht betoogt, rust op de benadeelde partij de bewijslast ter zake van de omvang van de schade waarvan zij vergoeding vordert, en geldt dit ook voorzover zij deze vordering baseert op verlies van toekomstige inkomsten uit arbeid. Het Hof heeft dan ook ten onrechte de gemotiveerde ontkenning door [eiser] van [verweersters] stelling dat zij nog tot haar zestigste levensjaar full time zou hebben gewerkt, aangemerkt als een stelling waarvan de bewijslast op hem rust.

Wel moet bij dit een en ander het volgende in acht worden genomen. De vraag of de benadeelde schade heeft geleden door verlies van toekomstige inkomsten uit arbeid, moet worden beantwoord door vergelijking van de feitelijke inkomenssituatie na het schade veroorzakende voorval met de hypothetische situatie bij wegdenken daarvan. Bij zulk een vergelijking komt het aan op de redelijke verwachting van de rechter omtrent toekomstige ontwikkelingen. (vgl. HR 15 mei 1998, nr. 16569, C97/048, NJ 1998, 624)

3.6.2 Uit het vorenoverwogene volgt dat het Hof de zevende grief gegrond had dienen te bevinden. Dit had het Hof evenwel niet behoeven te brengen tot vernietiging van het vonnis van de Rechtbank, nu de beslissing (dictum) ervan slechts het gelasten van een comparitie van partijen inhield en de gegrondbevinding van de zevende grief deze beslissing niet onjuist deed zijn.

De gegrondbevinding van onderdeel 3.3 brengt derhalve niet mee dat de Hoge Raad het arrest van het Hof moet vernietigen.

3.6.3 Nu onderdeel 3.3 gegrond is bevonden, behoeft onderdeel 3.4 geen behandeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op € 301,85 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G.G. van Erp Taalman Kip-Nieuwenkamp als voorzitter en de raadsheren A.E.M. van der Putt-Lauwers, H.A.M. Aaftink, D.H. Beukenhorst en O. de Savornin Lohman, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 13 december 2002.