Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AE9053

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
03-12-2002
Datum publicatie
03-12-2002
Zaaknummer
00032/02
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AE9053
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 24c
Wetboek van Strafrecht 36f
Wetboek van Strafrecht 36f
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 677
NJ 2003, 608
NBSTRAF 2003/19
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

3 december 2002

Strafkamer

nr. 00032/02

EW/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 28 september 2001, nummer 23/000645-00, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Iran) op [geboortedatum] 1966, wonende te [woonplaats], ten tijde van het instellen van beroep in cassatie gedetineerd in het Huis van Bewaring "De Compagnie en Zwaag" te Zwaag.

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - behoudens ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel - bevestigd een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Haarlem van 17 februari 2000, waarbij de verdachte ter zake van "diefstal door twee of meer verenigde personen, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken" is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van 24 maanden waarvan acht maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en waarbij tevens de vordering van de benadeelde partij is toegewezen als in het arrest vermeld. Het Hof heeft de verdachte de verplichting opgelegd tot betaling ten behoeve van het slachtoffer aan de Staat van een geldbedrag van ƒ 2.350,--, subsidiair zestien dagen hechtenis.

2. Geding in cassatie

2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R. Zilver, advocaat te Utrecht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de vervangende hechtenis, verbonden aan de opgelegde schadevergoedingsmaatregel, in plaats van op 16 dagen op 22 dagen zal bepalen en het beroep voor het overige zal verwerpen.

2.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de Advocaat-Generaal.

3. Beoordeling van het middel en ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

3.1. Het middel bevat de klacht dat het Hof ten onrechte in hoger beroep aan de verdachte een hogere schadevergoedingsmaatregel heeft opgelegd, althans de daartoe strekkende beslissing niet naar de eis der wet met redenen heeft omkleed.

3.2. Het gaat in deze zaak om een verdachte, die, naar de Rechtbank en het Hof - kort gezegd - hebben aangenomen, zich tezamen met twee anderen heeft schuldig gemaakt aan diefstal met geweldpleging ten opzichte van [het slachtoffer]. [Het slachtoffer] heeft als benadeelde partij in de desbetreffende strafzaken vorderingen tot schadevergoeding ingediend. In ieder van de drie strafzaken is, gelet op de hoofdelijke aansprakelijkheid van de verdachte en zijn mededaders, de vordering toegewezen tot een bedrag van ƒ 2.350,--, met dien verstande dat indien en voorzover het te betalen bedrag door de mededaders of een van hen aan de benadeelde partij zal zijn betaald, de verdachte zal zijn bevrijd.

Tevens heeft de Rechtbank een maatregel opgelegd als bedoeld in art. 36f Sr en de verdachte en naar moet worden aangenomen ook zijn mededaders ieder de verplichting opgelegd tot de betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer van een bedrag van ƒ 788,33, subsidiair zestien dagen hechtenis. Daarbij heeft de Rechtbank bepaald dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering komen op het bedrag dat ingevolge art. 36f Sr aan de Staat moet worden betaald en omgekeerd.

Het Hof heeft het vonnis van de Rechtbank bevestigd, behoudens voor wat betreft de schadevergoedingsmaatregel. De omvang van de betalingsverplichting heeft het Hof bepaald op ƒ 2.350,--.

3.3.1. De bestreden uitspraak houdt met betrekking tot de schadevergoedingsmaatregel het volgende in:

"Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de door de rechtbank opgelegde schadevergoedingsmaatregel. In zoverre wordt het vonnis vernietigd. Het hof verenigt zich eveneens met de door de rechtbank bepaalde hoogte van de betalingsverplichting krachtens de schadevergoedingsmaatregel [de Hoge Raad begrijpt: betalingsverplichting voortvloeiende uit de (gedeeltelijk) toegewezen civiele vordering van de benadeelde partij], met inbegrip van de door de rechtbank aangenomen hoofdelijkheid. Het hof is echter van oordeel dat in een geval als het onderhavige de vervangende hechtenis dient te worden beperkt tot het deel dat krachtens de tussen de aansprakelijke personen onderling in acht te nemen verhouding, voor rekening van verdachte komt. Het hof stelt dat aandeel vast op eenderde van de betalingsverplichting die op verdachte en zijn mededaders rust."

3.3.2. Voorts is in het dictum van de bestreden uitspraak - voorzover hier van belang - het volgende vermeld:

"Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer te betalen een som geld ten bedrage van ƒ 2.350,-- (TWEE DUIZEND EN DRIEHONDERDVIJFTIG GULDEN), bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 16 (ZESTIEN) DAGEN, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en dat ten uitvoerlegging niet kan plaatsvinden indien verdachte ƒ 783,33 heeft voldaan."

3.4. Art. 36f, tweede lid, Sr bepaalt dat de rechter de maatregel van schadevergoeding kan opleggen indien en voorzover de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht. Het Hof, dat terecht van hoofdelijke aansprakelijkheid is uitgegaan, kon de betalingsverplichting van de verdachte derhalve bepalen op het vastgestelde bedrag van de schade. Daaraan stond, anders dan het middel met een beroep op het gelijkheidsbeginsel wil, de omstandigheid dat de mededaders van de verdachte geen hoger beroep hadden ingesteld, zodat in hun zaak het vonnis waarbij de opgelegde betalingsverplichting was bepaald op ƒ 783,33, onherroepelijk was geworden, niet in de weg.

Het Hof heeft voorts zijn beslissing in dit opzicht toereikend gemotiveerd.

3.5. Het middel faalt dus.

3.6.1. In art. 36f, zesde lid, Sr is art. 24c Sr van overeenkomstige toepassing verklaard. Dat betekent dat de rechter - met inachtneming van de in het derde lid van laatstgenoemd artikel omschreven begrenzing en de daar gegeven berekeningsmaatstaf - dient te bepalen hoeveel dagen hechtenis bij gebreke van volledige betaling of verhaal van het vastgestelde bedrag zal worden toegepast.

De vervangende hechtenis heeft dus betrekking op de vastgestelde betalingsverplichting in haar geheel.

3.6.2. Ten onrechte heeft het Hof derhalve, na vaststelling van de betalingsverplichting op een bedrag van ƒ 2.350,--, bepaald dat de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis niet kan plaatsvinden indien door de verdachte een derde van dat bedrag, te weten ƒ 783,33, is voldaan. Op dat punt kan de bestreden uitspraak dus niet in stand blijven.

4. Slotsom

Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 3.6 vermelde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak, doch uitsluitend voorzover het Hof daarbij heeft bepaald dat de tenuitvoerlegging van de door het Hof op zestien dagen bepaalde vervangende hechtenis niet kan plaatsvinden indien de verdachte f.783,33 heeft voldaan;

Verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens en J.P. Balkema, in bijzijn van de waarnemend-griffier I.W.P. Verboon, en uitgesproken op 3 december 2002.